Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-06-2026 (C/02/410501 FA RK 23-2718)
Contactregeling vader kinderen geschorst vanwege verondersteld licht huiselijk geweld. Gezagskwestie aangehouden in afwachting van gezinsobservaties, waarvoor de GI zich in kader ots heeft in te zetten. Verzoek opheffing ots afgewezen.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummers: C/02/410501 FA RK 23-2718 ( combizaak), 448614 FA RK 26-2717 ( eenhoofdig gezag), 445446 JE RK 26-333 ( verzoek GI wijzigen zorg- en opvoedingstaken) en 444523 JE RK 26-173 ( opheffing ondertoezichtstelling) beschikking d.d. 17 juni 2026 in de zaken van [de vrouw] , verzoekster in de zaken FA RK 23-2718 en FA RK 26-2717, belanghebbende in de zaken JE RK 26-333 en JE RK 26-173, wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. N.A. Boelhouwer, gevestigd te Tilburg, en [de man] , verweerder in de zaken FA RK 23-2718 en FA RK 26-2717, belanghebbende in de zaken JE RK 26-333 en JE RK 26-173, wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. A. van Tol-Macharoblishvili, gevestigd te Tilburg. en de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Tilburg, verzoekster in de zaken JE RK 26-333 en JE RK 26-173, informant in de zaken FA RK 23-2718 en FA RK 26-2717, hierna te noemen de GI, De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden vertegenwoordigd door mr. J. Nederlof, bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het (verdere) procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: In de procedure met zaaknummer C/02/410501 FA RK 23-2718 (combizaak) - de beschikking van deze rechtbank van 18 oktober 2024, met alle daarin genoemde stukken; - het F9-formulier d.d. 22 december 2026 van mr. van Tol-Macharoblishvili, met bijlagen; - de brief d.d. 23 december 2026 van mr. Boelhouwer; - het F9-formulier d.d. 12 mei 2026 van mr. van Tol-Macharoblishvili, met bijlagen; - het F9-formulier d.d. 19 mei 2026 van mr. Boelhouwer, met bijlagen; - het verweerschrift d.d. 27 mei 2026 van mr. Boelhouwer met bijlagen; - het nadere verslag van bevindingen d.d. 27 mei 2026 van mr. Nederlof met het zelfstandig verzoek tot schorsing van de contactregeling tussen de vader en de kinderen. In de procedure met zaaknummer C/02/445446 JE RK 26-333 (verzoek GI wijzigen zorg- en opvoedingstaken) - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 februari 2026; - het verweerschrift van mr. van Tol-Macharoblishvili met bijlagen van 12 mei 2026; - het verweerschrift van mr. Boelhouwer met bijlagen van 27 mei 2026. In de procedure met zaaknummer C/02/448614 FA RK 26-2717 (eenhoofdig gezag) - het op 23 december 2025 ingekomen verzoek van mr. Boelhouwer, met bijlagen. In de procedure met zaaknummer C/02/444523 JE RK 26-173 (opheffing ondertoezichtstelling) - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026; - de door de GI op 10 februari 2026 overgelegde bijlagen; - het verweerschrift van mr. Boelhouwer met bijlagen van 27 mei 2026. 1.2 De zaken zijn (verder) behandeld op de mondelinge behandeling van 28 mei 2026. Gelet op de onderlinge samenhang zijn de zaken gezamenlijk tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De vrouw werd daarnaast tevens bijgestaan door een Tolk in de Portugese taal. Tevens waren aanwezig bijzondere curator, twee vertegenwoordigsters van de GI alsook een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3. Na te noemen minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . Zij hebben op 28 mei 2026 gesproken met de kinderrechter. De kinderrechter heeft tijdens de zitting, voor zover dit van de minderjarigen mocht, kort samengevat wat zij naar voren hebben gebracht. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 8 juli 2011 tot 24 december 2020. 2.2. Uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017. 2.3. