# Rechtbank Amsterdam, 18-08-2026 (13-173235-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8268
- Date: 2026-08-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8268
- Canonical: https://overview.legal/posts/353576

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Verweer over strafrestant verworpen. Artikel 12 OLW: aanvullende vragen stellen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-173235-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 18 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2024 door the Regional Court in Poznań , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1975, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E.G.S. Rozestraten, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Wągrowiec van 20 juni 2023, met kenmerk II K 253/23, in stand gelaten bij het arrest van the Regional Court in Poznań van 14 november 2023, met kenmerk XVII Ka 990/23. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, acht maanden en zes dagen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Strafrestant Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit de informatie van de Duitse advocaat van 25 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tweeënhalve maand in Duitsland in overleveringsdetentie heeft gezeten in verband met een Duitse overleveringsprocedure met betrekking tot hetzelfde feit. Deze detentieperiode is niet in mindering gebracht op het strafrestant. Uit het EAB blijkt immers dat alleen de periode die de opgeëiste persoon in Polen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht van de opgelegde straf is afgetrokken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft hierover geen standpunt ingenomen. Oordeel van de rechtbank In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat alleen de opgelegde gevangenisstraf moet worden getoetst. De vraag naar het strafrestant is een executieaangelegenheid en voor zover hier al onduidelijkheid over bestaat, staat dit niet aan overlevering in de weg. Er is immers een straf opgelegd van meer dan vier maanden en er is niet aangevoerd noch aannemelijk gemaakt dat er in het geheel geen strafrestant meer is. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt onder D) het volgende: “ (…) No, the requested person did not appear in person at the court hearing (session) when the decision was rendered - it pertains to the judgment handed down in Case No. XVII Ka 990/23. (…) b. the person concerned was not summoned in person but he was otherwise officially informed of the date and place of the court hearing which led to the decision rendered in absentia, it may be clearly stated that this person knew about the scheduled court hearing and was informed that the decision may be rendered in absentia rendered - it pertains to the judgment handed down in Case No. XVII Ka 990/23. c. this person knew about the scheduled court hearing and this person granted a power of attorney to a legal counsel who was appointed by this person or by the State to defend this person at the court hearing, and the legal counsel actually defended this person at the court hearing - it pertains to the judgment handed down in Case No. XVII Ka 990/23. (…) The defence lawyer of [de opgeëiste persoon] brought an appeal against the judgment handed down in Case No. II K 253/23. The summons to appear at the appeal court hearing in Case No. XVII Ka 990/23 which resulted in the decision was sent to the address provided by him but he did not collect the correspondence addressed to him and did not attend the appeal court hearing. His defence lawyer participated in the appeal court hearing. (…) [de opgeëiste persoon] was instructed about the obligation to inform the authorities conducting the proceedings about any change of his residence address and a place of stay lasting over seven days. [de opgeëiste persoon] did not fulfil this obligation. ” Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 29 juni 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Op 10 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt: “ The Poznań Regional Court, 3rd Criminal Division, in response to the letter dated 29 June 2026 concerning [de opgeëiste persoon] - I hereby inform you that the defendant has granted his defence counsel a power of attorney to represent him throughout the proceedings, including before the Poznań Regional Court in case XVII Ka 990/23. [de opgeëiste persoon] ’s defence counsel was indeed present and represented him at the hearing on 14 November 2023 before the Regional Court in Poznań. ” Het IRC heeft op 15 juli 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “ (…) 1. Did [de opgeëiste persoon] , during the (pre-trial) proceedings, receive the instruction to inform the authorities about address changes and was he informed about the consequences of not complying with this obligation (including that, in case of [de opgeëiste persoon] ’s absence at trial, the proceedings could take place in absentia)? 