# Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (13-088428-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8334
- Date: 2026-08-20
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8334
- Canonical: https://overview.legal/posts/353582

## Summary

Pools executie-EAB; artikel 12 OLW; omzettingsbeslissing; artikel 11 OLW; verweer vanwege het recht op family-life slaagt niet; aanhoudingsverzoek vanwege WETS-verzoek slaagt niet; overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-088428-26 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 22 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 maart 2026 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Szczecinek van 22 maart 2023 met kenmerk II K 477/22. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en zij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De omzettingsbeslissing hoeft niet getoetst te worden omdat de straf niet is omgezet vanwege een nieuw strafbaar feit of een nieuwe veroordeling. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het vonnis van the Local Court in Szczecinek van 22 maart 2023 met kenmerk II K 477/22 Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de omzettingsbeslissing van the Local Court in Szczecinek van 23 januari 2025 De vrijheidsstraf is aanvankelijk voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Local Court in Szczecinek van 23 januari 2025 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Een beslissing tot tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder opgelegde vrijheidsstraf is in beginsel geen beslissing die moet worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 2 juli 2026 blijkt dat de beslissing van 23 januari 2025 niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De tenuitvoerlegging van de straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon geen contact heeft onderhouden met de reclasseringsambtenaar. Aan de veroordeling ligt dus geen nieuw strafbaar feit ten grondslag. De rechtbank hoeft die beslissing dus niet te toetsen aan artikel 12 OLW. 5 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd. 6 Artikel 11 OLW 6.1. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat zij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6.2. Poolse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 mei 2018 op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere informatie op te vragen bij de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Het is niet bekend in welke gevangenis de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden en of zij daar contact kan hebben met haar zoon. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak vanwege de detentieomstandigheden omdat geen algemeen gevaar voor een schending van grondrechten is aangenomen voor veroordeelde gedetineerden in Polen. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de detentieomstandigheden niet voldoen aan de Europese standaarden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat er geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na haar overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. 6.3. Artikel 7 en 24 van het Handvest en artikel 3 van het IVRK: family-life Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat overlevering zouden leiden tot een schending van het beschermde recht op gezinsleven. De raadsvrouw beroept zich op artikel 7 en 24 van het Handvest, artikel 8 EVRM en 3 IVRK. De opgeëiste persoon is alleenstaande moeder van haar dertienjarige zoon sinds de vader van het kind vorig jaar om het leven is gekomen door politiegeweld in Nederland. De opgeëiste persoon en haar zoon hebben geen sociaal netwerk in Nederland. Als de opgeëiste persoon wordt overgeleverd staat het kind er helemaal alleen voor, zonder huisvesting en opvoeding. Het gaat om een uitzonderlijke situatie aangezien niemand de zorg voor de zoon op zich kan nemen. Gelet op artikel 24 van het Handvest en artikel 3 IVRK moeten de belangen van het kind een eerste overweging zijn. Daarnaast speelt de proportionaliteit een rol nu het gaat om verkeersfeiten die de opgeëiste persoon heeft gepleegd in Polen. De gevolgen van de overlevering zijn in dat licht niet proportioneel. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de overlevering gemaakte inbreuk op het gezinsleven bij wet is voorzien, in een democratische samenleving noodzakelijk is en ook proportioneel is. De persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon is geen situatie die ziet op artikel 11 OLW. Het is ook in beginsel geen beletsel voor feitelijke overlevering (artikel 35 OLW). Dat kan anders zijn als de gezondheid van het kind ernstig in gevaar zou worden gebracht indien de opgeëiste persoon wordt overgeleverd, maar daarvan is geen sprake. Er is dan ook geen reden om geen gevolg te geven aan het EAB. Oordeel van de rechtbank De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op het recht op familie- en gezinsleven, daartoe verwijzend naar artikel 7 en 24 van het Handvest, artikel 8 EVRM en 3 IVRK Overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen levert een beperking van haar recht op eerbiediging van haar privéleven en haar familie- en gezinsleven op. Op grond van artikel 52, eerste lid, van het Handvest moeten beperkingen op de uitoefening van de in het Handvest erkende rechten en vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld, voor zover die noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Europese Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De rechtbank is van oordeel dat de door de overlevering gemaakte inbreuk op het recht, zoals neergelegd in artikel 7 van het Handvest, bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is. De inbreuk is gebaseerd op de Overleveringswet en strekt tot tenuitvoerlegging van een in Polen noodzakelijk geoordeelde vrijheidsstraf, die geacht moet worden te zijn opgelegd ter bescherming van de rechtsorde en voorkoming van criminaliteit. Overlevering is dus een toegestane beperking in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven. Gelet op de tijdelijke aard van de beperking is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, voorts niet onevenredig. Ook als de door de opgeëiste persoon gestelde specifieke persoonlijke belangen van haarzelf en haar zoon daarbij in aanmerking worden genomen, blijkt niet van een zodanige inbreuk op haar familie- en gezinsleven dat de overlevering niet gerechtvaardigd is wegens de onevenredigheid van de beperking. Nog daargelaten dat niet concreet is onderbouwd dat voor de zoon in het geheel geen opvang in Nederland beschikbaar is voor tijdelijke duur geldt dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat in Polen nog familie woont. Gesteld noch gebleken is dat de zoon niet tijdelijk door familie kan worden opgevangen, in Nederland of in Polen. De inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven levert daarom geen beletsel op voor overlevering. Het verweer wordt verworpen. 7. Aanhoudingsverzoek wegens een verzoek op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS) Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden omdat de uitkomst van een procedure tot strafovername door Nederland moet worden afgewacht. De Poolse advocaat van de opgeëiste persoon heeft in Polen een verzoek tot strafoverdracht ingediend en verwacht dat in september of oktober van dit jaar een zitting zal worden ingepland. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak omdat een mogelijke WETS-procedure geen omstandigheid is waar de rechtbank in onderhavige procedure rekening mee dient te houden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak af. Een eventuele toewijzing van het verzoek betreft een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarbij komt dat het niet de verwachting is dat die beslissing is genomen binnen de strikte termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 9 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ), punt 53. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . ECLI:NL:RBAMS:2018:2991. Zie o.a. Rb. Amsterdam 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3202.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353582 · 2026-08-27
