Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:6588 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-06-2026 (C/02/446339 / FA RK 26-1493)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Verzoek eenhoofdig gezag toegewezen en wijziging van de informatieregeling.

Full text

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/446339 / FA RK 26-1493 Datum uitspraak: 18 juni 2026 beschikking betreffende eenhoofdig gezag in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M.W.A.M. Scheepens te Tilburg, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. E.M.A. Leijser te Tilburg, over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. Als informant is in de procedure betrokken: Jeugdbescherming Brabant , hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd te ’s-Hertogenbosch. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 23 maart 2026 ontvangen verzoek van de vrouw, met bijlagen; - de op 18 mei 2026 ontvangen nadere productie van de vrouw. 1.2 Het verzoek is op 3 juni 2026 op zitting geweest. Bij die gelegenheid zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de advocaat van de man; - een vertegenwoordiger van de Raad; - een tweetal vertegenwoordigsters namens de GI. 1.3 Alhoewel correct opgeroepen, is de man niet verschenen. 1.4 [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft een gesprek gehad met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [minderjarige] is geboren. 2.2 De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.3 Bij beschikking van 27 januari 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw. [minderjarige] verblijft bij de vrouw. 2.4 Bij beschikking van 7 februari 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Deze maatregel is nadien steeds verlengd, voor het laatst met ingang van 7 februari 2022 tot 7 februari 2023. 2.5 Bij beschikking van 1 februari 2022 heeft de rechtbank de op zitting overeengekomen zorgregeling vastgelegd, waarbij de man en [minderjarige] éénmaal per twee weken in de oneven weken contact met elkaar hebben van vrijdag 17:00 uur tot maandagochtend (naar school). Tevens is er een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgelegd. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft voormelde regeling bij beschikking van 26 januari 2023 bekrachtigd, met de wijziging dat de contactmomenten vanaf 1 september 2023 in de even weken zullen plaatsvinden. 2.6 Bij beschikking van 23 mei 2024 is het verzoek van de man tot uitbreiding van de zorgregeling, in de vorm van een co-ouderschapsregeling afgewezen. De man is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan. 2.7 Bij vonnis in kort geding van 7 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] voorlopig geschorst, althans totdat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch anders beslist. Tevens heeft de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleend voor de aanmelding van [minderjarige] bij [hulpverlening] voor (trauma)behandeling. 2.8 Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 6 december 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 december 2024 en tot 6 december 2025. Deze ondertoezichtstelling is nadien verlengd met ingang van 6 december 2025 tot 6 december 2026. 2.9 Op 9 december 2024 heeft het hof bij tussenbeschikking een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de regie over de uitvoering van de zorgregeling bij de GI is gelegd, die de mogelijkheden, voorwaarden en het tempo voor omgang dient te bepalen. 3 Het verzoek 3.1 De vrouw verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat aan de vrouw het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toekomt; II. te bepalen dat de vrouw niet langer gehouden is om aan de man informatie te verstrekken. 