Rechtbank Amsterdam, 28-07-2026 (13-003312-26)
Tussenuitspraak inzake vervolgings-EAB uit Belgie. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht om vast te stellen op grond van welke titel de opgeëiste persoon naar Nederland is gebracht en of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-003312-26 Datum uitspraak: 28 juli 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 29 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 december 2022 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1994, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, mr. B.J. Korver, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel, beiden advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. Beslistermijn Indien de overlevering mede afhankelijk is van de instemming van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een derde staat, begint ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW) de in het eerste lid genoemde termijn van 60 dagen pas te lopen vanaf het moment dat de vereiste instemming is ontvangen. Zoals onder rubriek 4 in deze uitspraak wordt overwogen, kan de rechtbank momenteel niet vaststellen op welke titel de opgeëiste persoon vanuit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) naar Nederland is gekomen en of voornoemde instemming van de VAE voor overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is vereist. De rechtbank heeft daarom de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering voor de zekerheid met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd op 19 december 2022 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, met referentie OR G. Franssens 2022/131. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 4 Instemming voor de verderlevering van de opgeëiste persoon Inleiding De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat de opgeëiste persoon vanuit de VAE naar Nederland is gebracht en sindsdien in Nederland is gedetineerd in verband met een Nederlandse strafzaak. Nu het feit waarop het EAB berust zou zijn begaan vóór de komst van de opgeëiste persoon naar Nederland, is op grond van artikel 14 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VAE inzake uitlevering van 29 augustus 2021 (hierna: het Verdrag) voor de zogenoemde ‘verderlevering’ van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit door Nederland instemming vereist van de VAE, indien de opgeëiste persoon aan Nederland is uitgeleverd. De officier van justitie heeft op de zitting bevestigd dat de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid geen verzoek heeft ingediend tot het verkrijgen van instemming van de VAE voor verderlevering van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Voor de mogelijke beweegredenen hieromtrent is verwezen naar een mailbericht van AIRS van 22 mei 2026. Dit bericht is afkomstig van de Senior juridisch adviseur bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid en vermeldt onder meer dat uit het feit dat de opgeëiste persoon is aangehouden naar aanleiding van een INTERPOL signalering en vervolgens ter uitlevering is aangeboden, kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon heeft ingestemd met de verkorte procedure en daarmee afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel in brede zin. Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verderlevering van de opgeëiste persoon moet worden geweigerd, nu de instemming door de VAE zoals bedoeld in artikel 14 van het Verdrag ontbreekt. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie over de procedure op grond waarvan de opgeëiste persoon vanuit de VAE naar Nederland is gekomen. Zoals hiervoor is vermeld, is op grond van artikel 14 van het Verdrag voor de verderlevering van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit in beginsel instemming vereist van de VAE, indien de opgeëiste persoon via de reguliere procedure aan Nederland is uitgeleverd. Indien de opgeëiste persoon op grond van het Verdrag is uitgeleverd, is van belang of daarbij de vereenvoudigde (ook wel verkorte) of de reguliere procedure is gevolgd. Blijkens de e-mail van 22 mei 2026 concludeert de AIRS dat de opgeëiste persoon heeft ingestemd met de verkorte procedure en dat hij daarmee afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel in brede zin. Het is voor de rechtbank echter onduidelijk waar de conclusie dat de opgeëiste persoon heeft ingestemd met de verkorte procedure, op is gebaseerd. Allereerst ontbreken stukken in het dossier op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op grond van het Verdrag aan Nederland is uitgeleverd. Indien dat inderdaad het geval is, ontbreken stukken in het dossier waaruit naar voren komt via welke procedure de opgeëiste persoon op grond van het Verdrag aan Nederland is uitgeleverd en of, indien dat via de reguliere procedure is gebeurd, de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel. Nu de opgeëiste persoon niet op zitting is verschenen, heeft de rechtbank hem hierover ook niet kunnen bevragen. Het voorgaande maakt dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht om vast te stellen op grond van welke titel de opgeëiste persoon naar Nederland is gebracht en of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist. Het onderzoek zal daarom worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen te (laten) beantwoorden en te onderbouwen met stukken: Op grond van welke titel is de opgeëiste persoon vanuit de VAE naar Nederland gebracht? Indien de opgeëiste persoon aan Nederland is uitgeleverd op grond van het Verdrag, heeft de opgeëiste persoon daarbij gekozen voor de vereenvoudigde of de reguliere procedure? Waaruit blijkt dat? Indien de opgeëiste persoon gekozen heeft voor de reguliere procedure en in dat verband geen afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, dan verzoekt de rechtbank om verstrekking van een stuk waaruit de instemming zoals bedoeld in artikel 14 van het Verdrag van de bevoegde autoriteit van de VAE tot verderlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt? 5 Beslissing De rechtbank HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie de gelegenheid te bieden de hiervoor onder 4 vermelde vragen te (laten) beantwoorden; BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 13 augustus 2026 , opnieuw wordt ingepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB.