Rechtbank Limburg, 28-07-2026 (12283817 \ CV EXPL 26-3324)
Huurrecht. vordering in conventie en in reconventie exclusieve gebruik van het gehuurde. Na afweging van de wederzijdse belangen, het belang van gedaagde weegt, zwaarder, de reconventionele vordering toegewezen en uitschrijving van eiseres in de brp.
Full text
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12283817 \ CV EXPL 26-3324 Vonnis in kort geding van 28 juli 2026 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten, tegen [gedaagde partij] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. A.P.J. Hendriks. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 10, - de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 12, - de mondelinge behandeling van 14 juli 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 Waar gaat deze zaak over? 2.1. Tussen partijen is in geschil wie in de woning aan het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , (hierna: het gehuurde) mag wonen. Partijen hebben een relatie gehad en zijn beiden hoofdhuurders van het gehuurde. De relatie tussen partijen is eind september 2025 beëindigd. De verstandhouding tussen hen is dusdanig gespannen dat zij niet langer tegelijk gebruik kunnen maken van het gehuurde. Sindsdien verblijft [gedaagde partij] alleen met zijn [hond] in het gehuurde. Echter wil [eisende partij] als medehuurder het gebruik van het gehuurde verkrijgen. Eerder heeft [eisende partij] hierover eveneens een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt, waarin [gedaagde partij] in reconventie vorderde te bepalen dat hij, bij uitsluiting van [eisende partij] , gerechtigd was tot het gebruik van het gehuurde. Bij vonnis van de kantonrechter van 23 maart 2026 zijn zowel de vorderingen in conventie als in reconventie afgewezen. [eisende partij] heeft thans opnieuw een kort geding aanhangig gemaakt. In deze procedure ligt opnieuw de vraag voor aan wie het voorlopige gebruik van het gehuurde dient te komen. 3 De feiten 3.1. [eisende partij] en [gedaagde partij] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [gedaagde partij] woonde bij de start van de relatie in [plaats] . [eisende partij] is op enig moment bij [gedaagde partij] ingetrokken. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn op enig moment op zoek gegaan naar een andere woning. 3.2. [eisende partij] heeft twee minderjarige kinderen. Een daarvan, [dochter] , is op 27 september 2024 onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Limburg en uithuisgeplaatst. [dochter] woont sindsdien bij haar vader. 3.3. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn in maart 2025 verhuisd naar een huurwoning in [woonplaats] . Zij huren beiden sinds 13 maart 2025 samen de woning aan het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] (hierna: het gehuurde) van [woningstichting] . De huurovereenkomst is door beide partijen voor onbepaalde tijd aangegaan. De huurprijs bedroeg tot en met juni 2026 € 754,00 per maand, is in juli 2026 geïndexeerd, en wordt door [gedaagde partij] betaald. 3.4. De relatie tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is in september 2025 beëindigd. 3.5. [eisende partij] heeft de woning verlaten en is bij haar ouders ingetrokken. De vader van [eisende partij] is in oktober 2025 overleden. [gedaagde partij] woont in de woning in [woonplaats] . 3.6. [eisende partij] heeft eerder een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt om het voorlopig gebruik van het gehuurde te verkrijgen. In die procedure heeft [gedaagde partij] in reconventie gevorderd te bepalen dat hij, bij uitsluiting van [eisende partij] , gerechtigd was tot het gebruik van het gehuurde. Bij vonnis van de kantonrechter van 23 maart 2026 zijn zowel de vorderingen in conventie als in reconventie afgewezen. 3.7. Bij brief van 29 mei 2026 heeft Bureau Jeugdzorg besloten de ondertoezichtstelling van [dochter] te verlengen, maar gelet op de toenmalige omstandigheden en ontwikkelingen geen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. 3.8. [dochter] verblijft in een chalet op [vakantiepark] , dat door haar vader wordt gehuurd. Doordeweeks verblijft [eisende partij] daar met de kinderen, waaronder ook haar zoon. In de weekenden verblijven de vader en de kinderen in het chalet. [eisende partij] verblijft op dat moment bij haar moeder. 