# Rechtbank Den Haag, 27-08-2026 (NL25.48890)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:24354
- Date: 2026-08-27
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A24354
- Canonical: https://overview.legal/posts/353654

## Summary

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde documenten geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn die eisers - eerder niet geloofwaardig geachte - Soedanese identiteit, nationaliteit en herkomst thans onderbouwen. De minister heeft echter ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling gemaakt ten aanzien van Soedan.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48890 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.C. Pool), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B. Zagers). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde documenten geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn die eisers - eerder niet geloofwaardig geachte - Soedanese identiteit, nationaliteit en herkomst thans onderbouwen. De minister heeft echter ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling gemaakt ten aanzien van Soedan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 10 mei 2023 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is nadien niet gesloten. 2.2. Ter zitting is naar voren gekomen dat het advies van Bureau Documenten over de brief van de ambassade van 7 november 2024, niet aan het dossier was toegevoegd. Aangezien de minister in het bestreden besluit in zijn standpunt heeft verwezen naar dit advies, is de minister in de gelegenheid gesteld om dit standpunt nader te onderbouwen dan wel toe te lichten. De rechtbank heeft de minister hiervoor een termijn van twee weken gegeven. Op 8 juni 2026 heeft de minister het advies van Bureau Documenten over de brief van de ambassade aan het dossier toegevoegd. Daarna heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser een termijn van twee weken geboden om op het overgelegde advies van Bureau Documenten te reageren. Op 19 juni 2026 heeft de rechtbank deze reactie ontvangen. 2.3. Bij bericht van 22 juni 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek is gesloten. Beoordeling door de rechtbank Eerdere procedures 3. Eiser heeft op 22 april 2010 een eerste asielaanvraag ingediend. Op 27 juli 2011 is deze aanvraag door de minister afgewezen. Eiser heeft tegen deze afwijzing beroep ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dit beroep op 20 april 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij - voor zover van belang - overwogen dat de minister van belang heeft mogen achten dat eiser in Griekenland een andere nationaliteit heeft opgegeven dan hij bij de aanvraag in Nederland heeft gedaan en hij de in Nederland opgegeven nationaliteit, ondanks de in Soedan geldende algemene identificatieplicht vanaf de leeftijd van 16 jaar, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij de Afdeling . Dit hoger beroep is door de Afdeling op 15 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard. 3.1 Op 24 januari 2013 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 8 augustus 2013 afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb . Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het beroep op 24 december 2013 ongegrond verklaard. In de uitspraak heeft de rechtbank - voor zover van belang - overwogen dat het onduidelijk is hoe het document dat eiser ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft ingediend, te weten een verklaring van afstand van 5 februari 2008, zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ondersteunt. Ter zitting heeft eiser verklaard dat het document op zijn vader betrekking heeft, maar eiser heeft niet nader toegelicht hoe zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst daarmee worden aangetoond. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het overgelegde ambtsbericht geen nieuw gebleken feit of omstandigheid vormt. Hiertegen heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. De afwijzing van de opvolgende aanvraag staat in rechte vast. 3.2 Eiser heeft op 11 september 2018 en op 16 januari 2023 opnieuw opvolgende asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn door de minister buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend. De huidige asielprocedure 4. Op 10 mei 2023 heeft eiser zijn vierde opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe relevante elementen of bevindingen ten opzichte van de vorige procedures die zijn Soedanese nationaliteit en zijn asielrelaas ondersteunen. Ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag heeft eiser verschillende documenten overgelegd, namelijk: een kopie van de melding van overlijden die ziet op [zus van eiser] (gestelde zus van eiser); een originele verklaring van inschrijving in het bevolkingsregister die ziet op [vader van eiser] (gestelde vader van eiser); een originele verklaring van wonen die ziet op [eiser] [naam]; een kopie van het nationaliteitsbewijs dat zie op [moeder van eiser] (gestelde moeder van eiser); een originele brief van de ambassade van 7 november 2024; kopieën van treintickets van 8 november 2024; kopie van een schooldocument (onvertaald); informatie van UNHCR uit mei 2023. Verder heeft eiser aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat er in Soedan oorlog is uitgebroken en dat hij bij terugkeer gevaar loopt. Het bestreden besluit 5. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, omdat er sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd. De minister onderkent de moeite die eiser heeft gedaan om voornamelijk op eigen initiatief zijn asielaanvraag te onderbouwen met documenten. Echter, ondersteunen de verschillende (kopieën van) documenten die eiser heeft overgelegd zijn identiteit, nationaliteit en herkomst (nog altijd) niet. Verder weegt de minister in dat kader in negatieve zin mee dat eiser in Griekenland en in Zweden bewust respectievelijk een andere nationaliteit en een andere geboortedatum heeft opgegeven, om niet naar Nederland teruggestuurd te worden. Daaruit concludeert de minister dat eiser in twee andere landen bewust onjuiste persoonsgegevens heeft opgegeven. Nu eiser niet wordt gevolgd in zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst blijft verdere beoordeling van het asielrelaas achterwege. Hier valt een aangedragen asielmotief, zoals de oorlog in Soedan, ook onder. Een asielmotief heeft volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling namelijk slechts betekenis tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. In het bestreden besluit heeft de minister gewezen op het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit daterend van 27 juli 2011. In het eerdere terugkeerbesluit is geen terugkeerland genoemd, omdat de gestelde nationaliteit en herkomst van eiser destijds ook niet werden geloofd. Gelet op de sindsdien nieuwe jurisprudentie van de Afdeling is het noemen van een terugkeerland in een terugkeerbesluit thans verplicht, ook als de vreemdeling niet wordt gevolgd voor wat betreft zijn nationaliteit en herkomst. Gelet hierop wordt eiser opgelegd terug te keren naar zijn gestelde land van herkomst, Soedan. 5.1 Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan. De geloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser Zoals hiervoor reeds is weergegeven, stelt de minister zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, niet met de door hem overgelegde documenten heeft onderbouwd. Daarom kunnen de documenten niet worden aangemerkt als nieuwe relevante elementen of bevindingen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden over de verschillende documenten, namelijk de familiedocumenten, het document van de ambassade, de woonverklaring en het schooldocument beoordelen. Ook wordt de integrale weging beoordeeld en de verklaringen over de Nubische taal. De familiedocumenten 6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser met de overgelegde documenten van zijn gestelde familieleden zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft een drietal familiedocumenten overgelegd, te weten een kopie van de overlijdensakte van de gestelde zus van eiser, een originele verklaring van inschrijving in het bevolkingsregister van de gestelde vader van eiser en een kopie van een nationaliteitsbewijs dat ziet op de gestelde moeder van eiser. De documenten zijn door Bureau Documenten beoordeeld. Ondanks het neutrale dan wel positieve advies, heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat er geen waarde kan worden gehecht aan de documenten, omdat de documenten niet op eiser zien. Ook is met de overgelegde documenten niet aangetoond dat de personen die zijn genoemd in de documenten daadwerkelijk eisers zus, vader en moeder zijn. Daar komt bij dat de inhoud van de overlijdensakte van de gestelde zus afwijkt van de eerdere verklaringen van eiser. Uit de overlijdensakte volgt namelijk dat de gestelde zus van eiser op [datum] 2015 op 43-jarige leeftijd is overleden (geboortejaar 1972), terwijl eiser in het eerste gehoor heeft verklaard dat zijn zus [zus van eiser] in 1987 is geboren. Toen eiser geconfronteerd is met deze tegenstrijdigheid, heeft eiser uitgelegd dat dit niet klopt en dat zijn zus jonger is dan hijzelf . Eiser kon deze stelling echter niet nader onderbouwen. De minister hecht gelet op het voorgaande dan ook geen waarde aan de drie overgelegde familiedocumenten. 6.1 Eiser stelt dat hij met de overgelegde documenten een gedeelte van zijn identiteit heeft willen aantonen. De overgelegde familiedocumenten bouwen namelijk voort op de informatie die eiser in eerdere procedures heeft overgelegd over zijn familieleden. Dat er op bepaalde punten verschillen zitten tussen de eerdere opgegeven informatie en de informatie die op de documenten staat vermeld, bijvoorbeeld op de overlijdensakte van zijn zus, kan eiser helaas niet geheel verklaren. 6.2 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen waarde toekomt aan de overgelegde documenten die betrekking hebben op de gestelde familieleden van eiser. Niet is vast te stellen of de documenten die eiser heeft overgelegd daadwerkelijk van zijn ouders en zus zijn. Voorts is gebleken dat de informatie die volgt uit de overgelegde overlijdensakte van de gestelde zus van eiser, niet overeenkomt met eerdere verklaringen van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank bouwen de overgelegde familiedocumenten, zoals eiser stelt, niet voort op de in eerdere procedures overgelegde informatie. In eerdere procedures is immers overwogen dat de overgelegde informatie de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet. De originele brief van de ambassade 7. De minister stelt zich op het standpunt dat er, ondanks het neutrale advies van Bureau Documenten, geen waarde kan worden toegekend aan de brief van de ambassade van 7 november 2024. De brief bevat namelijk geen foto van de persoon waarop het ziet. Daarnaast komt de dag dat eiser gesteld heeft naar de ambassade te zijn gegaan, 8 november 2024 (datum kopieën treintickets) en de datum van de brief van de ambassade, 7 november 2024, niet overeen. Eiser heeft gesteld dat dit een administratiefout zou kunnen betreffen, echter heeft hij deze stelling niet onderbouwd. Het is volgens de minister ook niet logisch dat de Soedanese ambassade een verkeerde afgiftedatum op een brief vermeldt. 7.1 Eiser betoogt dat een verschrijving in afgiftedatum van ambassadedocumenten voor kan komen, maar dat dat op zichzelf geen reden vormt om aan de authenticiteit te twijfelen. Volgens eiser had de minister moeten motiveren waarom de onjuiste datum af zou kunnen doen aan de waarde van de inhoud van het document, temeer nu Bureau Documenten slechts een neutraal advies heeft afgegeven en geen twijfel aan de echtheid heeft geuit. Daarbij acht eiser het opmerkelijk dat de minister in de motivering van het bestreden besluit al heeft verwezen naar het documentenonderzoek, terwijl uit de toegezonden verklaring van onderzoek blijkt dat het onderzoek van Bureau Documenten pas op 8 juni 2026 is verricht. Volgens eiser is de beschikking dan ook niet zorgvuldig voorbereid . 7.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen waarde aan de overgelegde brief van de ambassade kan worden toegekend. Het verschil in de datum van de treintickets en de brief van de Soedanese ambassade doet afbreuk aan de waarde van de inhoud van het document, aangezien eiser niet heeft aangetoond dat hij zelf naar de ambassade is gegaan. Daar komt bij dat van een officiële representatie van een land mag worden verwacht dat deze informatie, zoals een afgiftedatum, juist noteert. Bovendien staat er geen foto van eiser op het document. Uit het overgelegde advies van Bureau Documenten van 8 juni 2026 volgt dat de brief van de ambassade is onderzocht en dat door een gebrek aan voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid, opmaak en afgifte, en evenmin over de inhoud van de brief van de ambassade. Dit betekent, ter nuancering van hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, dat Bureau Documenten de echtheid van het document niet heeft kunnen beoordelen en daarom ook geen twijfel aan de echtheid heeft kunnen uiten. Het had op de weg van eiser gelegen om het verschil in data op de treintickets en de brief van de ambassade nader te onderbouwen. Aangezien eiser dit niet heeft gedaan, is er naar het oordeel van de rechtbank geen steekhoudende verklaring door eiser gegeven voor het verschil in data op de twee documenten. Het betoog van eiser in de reactie op de verklaring van onderzoek, namelijk dat er sprake is van een zorgvuldigheidgebrek in de beschikking, kan de rechtbank niet volgen. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat er door Bureau Documenten niet altijd een onderzoeksverslag wordt opgesteld, maar dat de bevindingen uit het onderzoek soms ook per mail of anderszins schriftelijk door Bureau Documenten worden medegedeeld aan de minister. Aangezien de inhoud van het overgelegde onderzoeksverslag overeenkomt met hetgeen de minister in het bestreden besluit heeft opgenomen en ter zitting heeft toegelicht, is de rechtbank van oordeel dat – ondanks dat dit niet de gewenste werkwijze is – geen grond bestaat voor de conclusie dat de beschikking niet zorgvuldig is voorbereid. De beroepsgrond slaagt niet. Woonverklaring 8. De minister stelt zich op het standpunt dat ook aan de woonverklaring van eiser geen waarde kan worden toegekend voor wat betreft de onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Dit document is onderzocht door Bureau Documenten en dat heeft geleid tot een neutraal advies. Volgens de minister is het onduidelijk door wie de brief is opgesteld en op basis van welke informatie deze brief is opgesteld. Ook bevat de brief geen dagtekening. Op basis hiervan concludeert de minister dat er niet vastgesteld kan worden dat de woonverklaring op eiser ziet. 8.1 Eiser stelt dat er in Soedan aan de overgelegde woonverklaring veel waarde wordt gehecht en door de autoriteiten ter plaatse als betrouwbaar bewijs van woonplaats wordt gebruikt. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser uitgelegd dat het dorpshoofd dat de woonverklaring heeft opgesteld in Soedan als een autoriteit wordt gezien. Volgens de gemachtigde van eiser dient het dorpshoofd dan ook als een objectieve bron te worden aangemerkt. Daarnaast had er volgens eiser in de besluitvorming rekening mee moeten worden gehouden dat documenten in Soedan regelmatig zonder formele dagtekening worden afgegeven en dat de lokale praktijk niet vergelijkbaar is met die in Nederland. Door geen nader onderzoek te verricht naar de gebruikelijke vormvereisten in Soedanese documenten, heeft de minister volgens eiser zijn onderzoeksplicht geschonden. 8.2 De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de originele woonverklaring die ziet op [eiser] [naam], niet zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldaan aan zijn onderzoeksplicht door de woonverklaring voor te leggen aan Bureau Documenten en zelf een analyse te maken van het document. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling ligt het bovendien op de weg van een vreemdeling om de authenticiteit van het aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde document aan te tonen. De minister kan een vreemdeling daarbij tegemoetkomen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, maar dit doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Eiser heeft in de zienswijze aangegeven nog te proberen met hulp van wat informatie uit Soedan of personen die kennis hebben van de situatie aldaar, te onderbouwen waarom er meer gewicht aan de woonverklaring moet worden gehecht. Eiser heeft dergelijke aanvullende informatie echter niet aangeleverd. De toelichting door de gemachtigde van eiser op zitting dat het dorpshoofd dient te worden aangemerkt als een objectieve bron, kan de rechtbank zonder nadere motivering en onderbouwing niet volgen. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet. Schooldocument 9. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat de school niet als autoriteit kan worden aangemerkt, maar dat het schooldocument volgens eiser in onderling samenhang met de andere documenten wel als onderbouwing van zijn herkomst kan worden beschouwd. 9.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden geconcludeerd dat er geen waarde kan worden toegekend aan het schooldocument voor wat betreft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Uit de onvertaalde kopie van het schooldocument blijkt namelijk niet uit welk land het document afkomstig is. Daarnaast heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het schooldocument geen officieel identiteitsdocument is. De beroepsgrond slaagt niet. 9.2. Ten aanzien het in onderling samenhang beoordelen van het schooldocument met de andere overgelegde documenten van eiser, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 10.1. Integrale beoordeling van overgelegde documenten 10. Eiser voert aan dat uit het bestreden besluit volgt dat de door hem overgelegde documenten enkel op zichzelf zijn beoordeeld, en niet in samenhang. Eiser meent dat het beeld dat ontstaat bij het beoordelen van de documenten en zijn verklaringen in onderlinge samenhang, het aannemelijk is dat hij daadwerkelijk afkomstig is uit Soedan en de Soedanese nationaliteit heeft. Een beoordeling die enkel per document plaatsvindt, miskent volgens eiser de onderlinge versterking die de stukken kunnen hebben. 