# Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (13-099151-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8369
- Date: 2026-08-20
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8369
- Canonical: https://overview.legal/posts/353575

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Het EAB is niet genoegzaam en voldoet dan ook niet aan de eisen van artikel 2 OLW. De beslistermijn laat geen ruimte voor het (nogmaals) aanhouden van de behandeling van de zaak om het antwoord op de reeds gestelde vragen af te wachten. Overlevering weigeren.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-099151-26 (EAB I) Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2026 door the Circuit Court Warszawa - Praga in Warsaw, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Polen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres], nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 23 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 23 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaken tegen de opgeëiste persoon (het onderhavige EAB I en EAB II, met parketnummer 13-079445-26) aangehouden om de antwoorden op de door het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC) op 3 juli 2026 gestelde vragen met betrekking tot de mogelijke overlap van de feiten genoemd in EAB I en EAB II, alsmede de vragen over de verdedigingsrechten als bedoeld in artikel 12 Overleveringswet (OLW) in EAB II, af te wachten. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De zitting van 13 augustus 2026 De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een vonnis van the District Court for Warszawa Praga-Poludnie in Warsaw van 7 december 2021 met kenmerk III K 966/18. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De straf resteert in het geheel. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid Verweer van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB niet genoegzaam is en dat de overlevering om die reden moet worden geweigerd. Op basis van de informatie zoals door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekt in EAB I , EAB II en de aanvullende informatie is niet vast te stellen of uit te sluiten dat de opgeëiste persoon twee keer voor hetzelfde feit is veroordeeld, dan wel dat zijn overlevering twee keer voor dezelfde feiten wordt verzocht. De feiten 1, 2 en 3 zoals omschreven in EAB I komen qua pleegdatum, plaats en omschrijving van de feiten terug als feit 9, 11 en 13 in het verzamelvonnis zoals vermeld in EAB II. Het parketnummer waaronder de opgeëiste persoon voor de feiten in EAB I is veroordeeld, ontbreekt echter bij de opsomming in EAB II van de vonnissen waar het verzamelvonnis op ziet. Door het IRC zijn vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de mogelijke overlap van deze feiten, maar daarop is geen antwoord gekomen. Nu hierover onduidelijkheid bestaat is het EAB niet genoegzaam en dient de overlevering te worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft de rechtbank primair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om het antwoord op de reeds aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gestelde vragen over de overlap tussen de feiten in EAB I en de feiten in EAB II af te wachten. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er ten aanzien van EAB I geen weigeringsgronden zijn en dat de overlevering voor dit EAB kan worden toegestaan. Oordeel van de rechtbank Door het IRC is op 3 juli 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit onder meer de volgende vraag gesteld: “ Possible overlap between the EAWs I have noticed that the three offences of EAW V Kop 107/25 are also part of the offences in EAW VIII Kop 235/25 (offences 9, 11 and 13). 1. Could you please clarify how the EAWs relate to each other?” Het IRC heeft, bij uitblijven van een reactie van de uitvaardigende justitiële autoriteit op (onder meer) deze vraag, op 17 juli 2026 en 22 juli 2026 gerappelleerd. De rechtbank heeft de zaak – in afwachting van de antwoorden op onder meer deze vraag – op de zitting van 23 juli 2026 aangehouden. De van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 31 juli 2026 bevat geen antwoord op de vraag. Hierop heeft het IRC nogmaals op 5 augustus 2026, met een rappel op 10 augustus 2026, om beantwoording van, onder meer, deze vraag verzocht. Bij de mail van 5 augustus 2026 heeft het IRC de uitvaardigende justitiële autoriteit erop gewezen dat de beslistermijn binnenkort afloopt en dat de rechtbank de overlevering mogelijk zou weigeren bij niet-tijdige beantwoording van de vragen. Bij sluiting van het onderzoek op 13 augustus 2026 is nog steeds geen antwoord op de gestelde vraag ontvangen. De rechtbank wijst het primair door de officier van justitie geformuleerde verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit nog langer af te wachten af. De beslistermijn – die op zondag 23 augustus 2026 afloopt – laat geen ruimte voor, nogmaals, een aanhouding van de behandeling van de zaak. De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak niet genoegzaam is. Zij licht dat toe. In EAB I wordt in sectie E één strafbaar feit met drie verschillende pleegdata genoemd waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht, te weten oplichting bij de kredietaanvraag bij de aankoop van een auto, gepleegd te Warschau op 27 juni 2005, 1 juli 2005 en 19 augustus 2005. In sectie E van EAB II (dat overigens een maand eerder en door een andere justitiële autoriteit is uitgevaardigd) staan onder feit 9, 11 en 13 letterlijk dezelfde feitsomschrijvingen met dezelfde pleegdata vermeld. Het vonnis waar EAB I op ziet, te weten het vonnis van the District Court for Warszawa Praga-Poludnie in Warsaw van 7 december 2021 met kenmerk III K 966/18 staat echter niet vermeld bij de opsomming van vonnissen waar het verzamelvonnis van 24 november 2023 met kenmerk VK 492/23 op ziet. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het EAB hierdoor niet genoegzaam is. Het is niet duidelijk of de feiten genoemd in EAB I tevens onderdeel zijn van een vonnis dat is opgenomen in het in EAB II genoemde verzamelvonnis. Van de straf opgelegd bij genoemd verzamelvonnis heeft de opgeëiste persoon, blijkens sectie C van EAB II, overigens al zes jaar uitgezeten. Niet uit te sluiten valt dat de straf waartoe hij in EAB I is veroordeeld al door de opgeëiste persoon is uitgezeten onder de in het verzamelvonnis opgelegde straf. Nu het EAB niet genoegzaam is, zal de rechtbank de overlevering weigeren. Gelet op dit oordeel hoeft het overige door de raadsman aangevoerde geen verdere bespreking. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB niet voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. De rechtbank weigert daarom de overlevering. 6 Toepasselijke wetsbepalingen Artikel 2 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP de overleveringsdetentie. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG513126807341IÈ G513126807341 Zie onderdeel e) van het EAB.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353575 · 2026-08-27