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen. 2.4. De minderjarigen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw. 2.5. Ingevolge voormeld ouderschapsplan zijn de man en de vrouw in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen volgens een tweewekelijks schema, waarbij zij in totaal zeven dagen bij de ene als bij de andere ouder verblijven, met meerdere wisselmomenten. De man en de vrouw hanteren een kinderrekening voor de verdeling van de kosten van de kinderen. De man dient € 387,= per maand op die rekening te voldoen en de vrouw € 120,= per maand. De indexering vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2022. 2.6. Bij vonnis in kort geding van 2 mei 2023 zijn partijen verwezen naar het UHA. Ook is een voorlopige opbouwende zorgregeling bepaald met ingang van 4 mei 2023: één keer per veertien dagen in de even weken van donderdag na school tot zaterdag 18.00 uur en met ingang van 1 juli 2023 één keer per veertien dagen in de even weken van donderdag na school tot zondag 18.00 uur. Tijdens het UHA dient de verdere invulling van co-ouderschap te worden onderzocht met als doel partijen en kinderen daar naartoe te brengen. Tot slot is beslist tot oplegging van een dwangsom. 2.7. Bij vonnis in kort geding van 9 januari 2024 is een bijzondere curator benoemd om antwoord te krijgen op de vraag waarin de weerstand van de kinderen gelegen ten opzichte van het contact met hun vader en wat hun werkelijke wensen en behoeften zijn. Er wordt een voorlopige zorgregeling bepaald: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan in de even weken naar de man op zaterdag van 10.00 tot 14.00 uur én op zondag van 10.00 tot 14.00 uur (met ingang van 13 januari 2024). De dwangsom blijft gehandhaafd. 2.8. Bij vonnis in kort geding van 18 maart 2024 is vervangende toestemming verleend voor traumatherapie bij [persoon 1] en sensorische integratie-therapie bij [persoon 2] (alsmede de kosten daarvoor bij helfte voor zover niet gedekt door de gemeente of zorgverzekering). Tevens is vervangende toestemming verleend voor wat betreft (astma)medicatie voor [minderjarige 1] . Op de zitting heeft de man alsnog de toestemmingsformulieren ondertekend voor de vakantie van de vrouw en de minderjarigen naar Turkije in de meivakantie 2024. 2.9. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 27 september 2026. 3 De verzoeken In de procedure met zaaknummer C/02/410501 FA RK 23-2718 (combizaak) 3.1. Thans ligt in deze procedure nog ter beoordeling voor de volgende verzoeken: De vrouw heeft verzocht, samengevat: de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen; de door de man te betalen bijdrage met ingang van 22 februari 2024 nader vast te stellen op € 417,87 per maand per kind; 3.2. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige opbouwende zorg- en contactregeling te bepalen tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, waarbij de minderjarige in week 1 en week 2 op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man is, in week 3 en week 4 op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de man is, in week 5 en 6 van zaterdag 14.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man is, en vanaf week 7 eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man verblijft met als uitgangspunt dat wordt toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling conform het ouderschapsplan van 19 november 2020, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist en redelijk acht; een zorg- en contactregeling te bepalen tussen de man en de minderjarige [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017, waarbij de minderjarige conform het ouderschapsplan van 19 november 2020 de helft van de tijd bij de man is en de helft van de tijd bij de vrouw, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist en redelijk acht; de vrouw een dwangsom op te leggen wanneer zij nalaat de zorg- en contactregeling na te leven zoals deze is verzocht door de man onder de punten a en b ter hoogte van € 500,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000. 