# Rechtbank Den Haag, 19-08-2026 (NL25.64233.)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:23403
- Date: 2026-08-19
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A23403
- Canonical: https://overview.legal/posts/353571

## Summary

spoedvovo, verbod op lp-aanvraag hangende asielprocedure

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.64233 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], geboren op [geboortedag] 1993, van Pakistaanse nationaliteit, verzoeker (gemachtigde: [gemachtigde]) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Weerman) Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij om een voorlopige voorziening verzocht, die ertoe strekt de minister te verbieden dat bij de Pakistaanse autoriteiten een aanvraag voor een laissez-passer wordt ingediend ten aanzien van verzoeker. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:81 van de Awb gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoeker heeft de Pakistaanse nationaliteit en behoort tot de Baloetsji-bevolkingsgroep. Hij heeft op 26 september 2022 een asielaanvraag ingediend. In deze asielprocedure heeft verzoeker onder meer naar voren gebracht dat hij activiteiten voor de Baloetsji-gemeenschap heeft verricht, zoals het verifiëren van vermiste personen en het doneren en collecteren van geld voor de families van vermiste personen. Verzoeker stelt dat hij en zijn familieleden door deze activiteiten problemen hebben ondervonden met de Pakistaanse autoriteiten. 2.1. In het bestreden besluit heeft de minister de activiteiten van verzoeker voor de Baloetsji-gemeenschap en de daaruit ontstane problemen voor verzoeker ongeloofwaardig bevonden en zijn asielaanvraag als ongegrond afgewezen. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verzoeker heeft op 7 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met de DT&amp;V . In dit gesprek heeft een regievoerder van DT&amp;V aangegeven dat zij met verzoeker een formulier wil invullen voor het indienen van een laissez passer-aanvraag (hierna: de lp-aanvraag) bij de Pakistaanse autoriteiten. Een laissez passer is een eenmalig te gebruiken reisdocument waarmee een vreemdeling kan terugreizen naar zijn (vermoedelijke) land van herkomst. Tijdens dit gesprek heeft verzoeker geweigerd het formulier van de lp-aanvraag in te vullen. De regievoerder heeft hierop aangegeven dat de DT&amp;V dit formulier ambtshalve zal invullen. 2.3. Bij e-mail van 11 augustus 2026 heeft de regievoerder aan verzoeker laten weten dat de DT&amp;V het lp-formulier ambtshalve heeft ingevuld en ondertekend en dat op 19 augustus 2026 een aanvraag zal worden ingediend bij de Pakistaanse autoriteiten. Het verzoek om een voorlopige voorziening 3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 17 augustus 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de minister te verbieden om de lp-aanvraag bij de Pakistaanse autoriteiten te verbieden. Verzoeker legt aan dit verzoek ten grondslag dat hij een activist is die zich inzet voor de onafhankelijkheid van Balochistan en dat de Pakistaanse overheid hiertegen wreed optreedt. Verzoeker stelt dat – voor zover bij de Pakistaanse autoriteiten nog niet duidelijk is dat hij in Nederland zit – dit met de lp-aanvraag duidelijk zal worden. Hij zal daarmee niet alleen zelf een verhoogd risico lopen, maar ook zijn gezinsleden zullen hierdoor gevaar lopen. Spoedeisend belang 4. De voorzieningenrechter is anders dan de minister van oordeel dat verzoeker in dit geval een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek, omdat de lp-aanvraag gepland staat op 19 augustus 2026. Dat er volgens de minister geen sprake is van een dreigende uitzetting, maakt niet dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het verzoek ziet immers niet op het voorkomen van uitzetting naar Pakistan, maar op het verbieden van het indienen van de lp-aanvraag bij de Pakistaanse autoriteiten. Nu deze lp-aanvraag volgens DT&amp;V op zeer korte termijn zal worden ingediend, is het spoedeisend belang bij dit verzoek gegeven. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook inhoudelijk beoordelen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 5. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 november 2025 geoordeeld dat het de minister in beginsel is toegestaan om hangende het beroep tegen een afwijzende asielaanvraag in het kader van een lp-aanvraag de persoonsgegevens aan de autoriteiten van het (vermoedelijke) land van herkomst te verstrekken om hen in staat te stellen de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vast te stellen. Voorwaarde daarbij is wel dat de minister zorgvuldig te werk gaat en de vreemdeling en zijn gemachtigde hangende het beroep zoveel mogelijk betrekt in de lp-procedure. De minister dient de vreemdeling altijd eerst in de gelegenheid te stellen om de lp-aanvraag samen in te vullen, te ondertekenen en te controleren. Hiermee kan worden gewaarborgd dat de minister geen persoonsgegevens verstrekt die asielgerelateerd zijn of anderszins een schadelijke strekking hebben. Om het beginsel van non-refoulement ten volle te kunnen waarborgen, moet de vreemdeling eventuele bezwaren tegen het indienen van een lp-aanvraag kenbaar kunnen maken bij de minister. De in de lp-aanvraag genoemde persoonsgegevens kunnen namelijk in bepaalde gevallen op zichzelf al een asielgerelateerde of anderszins schadelijke strekking hebben. 6. Uit het voorgaande volgt dat de minister hangende het beroep tegen een afwijzende asielbeschikking een lp-aanvraag mag indienen bij de autoriteiten van het land van herkomst, tenzij de te verstrekken persoonsgegevens asielgerelateerd zijn of anderszins een voor de vreemdeling schadelijke verstrekking kunnen hebben. 7. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de door DT&amp;V ambtshalve ingevulde lp-aanvraag de volledige naam van verzoeker, zijn geboortedatum en zijn geslacht worden vermeld. Ook wordt op het formulier vermeld dat verzoeker gehuwd is en worden de naam van zijn echtgenote en de naam van zijn kind genoemd. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de verstrekking van deze gegevens voor verzoeker een schadelijke strekking kunnen hebben. Verzoeker heeft tijdens het vertrekgesprek van 7 augustus 2026 verklaard dat wanneer er contact wordt opgenomen met de Pakistaanse autoriteiten, zij zijn familieleden kunnen traceren en zijn familie daardoor gevaar zal lopen. Daarnaast heeft hij gewezen op het algemeen ambtsbericht van 2024 over Pakistan, waarin staat dat naaste familieleden van (vermeende) Baloch separatisten het slachtoffer kunnen worden van arrestatie of gedwongen verdwijning en dat familiehuizen in het midden van de nacht worden binnengevallen of in brand worden gestoken als vorm van collectieve bestraffing voor (vermeend) separatisme. Verzoeker heeft verder tijdens het nader gehoor verklaard dat hij toen hij in 2022 naar Pakistan op vakantie ging door de Pakistaanse autoriteiten is ondervraagd. Daarbij zijn vragen gesteld over welke familieleden er in Pakistan wonen en wat hij in de Verenigde Arabische Emiraten doet. Verzoeker heeft in dit gehoor ook verklaard dat hij in Pakistan door twee personen in een auto is geduwd en vervolgens is bedreigd en mishandeld. Voorts heeft verzoeker verklaard dat zijn ouders bij een inval zijn geslagen en mishandeld en dat zijn familie is bedreigd. In 2023 is er volgens verzoeker ook een inval geweest waarbij twee broers van zijn vrouw zijn meegenomen en pas later weer zijn vrijgelaten. 8. Gelet op de door verzoeker gestelde problemen met de Pakistaanse autoriteiten en de door verzoeker gestelde vrees van hemzelf en zijn familieleden voor de Pakistaanse autoriteiten, kan in dit stadium van de asielprocedure niet worden uitgesloten dat de verstrekking van de persoonsgegevens van verzoeker aan die autoriteiten een schadelijke strekking hebben voor verzoeker en/of zijn in Pakistan bevindende familieleden. Ook kan niet worden uitgesloten dat dit in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Het feit dat de minister de door verzoeker gestelde activiteiten voor de Baloetsji-gemeenschap en de daaruit ontstane problemen ongeloofwaardig heeft geacht, is onvoldoende voor een ander oordeel. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het belang van verzoeker bij het verbieden van het indienen van de lp-aanvraag in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de minister bij een doeltreffend en voortvarend verwijderings- en terugkeerbeleid. Conclusie en gevolgen 9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in de zin dat het de minister wordt verboden een lp-aanvraag in te dienen bij de Pakistaanse autoriteiten totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. 10. De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 934,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - treft de voorlopige voorziening dat verweerder geen lp-aanvraag voor verzoeker mag indienen bij de Pakistaanse autoriteiten totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist; - veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer: NL25.54440. Algemene wet bestuursrecht. Dienst Terugkeer en Vertrek. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:5548. Zie pagina 57 van het algemeen ambtsbericht Pakistan, 5 juli 2024.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353571 · 2026-08-27