3.2 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Wijziging van het ouderlijk gezag 4.1 De rechtbank kan ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n juncto artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het gezamenlijk gezag beëindigen en bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt, als de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, waardoor: er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of; wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 4.2 In haar verzoek en tijdens de zitting is door en namens de vrouw, samengevat, toegelicht dat er niet wordt voldaan aan de voorwaarde voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag. Het gedrag van de man zorgt voor spanningen bij [minderjarige] en de vrouw, zodat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Voorheen waren er al zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man. Sinds een incident in de nacht van zondag op maandag 10 juni 2024, waarbij de auto van de vrouw in brand is gestoken, is [minderjarige] niet meer bij de man geweest. [minderjarige] wil ook niet meer naar de man. [minderjarige] heeft onder meer verteld dat de man vaak sliep, dat [minderjarige] vaak alleen gelaten werd door de man en dat er geen eten in huis was. [minderjarige] heeft nadien lang speltherapie gehad. Dit is recentelijk afgerond. De man is na het staken van het contact eenmaal in de klas van [minderjarige] verschenen. [minderjarige] raakte toen in paniek. Partijen zijn bovendien ook niet in staat om beslissingen van enig belang in gezamenlijk overleg te nemen of om afspraken te maken over situaties die zich voordoen rondom de minderjarige en het is de verwachting dat hierin geen verbetering komt. Ondanks de inzet van hulpverlening is er geen ouderschapsplan tot stand gekomen. Het hulpverleningstraject bij Amarant, gericht op contactherstel en op ouderschapsbemiddeling, is niet van de grond gekomen, vanwege de niet-beschikbaarheid van de man en diens forse persoonlijke problematiek. Het is voor de vrouw niet mogelijk om in overleg te komen met de man en van haar kan niet worden verwacht dat zij contact zoekt met de man. Zo heeft de vrouw er nu voor gekozen om niet op vakantie te gaan omdat zij daarvoor de toestemming van de man nodig heeft. Hoewel op dit moment bepaalde zaken nog met tussenkomst van de GI kunnen worden gerealiseerd, zal de ondertoezichtstelling uiteindelijk worden beëindigd. 4.3 Door de advocaat van de man is geen standpunt ingenomen ten aanzien van het verzoek van de vrouw. De man is sinds een aantal weken volledig uit het contact getreden. De advocaat heeft het verzoek eerder niet inhoudelijk met de man kunnen bespreken. Op de contactverzoeken vanuit de advocaat heeft de man niet gereageerd. De advocaat deelt de zorgen over de situatie van de man. De zus van de man is aanwezig in zijn woning. De man geeft dan aan dat hij door haar wordt onderdrukt en dat er dingen gebeuren die hij niet wil. Zowel de woningbouw als de politie zijn hier meer bezig. Wanneer de zus niet in de woning is dan is het contact met de man beter en lukt het de GI om in contact te komen met de man. Dit is echter dan vaak van korte duur. 4.4 De GI staat achter het verzoek van de vrouw. De GI ziet als enige mogelijkheid dat de vrouw alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast. Het contact met de man is in het begin wisselend verlopen. In het begin was er veel boosheid vanuit de man richting de GI en uitte hij dreigementen. Na de zomer van vorig jaar is de boosheid minder geworden. De GI maakt zich vanaf dat moment meer zorgen over de psychische toestand van de man. Het lukt niet om met de man in gesprek te geraken. In gesprekken is de man verward, zorgt hij voor overlast in zijn woonomgeving en is zijn woning vervuild. De man heeft aangegeven dat het niet goed met hem gaat en er speelt veel rondom zijn zus. Bemoeizorg is bij de man betrokken geraakt maar zij komen uit veiligheidsoverwegingen niet meer bij de man thuis. Op afspraken op kantoor komt de man niet. Ook de huisarts is een aantal keer bij de man geweest voor een beoordeling door de GGZ maar dit heeft niet geleid tot de inzet van zorg. De laatste contacten met de man zijn inmiddels van meer dan drie maanden geleden. Op het moment dat er nu iets zou gebeuren met [minderjarige] of wanneer er belangrijke beslissingen over hem moeten worden genomen dan kan dat niet. De GI maakt zich ook grote zorgen om de onvoorspelbaarheid van de man en dat de man blijft uitspreken dat hij [minderjarige] wenst te zien. [minderjarige] heeft ook bij de GI aangegeven dat hij geen contact wil met de man en dat het contact voorheen niet prettig voor hem is geweest. De GI heeft hulpverlening van Amarant willen inzetten. De GI heeft tweemaal een schriftelijke aanwijzing aan de man gegeven, welke aanwijzingen door de rechtbank zijn bekrachtigd maar dit heeft er niet toe geleid dat de man zijn medewerking aan iets heeft verleend. Amarant heeft vervolgens aangegeven dat het niet lukt om het traject op starten. De GI heeft het gerechtshof inmiddels bericht dat er geen veilig contact kan bestaan tussen de man en [minderjarige] en is van mening dat het contact moet worden geschorst. 