3.3. De bijzondere curator heeft, na wijziging, zelfstandig verzocht: primair: a. te bepalen dat de bij beschikking van 18 oktober 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken wordt stopgezet en te bepalen dat de kinderen en de man recht hebben op contact met elkaar, indien dat, onder de regie van de hulpverlening, op een voor de kinderen onbelaste manier kan gebeuren; subsidiair: het recht op omgang/uitvoering van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de minderjarige kinderen te ontzetten voor onbepaalde tijd. In de procedure met zaaknummer C/02/445446 JE RK 26-333 (verzoek GI wijzigen zorg- en opvoedingstaken) 3.4. De GI verzoekt de door de kinderrechter op 18 oktober 2024 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen in die zin dat de rechtbank bepaalt dat er geen contact is tussen [minderjarige 2] en zijn vader binnen het (samengestelde) gezin van vader, zolang het recherche onderzoek loopt. Door de GI is aan vader een alternatief geboden namelijk één op één contact tussen vader en [minderjarige 2] (zonder stiefmoeder). Echter vader staat hier niet voor open. 3.5. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. In de procedure met zaaknummer C/02/448614 FA RK 26-2717 (eenhoofdig gezag) 3.6. De vrouw heeft verzocht, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . In de procedure met zaaknummer C/02/444523 JE RK 26-173 (opheffing ondertoezichtstelling) 3.7. De GI verzoekt, 1. primair op grond van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgedragen aan Jeugdbescherming Brabant op te heffen; 2. subsidiair, op grond van artikel 1:259, indien uw rechtbank van mening is dat de OTS van kracht dient te blijven, verzoekt de GI een andere GI dan Jeugdbescherming Brabant toe te wijzen; 3. de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De (verdere) beoordeling 4.1. De (kinder)rechter heeft de ouders voorgehouden wat de minderjarigen in het kindgesprek naar voren hebben gebracht, voor zover de minderjarigen hiervoor toestemming hebben gegeven. [minderjarige 1] wilde niet dat de (kinder)rechter de inhoud van het gesprek werd gedeeld. [minderjarige 2] heeft verteld over een incident op een kerstmarkt. Hierbij heeft de partner van de man hem in de auto gesleept. In het huishouden van de man en zijn nieuwe partner krijgen alle kinderen straf. [minderjarige 2] wil niet meer naar de man toe. In de procedures met zaaknummers C/02/410501 FA RK 23-2718 en 445446 JE RK 26-333 4.2. De rechtbank zal de procedures met zaaknummers C/02/410501 FA RK 23-2718 en 445446 JE RK 26-333 gelet op de onderlinge samenhang tegelijk beoordelen. Zaaksverloop 4.3. Bij beschikking van 18 oktober 2024 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, in de zaak met zaaknummer C/02/410501 FA RK 23-2718 de beschikking van 9 december 2020 en het daaraan gehechte ouderschapsplan gewijzigd en een voorlopige zorgregeling en een voorlopige kinderbijdrage bepaald. Omdat de vrouw haar verzoek tot eenhoofdig gezag heeft ingetrokken, is dit verzoek afgewezen. De behandeling van de zaak voor zover dit betreft een definitieve beslissing op het verzoek over de zorgregeling en de kinderalimentatie is aangehouden in afwachting van bericht van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, in het bijzonder de zorgregeling en de hulpverlening. 4.4. De vrouw is in hoger beroep gegaan tegen voormelde beschikking van de rechtbank. Bij beschikking van 11 december 2025 heeft het Gerechtshof de beschikking van de rechtbank van 18 oktober 2024 vernietigd en bepaald dat de man aan de vrouw voorlopig als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal voldoen: - met ingang van 18 oktober 2024 tot 1 januari 2025 € 340,= per kind per maand; - met ingang van 1 januari 2025 € 340,80 per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Overeenstemming kinderalimentatie 4.5. Bij aanvang van de zitting heeft de man aangegeven in te stemmen met het door de vrouw in het verweerschrift van 27 mei 2026 gedane voorstel om de berekening en uitkomst van het Gerechtshof van 11 december 2025 als uitgangspunt te nemen. 