4 Het geschil In conventie 4.1. [eisende partij] vordert, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, I. Te bepalen dat zij voorlopig, vanaf de datum gelegen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [gedaagde partij] , met uitsluiting van [gedaagde partij] , gerechtigd is tot het gebruik van het gehuurde staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] aan [adres] en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel aan [gedaagde partij] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat hij zich daar niet aan houdt – het gehuurde te verlaten en niet meer te betreden en [gedaagde partij] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde betreffende de aan hem toekomende goederen; II. [gedaagde partij] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat hij zich daar niet aan houdt – te gelasten zich uit te schrijven van het adres van het gehuurde in de basisregistratie persoonsgegevens binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [gedaagde partij] ; III. [gedaagde partij] voor zoveel mogelijk – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat hij zich daar niet aan houdt – te gelasten om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [gedaagde partij] , dan wel binnen een nader te bepalen termijn, medewerking te verlenen aan het wijzigen c.q. op naam van [eisende partij] stellen van de huurovereenkomst alsmede te bepalen dat het te wijzen vonnis de medewerking van [gedaagde partij] zo nodig vervangt indien hij daartoe zelf niet tijdig zijn medewerking verleent; IV. Voor zoveel mogelijk te bepalen dat, indien de woningcorporatie niet direct medewerking zou willen dan wel kunnen verlenen aan het wijzigen van de huurovereenkomst in die zin dat deze uitsluitend op naam van [eisende partij] wordt gesteld, aan [eisende partij] een termijn van twee maanden, dan wel enige andere redelijke termijn, te stellen waarbinnen zij alsnog de gelegenheid krijgt om aan de vereisten voor overname c.q. behoud van het huurcontract te voldoen; V. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.2. [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. In reconventie 4.3. [gedaagde partij] vordert in reconventie, uitvoerbaar bij voorraad, I. Te bepalen dat hij voorlopig, vanaf de datum gelegen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eisende partij] , met uitsluiting van [eisende partij] , gerechtigd is tot het gebruik van het gehuurde staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] aan [adres] en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel aan [eisende partij] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat zij zich daar niet aan houdt – het gehuurde te verlaten en niet meer te betreden en [eisende partij] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde betreffende de aan haar toekomende goederen; II. [eisende partij] – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat hij zich daar niet aan houdt – te gelasten zich uit te schrijven van het adres van het gehuurde in de basisregistratie persoonsgegevens binnen één week na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eisende partij] ; III. [eisende partij] voor zoveel mogelijk – op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of deel daarvan dat zij zich daar niet aan houdt – te gelasten om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eisende partij] , dan wel binnen een nader te bepalen termijn, medewerking te verlenen aan het wijzigen c.q. op naam van [gedaagde partij] stellen van de huurovereenkomst alsmede te bepalen dat het te wijzen vonnis de medewerking van [eisende partij] zo nodig vervangt indien zij daartoe zelf niet tijdig haar medewerking verleent; IV. Voor zoveel mogelijk te bepalen dat, indien de woningcorporatie niet direct medewerking zou willen dan wel kunnen verlenen aan het wijzigen van de huurovereenkomst in die zin dat deze uitsluitend op naam van [gedaagde partij] wordt gesteld, aan [gedaagde partij] een termijn van twee maanden, dan wel enige andere redelijke termijn, te stellen waarbinnen hij alsnog de gelegenheid krijgt om aan de vereisten voor overname c.q. behoud van het huurcontract te voldoen; V. [eisende partij] te veroordelen in de kosten van deze procedure. 