# Rechtbank Amsterdam, 18-08-2026 (13-120181-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8270
- Date: 2026-08-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8270
- Canonical: https://overview.legal/posts/353580

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: procedure in hoger beroep. Sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-120181-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 2 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 27 maart 2026 door the Regional Court in Tarnów , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB – in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 juli 2026 – vermeldt een vonnis van the District Court in Tarnów van 29 november 2023, met kenmerk II K 728/22, en gewijzigd bij arrest van the Regional Court in Tarnów van 19 september 2024, met kenmerk II Ka 127/24. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.530 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot de beslissing van the Regional Court in Tarnów van 19 september 2024, met kenmerk II Ka 127/24. Het hoger beroep is namelijk ingesteld door de Poolse officier van justitie. Uit de aanvullende informatie van 6 juli 2026 volgt dat de advocaat van de opgeëiste persoon bij de procedure in hoger beroep aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding op 2 juni 2026 verklaard dat hij hiervan pas later op de hoogte is geraakt. Bovendien is het niet duidelijk of de opgeëiste persoon de advocaat heeft gemachtigd en of hij de opgeëiste persoon daadwerkelijk ter zitting heeft vertegenwoordigd. Daarnaast volgt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2024 in persoon is gedagvaard voor de zitting die heeft geleid tot de beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon woonde niet op het adres dat in het EAB is vermeld ( Poland: [adres 2] ) op het moment van het uitreiken van de dagvaarding, omdat deze woning werd gerenoveerd. De raadsman heeft voorafgaand aan de zitting stukken overgelegd, namelijk een huurovereenkomst van een woning op het adres [adres 3] , die op naam van de moeder van de opgeëiste persoon staat en dateert van 20 mei 2024. De opgeëiste persoon heeft altijd bij zijn moeder gewoond. Hij woonde dus op dit laatst genoemde adres op het moment van het uitreiken van de dagvaarding. Het is niet duidelijk op welk adres de dagvaarding is uitgereikt en of de opgeëiste persoon de dagvaarding daadwerkelijk in persoon in ontvangst heeft genomen. Uit de aanvullende informatie volgt ook niet of de gegeven adresinstructie gold voor de procedure in hoger beroep. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de alle voornoemde onduidelijkheden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Uit het ingevulde D-formulier bij de aanvullende informatie van 6 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2024 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte bracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Ook is hij ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. In de begeleidende brief bij de aanvullende informatie wordt onderstreept en nogmaals benadrukt dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in persoon in ontvangst heeft genomen. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de dagvaarding in persoon heeft ontvangen en de door de raadsman overgelegde stukken zijn onvoldoende om aan de juistheid van de aanvullende informatie te twijfelen. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom (enkel) de beslissing van the Regional Court in Tarnów van 19 september 2024, met kenmerk II Ka 127/24, toetsen aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 9 augustus 2024 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Uit de begeleidende brief bij de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon ‘ personally received the notification [of hearing date at the Regional Court in Tarnów on September 19, 2024] on August 9, 2024] ’ en wordt nogmaals benadrukt dat ‘ [de opgeëiste persoon] personally received notification of the date this hearing ’. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De Poolse stukken die de raadsman heeft overgelegd geven onvoldoende onderbouwing om aan de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit te twijfelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van zware mishandeling, meermalen gepleegd. 6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 47 en 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Tarnów (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. De officier van justitie heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 7 januari 2026. ECLI:NL:RBAMS:2026:19. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353580 · 2026-08-27