4.6. De rechtbank stelt vast dat partijen aanvaarden dat de bij beschikking van het Gerechtshof van 11 december 2025 bepaalde kinderbijdrage als definitieve kinderalimentatie wordt vastgesteld. De rechtbank zal hierbij als ingangsdatum hanteren de datum van deze beschikking, nu tot die tijd voornoemde beschikking van het Gerechtshof van kracht is. Zorgregeling 4.7. Bij de behandeling van het verzoek ten aanzien van de zorgregeling heeft de rechtbank zowel aan de man als aan de vrouw gevraagd aan te geven wat zij als kern van het probleem beschouwen. Door de vrouw is desgevraagd naar voren gebracht dat het de man niet lukt verbinding te maken met de minderjarigen. Volgens de vrouw is de sfeer bij de man niet veilig. Door de man is naar voren gebracht dat de vrouw de minderjarigen geen emotionele toestemming geeft en ten onrechte de sfeer bij de man als onveilig bestempelt. De ouders hebben aan deze standpunten hun stellingen opgehangen. 4.8. De rechtbank overweegt als volgt. In deze zaak hebben de minderjarigen, aanvankelijk eerst [minderjarige 1] en later gevolgd door [minderjarige 2] , steeds geuit dat zij zich niet gehoord en gezien voelden in de gezinssituatie van de man en zijn nieuwe partner. Vanuit de signalen die de minderjarigen zijn gaan geven heeft de vrouw een defensieve houding aangenomen. De man is juist meer in het offensief gegaan. De ouders zijn op die wijze ook in een situatie terechtgekomen die gekenmerkt wordt door strijd, verschillen van inzicht en uiteindelijk voor hen onoplosbare kwesties. Inmiddels staan de minderjarigen reeds enige tijd onder toezicht van de GI heeft de GI diverse interventies voorgesteld, waaronder de intensieve gezinsbegeleiding (IGB). Omdat voor die IGB geen medewerking van beide ouders werd verkregen, is IGB noch in het gezin van de vrouw noch in gezin van de man van de grond gekomen. Tijdens de zitting heeft de GI naar voren gebracht dat er sprake is van een systemisch probleem en daarbij uitgelegd dat dit betekent dat er in beide gezinnen sprake is van ongezonde situatie die juist ook in de interactie tussen die gezinnen sturing behoeft. De rechtbank kan dit niet zonder meer volgen, omdat er geen goed onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar wat zich in de gezinssituaties daadwerkelijk voordoet. Wat de rechtbank wel vaststelt is dat de beide minderjarigen voortdurend, [minderjarige 1] voorop en [minderjarige 2] volgend, aan de hand van concrete voorbeelden hebben duidelijk gemaakt waarom zij zich niet gehoord en gezien hebben gevoeld in het gezin van de man. Zonder volledig te zijn verwijst de rechtbank naar de incidenten rond [minderjarige 1] met betrekking tot zijn vertrek naar de vrouw, waarbij hij op de openbare weg in een in ieder geval niet ongevaarlijke situatie terecht is gekomen en ook naar het verhaal van [minderjarige 2] over wat zich rond de kerstmarkt dan wel tuincentrum heeft afgespeeld, zoals ook tijdens het kindgesprek op 28 mei 2026 naar voren is gekomen. 4.9. Wat naar het oordeel van de rechtbank in de periode van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen onvoldoende op de voorgrond is gezet is het volgende. Is er in de situatie van de man en zijn nieuwe partner sprake geweest van een mate van onveiligheid in die zin dat sprake is geweest van een (lichte) vorm van huiselijk geweld die maakt dat daar aandacht voor had moeten zijn? Anders gezegd, is er voldoende focus gelegd op een mogelijke vorm van huiselijk geweld? Natuurlijk staat voorop dat de minderjarigen in principe contact met beide ouders moeten hebben: minderjarigen met een betrokken uitwonende ouder, in dit geval de man, hebben een hoger sociaal en emotioneel welbevinden, laten betere schoolprestaties zien en kunnen zich ook beter aanpassen in verschillende situaties. Betrokkenheid van die uitwonende ouder gaat om: het actief betrokken zijn bij kind gerelateerde activiteiten, een positieve ouder-kind relatie en het op meerdere vlakken betrokken zijn bij dat kind. De andere kant is dat contact