2. Was [de opgeëiste persoon] thereby explicitly informed that these rights and obligations would apply to the entire proceedings ( including a possible appeal)? 3. Could you please indicate whether it is correct that this instruction also entails the obligation to notify the authorities of a change of address in the event that a person becomes detained? ” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 16 juli 2026 hierop het volgende antwoord gegeven: “ The Regional Court in Poznań, 3rd Criminal Division, in response to the letter dated 15 July 2026 concerning [de opgeëiste persoon] , confirms that, with regard to all the questions raised, he was indeed informed of his rights and obligations and was aware that he was under an obligation to notify the authorities of any change of address. Under Polish law, every defendant receives written information about all their rights and obligations prior to their first hearing and must confirm receipt of this information. ” Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 16 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is geïnformeerd over zijn rechten en plichten, waaronder de verplichting iedere adreswijziging door te geven. Het is echter onduidelijk of de opgeëiste persoon is geïnformeerd over de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichting, of de rechten en plichten waar hij op is gewezen ook gelden voor de procedure in hoger beroep, en of de verplichting iedere adreswijziging door te geven ook geldt wanneer een persoon gedetineerd raakt. Daarnaast blijkt uit de informatie van de Duitse advocaat van de opgeëiste persoon van 25 juni 2026 dat de opgeëiste persoon van 6 juli 2023 tot 6 december 2023 – en dus tijdens de procedure in hoger beroep in Polen – in Duitsland in detentie heeft gezeten wegens een andere strafzaak. Verder blijkt dat de Duitse rechtbank op 11 december 2024 heeft geoordeeld over een Pools overleveringsverzoek met betrekking tot hetzelfde feit. De Duitse rechtbank heeft toen de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd omdat hij niet persoonlijk dan wel op andere wijze officieel in kennis is gesteld van de datum en het tijdstip van de zitting. Daaruit volgt dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Er is ook geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De Duitse rechtbank heeft in haar beslissing van 11 december 2024 opgenomen dat uit geen enkel stuk blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd met wetenschap van de zittingsdatum en met de bedoeling dat de advocaat hem zou vertegenwoordigen tijdens de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon zat in Duitsland van 6 juli 2023 tot 6 december 2023 in beperkingen en kon daardoor geen contact onderhouden met zijn Poolse advocaat en kan deze advocaat dan ook niet gemachtigd hebben om hem tijdens de procedure in hoger beroep te vertegenwoordigen. Dit wijkt af van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 10 juli 2026, waaruit volgt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd. De informatie die door de Poolse autoriteiten is verstrekt in de Duitse overleveringsprocedure, maakt dat de verdediging twijfelt aan de juistheid en de betrouwbaarheid van het EAB en de in de onderhavige overleveringsprocedure verstrekte aanvullende informatie. Deze twijfel wordt versterkt doordat in onderdeel F) van het originele, Poolse EAB niet de naam van de opgeëiste persoon, maar van ene ‘ [persoon] ’ is opgenomen. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren tijdens het proces. De machtiging van de advocaat gold ook voor de procedure in hoger beroep. Deze advocaat heeft ook daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd tijdens de procedure in hoger beroep. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon was ook op de hoogte van het voorgenomen proces. Dit blijkt uit de volgende omstandigheden. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing in eerste aanleg van the District Court in Wągrowiec van 20 juni 2023, met kenmerk II K 253/23. Daarnaast heeft hij in Polen in voorlopige hechtenis gezeten. Hij wist dus dat er een procedure liep. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft namens hem hoger beroep ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon is tweemaal opgeroepen voor de procedure in hoger beroep op het door hem opgegeven adres, maar hij heeft de oproep niet in ontvangst genomen omdat hij zich tijdens de procedure in hoger beroep in Duitsland in detentie bevond. Hij is echter voorafgaand aan de procedure geïnformeerd over de verplichting om iedere adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten. Hij is daarbij ook gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichting en geïnformeerd dat de adresinstructie gold voor de gehele procedure, waaronder het hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van 16 juli 2026 blijkt immers nadrukkelijk dat op alle door het IRC gestelde vragen van 15 juli 2026 een bevestigend antwoord wordt gegeven. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven aan de Poolse autoriteiten. Ook wanneer het wijzigen van het adres een gevolg is van detentie in een andere strafzaak, is de opgeëiste persoon gehouden deze wijziging door te geven. Daarmee is de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en is hij niet in zijn verdedigingsrechten geschaad. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court in Poznań van 14 november 2023, met kenmerk XVII Ka 990/23, toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat in onderdeel D) van het EAB onder meer is aangegeven dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde is. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 10 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging gedurende het gehele proces, waaronder de procedure in hoger beroep, te voeren. Deze advocaat heeft ook tijdens de procedure in hoger beroep de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de verstrekte informatie. Hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht maakt dit niet anders. Bovendien staat een overleveringsprocedure op grond van hetzelfde EAB, ook als die is geweigerd door een andere lidstaat, los van de onderhavige procedure . Deze rechtbank moet het EAB zelfstandig beoordelen. De rechtbank kan daarbij in voorkomende gevallen rekening houden met de reden van weigering van de overlevering door de andere lidstaat, in dit geval Duitsland. In onderhavige zaak is niet gebleken dat de reden voor de weigering door Duitsland is gelegen in een schending van het recht op een eerlijk proces op grond waarvan de rechtbank in deze nieuwe procedure de overlevering ook zou moeten weigeren. Bovendien kan sprake zijn van gewijzigde omstandigheden of aanvullende informatie waardoor de overlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar kan worden geacht. Gelet op de arresten Khuzdar en Höldermann moet ook worden voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank dient hierbij alle relevante omstandigheden in aanmerking te nemen. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure in eerste aanleg die heeft geleid tot de beslissing van the District Court in Wągrowiec van 20 juni 2023, met kenmerk II K 253/23. Verder blijkt dat de opgeëiste persoon van 27 februari 2023 tot 20 juni 2023 in Polen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in verband met deze zaak. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. De oproep voor de procedure in hoger beroep is tweemaal naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd, maar niet door hem in ontvangst genomen. Uit de aanvullende informatie van 16 juli 2026 volgt dat de opgeëiste persoon voorafgaand aan het proces is geïnformeerd over zijn rechten en plichten. Daarbij is hij gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten door te geven. De rechtbank leest de aanvullende informatie van 16 juli 2026, gezien in samenhang met de vraagstelling van het IRC van 15 juli 2026, niet zo dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bedoeld een bevestigend antwoord te geven op alle door het IRC gestelde vragen. In het bijzonder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in de aanvullende informatie van 16 juli 2026 geen antwoord gegeven op de vraag of de opgeëiste persoon expliciet geïnformeerd is dat de rechten en plichten gelden gedurende het gehele proces, waaronder een mogelijke procedure in hoger beroep. Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en voor onbepaalde tijd te schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: Kunt u aangeven of de adresinstructie gold voor de gehele procedure, waaronder de procedure in hoger beroep? En zo ja: Op welke wijze was het voor de opgeëiste persoon kenbaar dat de adresinstructie die aan de opgeëiste persoon is gegeven en ontvangen in eerste aanleg ook zag op een (eventuele) procedure in hoger beroep? 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 4 september 2026 opnieuw op zitting wordt gepland vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 14 september 2026). BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 7 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2984. De officier van justitie heeft verwezen naar HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ) en HvJ EU 21 mei 2026, C447/24, ECLI:EU:C:2026:417 ( Höldermann ). De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 19 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3025, Rb. Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1060 en Rb. Amsterdam 4 mei 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2518. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Vgl. HvJ EU 29 juli 2024, C‑318/24 PPU, ECLI:EU:C:2024:658 ( Breian ). HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). HvJ EU 21 mei 2026, C447/24, ECLI:EU:C:2026:417 ( Höldermann ). Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353576 · 2026-08-27
