Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (13-079445-26)
Executie-EAB uit Polen. Uit het EAB en de aanvullende informatie kan niet worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW in alle 6 aan het verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen heeft kunnen uitoefenen. Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. In een geval als het onderhavige moet de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd, omdat in die zaken onder meer over de schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten is geoordeeld, als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid, omdat in die zaak over de verzamelstraf is geoordeeld. De beslistermijn laat geen ruimte voor het (nogmaals) aanhouden van de behandeling van de zaak om het antwoord op de reeds gestelde vragen af te wachten. Overlevering weigeren.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-079445-26 (EAB II) Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 februari 2026 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 23 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 23 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaken tegen de opgeëiste persoon (EAB I, met parketnummer 13-099151-26 en het onderhavige EAB II) aangehouden om de antwoorden op de door het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) op 3 juli 2026 gestelde vragen met betrekking tot de mogelijke overlap van de feiten genoemd in EAB I en EAB II, alsmede de vragen over de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 Overleveringswet (OLW) in EAB II af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. De zitting van 13 augustus 2026 De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een verzamelvonnis, namelijk een cumulative judgement van the District Court for Warszawa-Sródmiescie in Warsaw van 24 november 2023 met kenmerk VK 492/23, waaraan de volgende vonnissen ten grondslag liggen: 1. een vonnis van the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw van 15 februari 2012 met kenmerk IV K 77/09; 2. een vonnis van the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw van 14 november 2012 met kenmerk TIT K 207/06; 3. een vonnis van the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw van 11 september 2013 met kenmerk TI K 47/13; 4. een vonnis van the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw van 31 maart 2014 met kenmerk II K 805/11; 5. een vonnis van the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw van 5 juni 2017 met kenmerk IV K 1459/11; en 6. een vonnis van the District Court for Warszawa-Sródmieócie in Warsaw van 3 februari 2022 met kenmerk X K 564/17. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde cumulatieve vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van de straf resteren nog drie jaar, een maand en 29 dagen. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals deze zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding In het EAB staat onder D vermeld No, the person concerned was not present at the trial, when the judgement was issued. waarbij is aangekruist: b. the person concerned was not summoned in person but by any other mode he was officially notified upon the date, time and place of the trial when a judgement was supposed to be issued and he acknowledged the scheduled trial and he was clearly instructed that the judgement would be issued if he failed to appear at the trial. met daarbij als toelichting: The notification about the trial date was sent at the address provided by the convict when leaving the prison. Despite being notified twice, the convict failed to make the receipt of the correspondence delivered at the address he had provided. Therefore, the trial was conducted in the absence of the accused. Op 3 juli 2026 zijn door het IRC de volgende vragen gesteld. “ Possible overlap between the EAWs I have noticed that the three offences of EAW V Kop 107/25 are also part of the offences in EAW VIII Kop 235/25 (offences 9, 11 and 13). 1. Could you please clarify how the EAWs relate to each other? Section D of the EAW VIII Kop 235/25 With regard to the cumulative judgement of the District Court for Warszawa-Srodmiescie in Warsaw of 24.11.2023 ref. no. V K 492/23. 2. Could you please confirm that section D of the EAW VIII Kop 235/25 refers to this cumulative judgement? 3. Who requested the cumulative judgement? 