niet altijd het beste is. Bij onveiligheid is de negatieve impact van contact groter dan dat dit een positief effect heeft. Zonder inzicht te hebben in het eigen gedrag door de ouder gaat de dynamiek vaak door en dit heeft een negatieve impact op het kind. Aan de hand van de voorbeelden die in de loop der tijd naar voren zijn gekomen acht de rechtbank het aannemelijk dat er in het gezin van de man sprake is van een te kritische ouderopstelling, waarbij straffen meer op de voorgrond is komen te staan dan stimuleren en belonen. Als dit patroon zich daadwerkelijk heeft aangediend, dan is dit zonder enige twijfel voor herstel en verbetering vatbaar. Nodig daartoe is zelfreflectie, in de eerste plaats nu van de man, maar vervolgens ook van de vrouw. Het kind moet centraal worden gezet. Er dient empathie te zijn voor moeilijkheden en problemen die het kind ervaart, eigen fouten dienen te worden erkend en er dient verantwoordelijk omgegaan te worden met boosheid en frustratie aan de zijde van de minderjarigen. Het kind dient serieus te worden genomen. Daar hoort ook actief ondernemen bij in de zin van het verbeteren van de situatie. Ten slotte dient het kind in zo’n situatie een goede steunfiguur te hebben. De rechtbank heeft tijdens de zitting geen ruimte ervaren om deze kwestie op een zodanige manier bespreekbaar te maken dat er een verandering in de posities zou gaan ontstaan. Dat betekent dat de rechtbank er dus voor heeft gekozen om via deze beschikking uit te dragen wat er aan de hand is, althans wat er aan de hand lijkt te zijn en wat mogelijk nog helend zou kunnen werken. Voor de man betekent dit dat hij zelf psychotherapeutische hulp zal moeten inschakelen en de voortgang en uitkomsten van dit traject zal hebben te delen met de vrouw. Voor de vrouw betekent dit dat zij zich openstelt voor veranderingen die op deze manier tot stand kunnen worden gebracht. Wanneer van beide zijden hierop akkoord wordt gegeven, kan de man zijn traject aangaan en kan vrouw de kinderen informeren over een gemeenschappelijk besluit van ouders dat zij willen verkennen of de posities zoals ze zijn geworden kunnen worden veranderd. 4.10. Voor de termijn die nu komt sluit de rechtbank zich aan bij advies en verzoek van de bijzondere curator van 27 mei 2026. Voor nu moet gekozen worden voor het welzijn van de minderjarigen en dat brengt met zich mee dat het noodzakelijk is de contactregeling voor onbepaalde tijd te schorsen. Die termijn wordt steeds begrensd zoals vanuit het Europese recht bekend is, door het recht van iedere ouder en ook het kind om na verloop van één jaar de zaak opnieuw aan de orde te stellen. 4.11. Uit praktische overwegingen kiest de rechtbank ervoor te beslissen op het verzoek van de bijzondere curator. Aan alle andere verzoeken zitten immers mitsen en maren die niet stroken met zoals de bijzondere curator dat naar voren heeft gebracht. 4.12. Vorengaande betekent dan ook dat de verzoeken van de ouders en ook het verzoek van de GI ter zake de contactregeling zullen worden afgewezen. Het verzoek van de bijzondere curator dient op grond van het bestaan van het gezamenlijke gezag te worden gelezen als een verzoek om de contactregeling voor onbepaalde tijd te schorsen. Dat zal worden toegewezen. 4.13. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. In de procedure met zaaknummer 448614 FA RK 26-2717 4.14. Zoals tijdens de zitting is medegedeeld aan partijen is het voor de rechtbank niet mogelijk om in de procedure met kenmerk FA RK 23-2718 het verzoek tot wijziging van het gezag onder te brengen of te heropenen, omdat de rechtbank daarop bij beschikking van 18 oktober 2024 een afwijzende beschikking heeft gegeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar het bepaalde in artikel 283 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.15. Ter zitting is medegedeeld dat de zaak een nieuw zaaksnummer krijgt en als afzonderlijke zaak ingeboekt wordt. Het nieuwe zaaksnummer betreft C/02/448614 FA RK 26-2717. Door partijen is tijdens de zitting ingestemd dat deze nieuwe zaak ook tijdens de zitting van 28 mei 2026 behandeld zou worden. 