4.4. Het verweer van [eisende partij] tegen de vordering in reconventie ligt besloten in de onderbouwing van haar vorderingen in conventie. 4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling In conventie en in reconventie 5.1. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, worden deze gezamenlijk besproken en beoordeeld. 5.2. Partijen zijn contractuele medehuurders van het gehuurde. Zij zijn het er over eens dat zij niet meer samen in het gehuurde kunnen wonen. In dat kader vorderen beiden voor zichzelf het exclusieve gebruik van het gehuurde. 5.3. Vaststaat dat partijen beiden hoofdhuurder zijn van het gehuurde en dat zij na het einde van hun relatie niet langer in staat zijn het gehuurde gezamenlijk te bewonen. Beide partijen hebben een zwaarwegend en gelijkwaardig belang bij het beschikken over een dak boven hun hoofd. De kantonrechter zal daarom de wederzijdse belangen afwegen om te beoordelen aan wie het exclusieve gebruik van het gehuurde dient toe te komen. Uit het hiernavolgende blijkt dat het belang van [gedaagde partij] bij voortgezet exclusief gebruik van het gehuurde zwaarder weegt dan het belang van [eisende partij] . De belangen van [gedaagde partij] wegen in dit kort geding zwaarder 5.4. Naast de hiervoor weergegeven belangen die voor beide partijen gelijk zijn, heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat zijn belang bij voortgezet gebruik van het gehuurde met name is gelegen in zijn medische situatie. [gedaagde partij] heeft een verklaring van een medisch specialist van het [ziekenhuis] overgelegd. Daaruit blijkt dat hij vanwege zijn medische beperkingen te allen tijde moet kunnen beschikken over directe en onbelemmerde toegang tot adequate sanitaire voorzieningen. Volgens de medisch specialist is deze beperking van blijvende aard. 5.5. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde partij] vanwege zijn hond niet voor iedere vervangende woonruimte in aanmerking komt. Veel verhuurders staan het houden van huisdieren niet toe. 5.6. [gedaagde partij] heeft verder aangevoerd dat hij zich actief heeft ingespannen om alternatieve woonruimte te verkrijgen door een aanvraag voor een (medische) urgentieverklaring in te dienen en door zijn netwerk in te schakelen. Dat laatste heeft ertoe geleid dat twee huurwoningen aan hem zijn voorgesteld. Beide woningen kwamen echter voor [gedaagde partij] niet in aanmerking, omdat geen honden waren toegestaan. [gedaagde partij] stelt dat hij de woningen daarom aan [eisende partij] heeft voorgelegd, zodat zij ze kon huren. [eisende partij] betwist dat de tweede woning aan haar is voorgelegd. De eerste woning (een woning in het centrum van [plaats] ) kwam voor haar niet in aanmerking, vanwege haar verleden in [plaats] . Afgezien van het feit dat de aangeboden woningen kennelijk niet tot een oplossing voor partijen hebben geleid, staat wel vast dat [gedaagde partij] inspanningen heeft geleverd om naar alternatieven te zoeken. 5.7. Aan de zijde van [gedaagde partij] weegt voorts mee dat niet is gebleken van actuele betalingsachterstanden of schulden. Vaststaat dat hij de huur van het gehuurde steeds heeft voldaan, ook na het vertrek van [eisende partij] . Dat hij de huur voldoet uit een bijstandsuitkering, ongeacht of deze uitsluitend aan hem dan wel aan partijen gezamenlijk toekomt, doet daaraan niet af. Voorshands is voldoende aannemelijk dat [gedaagde partij] ook in de toekomst aan zijn huurverplichtingen kan blijven voldoen, zelfs als de uitkering verlaagd wordt tot een uitkering voor een alleenstaande. 5.8. [eisende partij] heeft aangevoerd dat het in het belang van haar kinderen is dat zij de beschikking krijgt over het gehuurde. De kantonrechter acht dat belang zeer begrijpelijk. Uit de stukken blijkt echter dat de kinderen thans beschikken over onderdak. Zij verblijven op [vakantiepark] in een door hun vader gehuurd chalet, waar [eisende partij] doordeweeks eveneens met de kinderen verblijft. Hoewel dit een tijdelijke oplossing betreft, heeft Bureau Jeugdzorg bij brief van 29 mei 2026 besloten de ondertoezichtstelling van [dochter] wel te verlengen, maar geen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. Hieruit leidt de kantonrechter af dat Bureau Jeugdzorg de huidige verblijfssituatie van de kinderen op dit moment voldoende verantwoord acht. Daarbij weegt mee dat de kinderen niet eerder in het gehuurde van partijen hebben gewoond. Dat juist deze woning noodzakelijk is voor het welzijn van de kinderen, is daarom onvoldoende aannemelijk geworden. 5.9. Verder overweegt de kantonrechter dat [eisende partij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zonder het gehuurde op straat komt te staan. Vaststaat dat zij in de weekenden, wanneer de vader met de kinderen in het chalet verblijft, bij haar moeder verblijft. [eisende partij] beschikt daarmee, naast haar verblijf in het chalet door de week, over tijdelijke alternatieve opvang. Daar komt bij dat, anders dan [gedaagde partij] , [eisende partij] niet (of in ieder geval onvoldoende) heeft kunnen onderbouwen dat zij concrete inspanningen heeft verricht om een andere woning te vinden. 5.10. Tot slot is gebleken dat [eisende partij] (forse) schulden heeft. Voor die schulden is beslag gelegd op de (gezamenlijke) uitkering van partijen. Als partijen ieder een eigen uitkering zouden hebben, zou dat beslag waarschijnlijk op de uitkering van [eisende partij] worden gelegd. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eisende partij] de huur van het gehuurde duurzaam zal kunnen (blijven) voldoen. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat zij in aanmerking zou komen voor toeslagen, maar dit zijn onzekere toekomstige inkomsten waarmee de kantonrechter op dit moment geen rekening kan houden. Spoedeisend belang 5.11. De vraag of een partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Het spoedeisend belang is dus niet een op zichzelf staand vereiste. Een afweging van de belangen van beide partijen zal moeten uitwijzen of de belangen bij een voorlopige voorziening verhoudingsgewijs voldoende spoedeisend zijn. 5.12. Partijen zijn beiden hoofdhuurder van het gehuurde en maken beiden aanspraak op het exclusieve gebruik daarvan, terwijl vaststaat dat zij vanwege het einde van hun relatie niet langer in staat zijn het gehuurde gezamenlijk te bewonen. Zolang geen voorlopige voorziening wordt getroffen, blijft onduidelijk aan wie het gebruik van het gehuurde toekomt, hetgeen voor beide partijen een onwenselijke en onhoudbare situatie oplevert. Gelet op de hiervoor gemaakte belangenafweging kan van partijen redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij langer in onzekerheid blijven. Een onmiddellijke voorlopige voorziening is daarom aangewezen om partijen, al is het tijdelijk, duidelijkheid te bieden. Conclusie 5.13. Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat het belang van [gedaagde partij] bij voortgezet exclusief gebruik van het gehuurde zwaarder weegt dan het belang van [eisende partij] . Daarbij heeft de kantonrechter in het bijzonder gewicht toegekend aan de medische situatie van [gedaagde partij] , zijn aantoonbare inspanningen om vervangende woonruimte te verkrijgen en het feit dat hij de huur steeds heeft voldaan en er geen reden is om aan te nemen dat in de toekomst de huur niet voldaan zou kunnen worden. Daartegenover heeft [eisende partij] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar belang, mede gelet op de huidige verblijfssituatie van de kinderen en haar eigen woon- en financiële situatie, zwaarder dient te wegen. De vordering van [eisende partij] zal daarom worden afgewezen. De reconventionele vordering van [gedaagde partij] zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen 5.14. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] geen belang bij toewijzing van de gevorderde dwangsom nu hij op grond van de wet (artikel 557 juncto 444 Rv) met behulp van de deurwaarder de (gedeeltelijke) ontruiming van het gehuurde kan bewerkstelligen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht. De vordering tot uitschrijving van [eisende partij] in de basisregistratie persoonsgegevens 5.15. [gedaagde partij] vordert voorts dat [eisende partij] wordt veroordeeld zich binnen één week na betekening van dit vonnis uit te schrijven van het adres van het gehuurde in de basisregistratie personen, op straffe van een dwangsom. 