4. In section D it is stated that the notification of the trial date was sent at the address provided by the convict when leaving the prison. Was [opgeëiste persoon] when he left prison, instructed about the duty to inform the Polish authorities about address changes and of the consequences of not complying with this obligation? Were these instructions applicable to the criminal proceedings as a whole, including a possible cumulative judgement? Section D for the underlying judgements In light of the judgement of the Court of Justice of the EU in case C-271/17 PPU (Zdziaszek) I kindly request that you fill in and return the model form of section D) (included as an annex to this email), separately for the following procedures: I. the District Court for Warszawa-Wola in Warsaw of 15.02.2012 ref. no. IV K 77/09; II. the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw of 14.11.2012 ref. no. III K 207/06.* III. the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw of 11.09.2013 ref. no. III K 47/13.* IV. the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw of 31.03.2014 ref. no. III K805/11. V. the District Court for Warszawa-Praga Poludnie in Warsaw of 05.06.2017 ref. no. IV K1459/11.* VI. the District Court for Warszawa-Srodmiescie in Warsaw of 03.02.2022 with ref. X K564/17.* *According to section B of the EAW, four of the above mentioned judgements (namely, the judgement III K 207/06, III K 47/13, III K 1459/11 and X K 564/17) became enforceable several months after these judgements were pronounced. Could you, when filling in section D as requested above, also inform us about the following: - What is the reason that these judgements became final several months later? Have there been appeal procedures with regard to these judgements? - And in case there have been an appeal procedures, could you please fill in and return the model form of section D with regard to the appeal procedure(s), as requested above? Please include the reference number of the judgement(s) in appeal on the model forms of section D. I would also like to kindly ask you, in case the requested person in the underlying procedures, did not appear in person at the trial, was not summoned in person (personally in his hands), and did not give a mandate to a lawyer who actually represented him at trial, please also provide us with information regarding the address instruction as well: - Did [opgeëiste persoon] provide the Polish authorities with his address during the proceedings in the criminal cases and have the summons for the court hearing(s) been sent to the address provided in that case? - Did [opgeëiste persoon], during the proceedings in the criminal cases, receive instructions about the duty to inform the Polish authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation? And in case there has been an appeal procedure: Were these instructions also applicable to a possible appeal procedure?” Op 31 juli 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie ontvangen. “Re. 1. The European Arrest Warrant dated 06.02.2026, ref. no. VIII Kop 325/25, relates to the combined sentence handed down by the District Court for Warsaw-Sródmiescie in Warsaw on 24.11.2023, ref. no. V K 492/23, by which the aforementioned convicted person was sentenced to a combined term of 9 years imprisonment, a combined fine of 220 daily rates at 30 zlotys each, and a second combined fine of 260 daily rates at 65 zlotys each. Re. 2. Section D, VIII Kop 325/25 - concerns the combined sentence handed down by this Court on 24.11.2023, ref. no. V K 492/23. Re. 3. The convicted person applied for a combined sentence to be handed down. Re. 4. The notice of the hearing date, together with the instructions, was sent to the address provided by the convicted person upon leaving the prison. However, the notice was returned uncollected within the prescribed time limit, despite postal notifications, and thus it was deemed to have been served. Yes, these instructions applied to the entire criminal proceedings. Furthermore, the Court informs that it will respond to the remaining questions concerning the individual sentences once the case files for those cases have been received.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het verzamelvonnis dient te worden geweigerd. Primair heeft de raadsman aangevoerd dat nu de overlevering in alle onderliggende vonnissen moet worden geweigerd, ook de overlevering van het verzamelvonnis, dat is gewezen op basis van deze onderliggende vonnissen, moet worden geweigerd. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2026. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van het verzamelvonnis heeft kunnen uitoefenen. De opgeëiste persoon ontkent dat hij zelf om het verzamelvonnis heeft verzocht. De oproep voor de zitting die tot de uitspraak in het verzamelvonnis heeft geleid zou zijn gestuurd naar het door de opgeëiste persoon bij zijn vrijlating uit de gevangenis opgegeven adres. Hij is – naar eigen zeggen – in 2021 uit de gevangenis vrijgelaten nadat hij 6 jaar had vastgezeten. Het verzamelvonnis is in november 2023 gewezen. Uit de aanvullende informatie blijkt dat pas tegelijk met de oproep voor de zitting de adresinstructie is opgestuurd. Het zou goed kunnen dat de opgeëiste persoon tussen 2021 en 2023 verhuisd is en hij wist niet dat hij ertoe verplicht was om bij een verhuizing zijn nieuwe adresgegevens door te geven. Geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 12 doet zich voor en er is ook geen reden om voor wat betreft het verzamelvonnis af te zien van weigering. De raadsman heeft zich ten aanzien van de onderliggende op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Zelf na herhaaldelijk rappelleren op de gestelde vragen van het IRC is er geen antwoord gekomen. Niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten ten aanzien van deze vonnissen heeft kunnen uitoefenen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het antwoord op de aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gestelde vragen voor zover deze nog niet zijn beantwoord, af te wachten. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering ten aanzien van het verzamelvonnis moet worden geweigerd omdat ten aan zien van de onderliggende vonnissen niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Ten aanzien van het verzamelvonnis zou op zich afgezien kunnen worden van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon wist van de onderliggende vonnissen nu hij zelf om een verzamelvonnis heeft verzocht. De opgeëiste persoon ontkent nu dat hij zelf om het verzamelvonnis heeft verzocht, maar het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende. Bij zijn vrijlating uit de gevangenis, heeft opgeëiste persoon een adres opgegeven. De oproep voor de zitting die tot de uitspraak in het verzamelvonnis heeft geleid, is naar dat adres gestuurd. Dat is op zichzelf voldoende. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het primair door de officier van justitie geformuleerde verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak Door het IRC zijn op 3 juli 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een groot aantal vragen gesteld over, onder meer, de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon ten aanzien van de vonnissen die aan het verzamelvonnis ten grondslag liggen. Het IRC heeft, bij uitblijven van een reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit op deze vragen, op 17 juli 2026 en 22 juli 2026 gerappelleerd. De rechtbank heeft de zaak – in afwachting van de antwoorden op de vragen – op de zitting van 23 juli 2026 aangehouden. De van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 31 juli 2026 bevatte geen antwoord op de vragen met betrekking tot de onderliggende vonnissen, waarop het IRC nogmaals op 5 augustus 2026, met een rappel op 10 augustus 2026, om beantwoording van, onder meer, deze vragen heeft verzocht. Bij de mail van 5 augustus 2026 heeft het IRC de uitvaardigende justitiële autoriteit erop gewezen dat de beslistermijn binnenkort afloopt en dat de rechtbank de overlevering mogelijk zou weigeren bij niet-tijdige beantwoording van de vragen. Bij sluiting van het onderzoek op 13 augustus 2026 is nog steeds geen antwoord op de gestelde vragen ontvangen. De rechtbank wijst het primair door de officier van justitie geformuleerde verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit nog langer af te wachten af. De beslistermijn – die op zondag 23 augustus 2026 afloopt – laat geen ruimte voor, nogmaals, een aanhouding van de behandeling van de zaak. De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de onderliggende vonnissen: Nu uit het EAB en de aanvullende informatie niet valt op te maken dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van deze vonnissen heeft kunnen uitoefen, zal de rechtbank de overlevering voor deze onderliggende vonnissen weigeren. Ten aanzien van the cumulative judgement van the District Court for Warszawa-Sródmiescie in Warsaw van 24 november 2023 met kenmerk VK 492/23 Nu de rechtbank tot de conclusie komt dat de overlevering ten aanzien van alle onderliggende vonnissen wordt geweigerd, kan de overlevering voor het verzamelvonnis evenmin worden toegestaan. In een geval als het onderhavige moet de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten hebben kunnen uitoefenen zowel in de zaken die in de onderliggende vonnissen hebben geresulteerd, omdat in die zaken onder meer over de schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten is geoordeeld, als in de zaak die tot het verzamelvonnis heeft geleid, omdat in die zaak over de verzamelstraf is geoordeeld. Om deze reden zal de overlevering ook voor het verzamelvonnis worden geweigerd. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG113126885426BÈ G113126885426 Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:RBAMS:2026:4393 Vgl. HvJ EU 10 augustus 2017, C-271/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:629 ( Zdziaszek ), punt 93.