4.5 De Raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de vrouw, om met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te worden belast, toe te wijzen. De Raad ziet dat de man zijn ouderlijke verantwoordelijkheid niet kan nemen en dat hij deze ook niet neemt. Hij voert zijn rol als gezaghebbende ouder niet uit. Daarom is het voor [minderjarige] beter wanneer de vrouw met het eenhoofdig gezag over hem wordt belast. Dit stelt de vrouw in de gelegenheid om de praktische zaken te kunnen regelen, zoals bijvoorbeeld de vakantie. Daar profiteert [minderjarige] van. Wanneer de spanning rondom het contact met de man wegvalt, zal dit mogelijk een positieve weerslag hebben op de opvoedsituatie van [minderjarige] . 4.6 De rechtbank overweegt op grond van de overgelegde stukken en de zitting dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat de vrouw al geruime tijd hoofdzakelijk alleen de zorg voor [minderjarige] draagt. Er is al zo’n twee jaar geen contact meer tussen de man en [minderjarige] en de man is niet langer betrokken in het leven van [minderjarige] . Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden op een relevante manier zijn gewijzigd en dat de vrouw daarom kan worden ontvangen in haar verzoek. 4.7 Nu er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden zal vervolgens dienen te worden beoordeeld of er reden is voor de beëindiging van het gezamenlijk gezag. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitvoering van gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is aangetoond dat partijen daartoe al geruime tijd niet in staat zijn. 4.8 Uit de inhoud van de stukken en uit de zitting is gebleken dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders indien zij het gezag gezamenlijk zullen blijven uitoefenen en niet is te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De man is, onder meer vanwege zijn persoonlijke problematiek, zeer kwetsbaar en onvoorspelbaar in zijn gedrag. Het gedrag van de man zorgt voor spanning bij [minderjarige] en de vrouw. Er is inmiddels nauwelijks meer sprake van communicatie tussen partijen en het ligt ook niet in de lijn der verwachting dat de communicatie tussen partijen (op korte termijn) zal verbeteren. De man is uit het contact getreden en het contact, dat er voorheen was tussen partijen, leidde enkel tot spanningen en conflicten. Ook tussen de man en [minderjarige] is er al geruime tijd geen contact meer en [minderjarige] wil dit ook niet meer omdat de contactmomenten met de man niet prettig waren voor [minderjarige] . 4.9 Verder is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw zal worden belast met het eenhoofdig gezag over hem. Voor het uitoefenen van het ouderlijk gezag is immers nodig dat de ouder op de hoogte is van alle ontwikkelingen van een minderjarige. De man is echter al geruime tijd niet betrokken in het leven van [minderjarige] en van hem kan niet worden verwacht dat hij weet wat [minderjarige] nodig heeft en waar [minderjarige] behoefte aan heeft. De rechtbank onderschrijft dan ook dat de man vanwege het gebrek aan contact met de minderjarige op dit moment niet weet wat zich in het leven van de minderjarige afspeelt. De rechtbank acht de man dan ook niet in staat om nu beslissingen te kunnen nemen die in het belang van [minderjarige] zijn. Daarbij komt dat de man al geruime tijd niet bereikbaar is voor de vrouw. Ook de GI en de advocaat van de man lukt het nauwelijks om met de man in contact te komen. De man heeft veel verschillende telefoonnummers en mailadressen, die alle niet in gebruik lijken te zijn. De GI heeft eerder al tweemaal een schriftelijke aanwijzing aan de man gegeven. Dit heeft evenmin tot een verbetering geleid. Vanwege de afwezigheid van de man, neemt de vrouw inmiddels al geruime tijd alleen de beslissingen over de minderjarige. De vrouw heeft bovendien al verschillende procedures moeten voeren voor het realiseren van praktische zaken voor [minderjarige] . Zij is bovendien angstig om voor bepaalde dingen de toestemming van de man te vragen, waardoor zij ervoor kiest om bijvoorbeeld niet op vakantie te gaan met [minderjarige] . Dit alles acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . 4.10 Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] te worden belast, overeenkomstig het advies van de Raad, worden toegewezen. Wijziging van de informatieregeling 4.11 Ingevolge artikel 1:377b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat lid 1 van dit artikel buiten toepassing blijft. 4.12 Door en namens de vrouw is toegelicht dat zij in het kader van de ondertoezichtstelling de opdracht heeft gekregen om de man maandelijks per e-mail te informeren over [minderjarige] . Eerst ontving de vrouw als reactie daarop boze mails van de man. Sinds september 2025 ontvangt de vrouw geen reactie meer van de man. Het is belastend voor de vrouw om de man maandelijks te moeten informeren. Dit zorgt voor frustratie, maar ook voor angst. 4.13 De GI kan zich erin vinden dat de informatieregeling wordt gewijzigd naar eenmaal per kwartaal, waarbij de berichtgeving via de GI zal verlopen gedurende de ondertoezichtstelling. Wanneer de ondertoezichtstelling wordt beëindigd, zal er worden gekeken of er een mogelijkheid bestaat om de informatieregeling via de hulpverlening in het vrijwillig kader te laten verlopen. Het is knap van de vrouw dat zij nog altijd de man maandelijks informeert over [minderjarige] . Dat doet zij uitgebreid en met een foto. Daarbij gaat zij soms voorbij aan haar eigen gevoel en emoties. Hieronder zit namelijk nog wel altijd angst voor de man. Het blijft onvoorspelbaar of er een reactie zal terugkomen vanuit de man dan wel hoe deze zal zijn. 4.14 Ook de Raad vindt het knap van de vrouw dat zij de man, ondanks de vervelende reacties of ondanks het uitblijven van enige reactie van de kant van de man, blijft informeren. Als dit echter veel spanningen oplevert voor de vrouw en deze spanningen voelbaar zijn voor [minderjarige] , zal dit een weerslag op [minderjarige] hebben. Dit moet worden voorkomen. De Raad kan zich daarom voorstellen dat het goed is om de frequentie van het informeren van de man over [minderjarige] te wijzigen naar eenmaal per kwartaal en om de berichtgeving via de GI te laten verlopen. 4.16 De rechtbank overweegt als volgt. Uit de wet vloeit voort dat de vrouw, als gezaghebbende ouder, de man op de hoogte zal moeten houden van belangrijke zaken over [minderjarige] . Dit geldt eens temeer nu de man geheel verstoken is van contact met [minderjarige] . De vrouw heeft dit de afgelopen periode plichtsgetrouw maandelijks gedaan overeenkomstig de aan haar opgelegde informatieregeling. Hiervoor verdient de vrouw een groot compliment. Op de e-mailberichten die de vrouw aan de man heeft gezonden werd aanvankelijk onprettig en dreigend en nu in het geheel niet meer gereageerd. Het is de rechtbank gebleken dat deze frequentie en vorm van het verstrekken van informatie, daarom belastend is voor de vrouw. 4.17 De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de eerder aan de vrouw opgelegde informatieregeling te wijzigen in die zin dat de vrouw slechts gehouden is om éénmaal per drie maanden (voor het eerst op 1 juli 2026) in plaats van eens per maand informatie over [minderjarige] te verstrekken aan de man. Daarbij vindt de rechtbank het belangrijk dat de informatieverstrekking aan de man gebeurt door tussenkomst van een neutrale instantie, zodat de vrouw daarin wordt ontzorgd en ontlast. Zolang er sprake is van een ondertoezichtstelling zal deze informatie aan de man worden verstrekt via de GI. Bij een eventuele beëindiging van de ondertoezichtstelling zal worden bezien hoe dit eventueel met tussenkomst van hulpverlening binnen het vrijwillig kader kan worden vormgegeven. Uitvoerbaar bij voorraad 4.18 De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen uitgevoerd kan worden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , voortaan aan de vrouw alleen toekomt; 5.2 bepaalt dat de vrouw de man via de GI dan wel hulpverlening binnen het vrijwillig kader, éénmaal per kwartaal (voor het eerst op 1 juli 2026) schriftelijk informeert over belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] ; 5.3 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.