5.16. Nu de kantonrechter heeft geoordeeld dat het voorlopige exclusieve gebruik van het gehuurde aan [gedaagde partij] toekomt, heeft [eisende partij] haar hoofdverblijfplaats (in ieder geval voorlopig) niet meer in het gehuurde, zodat zij zich in beginsel dient uit te schrijven uit de basisregistratie personen op het adres van het gehuurde. 5.17. Voor zover [eisende partij] heeft aangevoerd dat uitschrijving uit de basisregistratie personen nadelig zou kunnen zijn voor haar positie in een eventuele bodemprocedure, volgt de kantonrechter haar daarin niet. De inschrijving in de basisregistratie personen is niet bepalend voor de beantwoording van de vraag aan wie het exclusieve gebruik van het gehuurde toekomt in een eventuele bodemprocedure. Bovendien zou de uitschrijving nu min of meer gedwongen volgen op grond van deze procedure, zodat de kantonrechter uitgesloten acht dat dit in een bodemprocedure nadelig zou meewegen. De vordering wordt daarom toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom wel wordt gemaximeerd en dat de termijn voor uitschrijving wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis. Dit laatste in verband met de eventuele verwerkingstijd bij de gemeente. De vordering tot medewerking verlenen aan het wijzigen c.q. op naam van [gedaagde partij] stellen van de huurovereenkomst 5.18. [gedaagde partij] vordert ook dat [eisende partij] wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het op naam van [gedaagde partij] stellen van de huurovereenkomst, dan wel dat dit vonnis haar medewerking vervangt, een en ander op straffe van een dwangsom. Deze vordering strekt tot een definitieve wijziging van de rechtsverhouding tussen partijen en de verhuurder. Voor een dergelijke voorziening is in dit kort geding geen plaats. Een beoordeling daarvan dient plaats te vinden in een bodemprocedure. De vordering zal daarom, evenals de daaraan verbonden gevorderde dwangsom, worden afgewezen. 5.19. Nu de vordering tot wijziging van de huurovereenkomst wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding de onder IV van de conclusie van antwoord in reconventie gevorderde voorziening toe te wijzen. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen. Proceskosten 5.20. [eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Hoewel partijen een relatie hebben gehad, ziet de kantonrechter geen aanleiding de proceskosten te compenseren. Daarbij is van belang dat tussen partijen reeds eerder een kortgedingprocedure over hetzelfde geschil heeft plaatsgevonden, waarin de vorderingen over en weer zijn afgewezen. [eisende partij] heeft vervolgens opnieuw een kort geding aanhangig gemaakt over hetzelfde geschil. Onder deze omstandigheden bestaat onvoldoende aanleiding de proceskosten opnieuw te compenseren. Omdat [gedaagde partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging en daarom ambtshandelingen van de gerechtsdeurwaarder niet aan [gedaagde partij] in rekening worden gebracht, zal [eisende partij] niet worden veroordeeld tot betaling van de eventuele betekeningskosten na dit vonnis. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 Totaal € 1.009,00 6 De beslissing De kantonrechter In conventie 6.1. wijst de vorderingen van [eisende partij] af, In reconventie 6.2. bepaalt dat [gedaagde partij] voorlopig, vanaf één week na betekening van dit vonnis, met uitsluiting van [eisende partij] , gerechtigd is tot het gebruik van het gehuurde aan het adres [adres] te [postcode] [woonplaats] met de zich daarin bevindende inboedel en veroordeelt [eisende partij] het gehuurde met de aan haar toekomende goederen te verlaten binnen de genoemde termijn van één week na betekening, 6.3. veroordeelt [eisende partij] om zich uit te schrijven aan het adres van het gehuurde in de basisregistratie persoonsgegevens, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, 6.4. veroordeelt [eisende partij] om aan [gedaagde partij] een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag, of deel daarvan, dat zij niet aan de in 6.3 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt, 6.5. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 6.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.7. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026. Productie 10 bij conclusie van antwoord Hoge Raad 29 november 2002, NJ 2003/78 (https://www.inview.nl/document/id157620021129c01310hrnj200378dosred) .