4.16. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. 4.17. Voor de rechtbank is aldus van belang dat sprake moet zijn van een wijziging van omstandigheden die rechtvaardigt dat dit verzoek nu ook inhoudelijk opnieuw kan worden beoordeeld en afgedaan. Die wijziging doet zich naar het oordeel van de rechtbank met name voor in het geval de ondertoezichtstelling zou eindigen; in dat geval zouden ouders geen anker meer hebben waar zij hun onderlinge geschillen in ieder geval kunnen neerleggen in de hoop dat er buiten rechte oplossingen komen. In het geval er geen ondertoezichtstelling meer zou lopen zullen de ouders in geval zij in belangrijke kwesties niet tot overeenstemming kunnen komen, steeds de gang naar de rechtbank moeten maken. Vanuit de man is naar voren gebracht dat zijn positie volledig zal worden uitgewist indien hem nu het gezag wordt ontnomen. De vrouw heeft naar voren gebracht dat vanuit de minderjarigen gezien niet langer gewacht kan worden met het doorbreken van de situatie dat ouders voortdurend in strijd met elkaar blijven over onderwerpen rond de minderjarigen. 4.18. Zoals later in deze beschikking wordt overwogen zal de ondertoezichtstelling voorlopig nog even doorlopen, de maatregel zal in ieder geval niet tussentijds worden opgeheven. Dat betekent dat de rechtbank bij ongewijzigde omstandigheden, waarvan thans sprake van is, het gezag op dit moment niet zal beëindigen. 4.19. De rechtbank vindt het nu te vroeg om het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag af te wijzen op grond van dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Een wijziging van omstandigheden kan immers ontstaan als toch op (korte) termijn de ondertoezichtstelling zal eindigen. Ook kan er zich in de komende periode een ontwikkeling voordoen waar op dit moment nog geen rekening mee is gehouden. De ouders waren verder beiden al in de veronderstelling dat het verzoek tot gezag in de reeds bestaande procedure zou kunnen worden behandeld. Beiden zijn er niet bij gebaat in een later stadium mogelijk weer een nieuwe procedure te moeten starten. De rechtbank wil zien of ouders bereid zijn te veranderen. De man wordt in dat kader geadviseerd contact op te nemen met de huisarts voor een verwijzing op het gebied van emotieregulatie en ouderschap naar [hulpverlening] in [woonplaats 1] . De rechtbank zal het verzoek van de vrouw aanhouden met het oog op het hetgeen in de komende periode in het kader van de ondertoezichtstelling naar voren zal komen. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich over de komende ontwikkelingentegen na te noemen pro forma datum over uit te laten. In de procedure met zaaknummer C/02/444523 JE RK 26-173 4.20. De GI stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar is gezien de ontwikkelingen van de afgelopen periode ten aanzien van de zorgregeling en de hulpverlening. De vrouw is het eens met het verzoek van de GI. De man daarentegen vindt dat er wel een ondertoezichtstelling nodig is. De Raad ziet nog een rol voor de GI weggelegd; er is onvoldoende voor de minderjarigen ingezet. 4.21. Uit hetgeen de rechtbank met betrekking tot de zorgregeling hiervoor heeft overwogen, vallen twee dingen af te leiden. Ten eerste is in de afgelopen periode onvoldoende duidelijk geworden wat er precies speelt in de gezinssituaties van de man en de vrouw. De rechtbank heeft als voorlopige conclusie gemeend vast te kunnen stellen dat er aan de zijde van de man sprake is van onvoldoende veiligheid. Ten tweede; op basis van de voorlopige conclusie van de rechtbank heeft de man het advies gekregen psychotherapie in te gaan zetten en de vrouw is geadviseerd openheid te tonen ten opzichte van hetgeen de man daarin gaat delen. Wanneer de ouders deze adviezen ter harte nemen, ligt er een heldere en duidelijke taak voor de GI, te weten het inzetten van IGB in beide gezinssituaties, met als doel om na verloop van tijd aan de rechtbank te rapporteren over de opvoedsituatie aan de zijde van de vrouw en de mogelijk veranderende opvoedsituatie aan de zijde van de man. Bij gelegenheid van een voortgangs-/afloopmoment van de ondertoezichtstelling kunnen die resultaten worden ingebracht en kan aan de hand daarvan worden vastgesteld wat de situatie voor de minderjarigen en de ouders betekent. Het is aan beide ouders en de GI om zich strikt aan de adviezen en richtlijnen die de rechtbank hier nu geeft te houden, zonder verdere discussie hierover. Ten aanzien van het gezag zal dan ook duidelijk zijn geworden of er nog een basis ontstaat dit gezamenlijk voort te zetten dan wel dat het gezag eenhoofdig aan de moeder dient te worden opgedragen. 4.22. De rechtbank ziet geen meerwaarde in vervanging van de GI. Het is aan deze GI in te gaan zetten op de door de rechtbank bepaalde route. 4.23. De rechtbank zal de verzoeken van de GI dan ook afwijzen. 4.24. De kinderrechter heeft tijdens de kindgesprekken met beide minderjarigen afgesproken dat zij een brief zullen ontvangen met de beslissing, omdat zij dit graag wilden. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief sturen, waarvan de inhoud is: Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , Op 28 mei 2025 hebben wij met elkaar gesproken. Ik heb goed geluisterd naar wat jullie mij hebben verteld. Na de gesprekken met jullie heb ik ook met jullie ouders, de GI, de Raad voor de kinderbescherming en de bijzondere curator gesproken. Na alle gesprekken en het lezen van de stukken weet ik wat iedereen van de situatie vindt. Ik ben het met de bijzondere curator eens dat het voor jullie nu even beter is om geen verplichting te hebben om contact te hebben met jullie vader. Daarom ‘schors’ ik voor nu de zorgregeling. Ik denk wel dat de situatie te verbeteren is. Ik vind het daarom belangrijk dat jullie ouders hieraan gaan werken en dat er hulpverlening wordt ingezet. Ook vind ik het belangrijk dat er meer duidelijkheid komt over wat er allemaal speelt in de situaties bij zowel jullie moeder als jullie vader. Ik heb de GI opdrachten meegegeven waar zij aan zullen moeten gaan werken. De GI zal de komende tijd dan ook betrokken blijven. Het kan zijn dat jullie uiteindelijk weer contact zullen hebben met jullie vader, wanneer het beter gaat. De GI houdt dit in de gaten. Met vriendelijke groet, de kinderrechter 5 De beslissing De rechtbank In de procedures met zaaknummers C/02/410501 FA RK 23-2718 en 445446 JE RK 26-333 5.1. schorst de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2017 zoals opgenomen in de beschikking van deze rechtbank d.d. 18 oktober 2024 en bepaalt dat de minderjarigen en de man recht hebben op contact met elkaar, indien dat, onder de regie van de hulpverlening, op een voor de minderjarigen onbelaste manier kan gebeuren; 5.2. wijzigt de beschikking van deze rechtbank d.d. 18 oktober 2024 en bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van de datum van deze beschikking nader wordt vastgesteld op € 356,48 per maand per kind (indexering toegepast), voor de toekomst bij vooruitbetaling door de man aan de vrouw te voldoen; 5.3. beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator, de heer mr. J. Nederlof, voor deze procedure als beëindigd; 5.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.5. wijst het meer of anders verzochte af; In de procedure met zaaknummer 448614 FA RK 26-2717 5.6. houdt de behandeling van deze zaak aan tot 29 september 2026 pro forma, met verwijzing naar rechtsoverweging 4.18 en 4.21: de GI en advocaten van ouders worden verzocht zich vóór 29 september 2026 uit te laten over de stand van zaken van dat moment; In de procedure met zaaknummer C/02/444523 JE RK 26-173 5.7. wijst de verzoeken van de GI af. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: [persoon 3] , & [persoon 4] , 2024. Als contact niet vanzelfsprekend is na scheiding , Verwey Jonker Instituut In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.