10.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gedegen onderzoek heeft verricht naar de overgelegde documenten van eiser. De minister heeft per overgelegd document een beoordeling gemaakt en uitgelegd waarom daarmee de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser nog steeds niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank kan het standpunt van eiser dan ook niet volgen, dat de documenten in samenhang een versterkende werking hebben. De beroepsgrond slaagt niet. Weging van de verklaring over het Nubisch 11. De minister stelt dat eiser niets heeft vermeld over het spreken van de Nubische taal in de opvolgende aanvraag of tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 10 december 2024. Ondanks dat eiser pas in de zienswijze heeft opgemerkt dat hij voornamelijk Nubisch spreekt, een taal die volgens eiser met name in Soedan wordt gesproken, verandert dit het standpunt van de minister ten opzichte van de geloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet. In het nader gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat de Nuba stam een gebied tussen Egypte en Noord-Soedan bewoont. Hieruit blijkt volgens de minister dat het Nubisch niet alleen in Soedan, maar ook in Egypte wordt gesproken. Verder blijkt uit het Algemeen ambtsbericht van Egypte uit 2021 dat Nubiërs ook in Egypte voorkomen. 11.1 Eiser voert aan dat hij hoofdzakelijk Nubisch spreekt, een taal die in overgrote mate in Soedan wordt gesproken. Het standpunt van de minister onderkent volgens eiser niet dat de combinatie van taal, culturele achtergrond en eerder overgelegde documenten wijzen op Soedanese herkomst. Bovendien miskent de minister het door eiser genoemde dialect en de context waarin het wordt gesproken. Het dialect binnen een stam in Noord-Soedan kan namelijk niet gelijkgesteld worden met het Nubisch dat in Egypte wordt gesproken. Volgens eiser bevat het standpunt van de minister geen enkele taalkundige onderbouwing of verwijzing naar deskundige bronnen die zijn conclusie kunnen onderbouwen. Volgens eiser is het besluit op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. 11.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser over het hoofdzakelijk spreken van Nubisch, geen onderbouwing geeft voor zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Uit de opvolgende aanvraag blijkt dat eiser niet als nieuw element of bevinding heeft aangevoerd dat hij hoofdzakelijk Nubisch spreekt. Eiser heeft hierover kort verklaard in de zienswijze, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt nadien onvoldoende onderbouwd. In tegenstelling tot hetgeen eiser stelt, is het aan hem om te onderbouwen dat het dialect dat wordt gesproken binnen een stam in Noord-Soedan niet gelijkgesteld kan worden met het Nubisch dat in Egypte voorkomt. De beroepsgrond slaagt niet. Tussenconclusie 12. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat de door eiser overgelegde documenten geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn die eisers - eerder niet geloofwaardig geachte - Soedanese identiteit, nationaliteit en herkomst thans onderbouwen. Terugkeerbesluit naar Soedan 13. De minister stelt zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit daterend van 27 juli 2011 nog steeds geldig is, ondanks dat in het terugkeerbesluit geen land van terugkeer staat genoemd . Omdat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn geacht, heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Volgens de minister is hierdoor voldoende rekening gehouden met de belangen die staan beschreven in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Een risico op schending van het non-refoulementbeginsel kan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling namelijk alleen worden onderzocht tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Hieruit vloeit voort dat in het terugkeerbesluit ook een land kan worden genoemd waarvoor een besluit- en vertrekmoratorium is ingesteld of een land waarvan in het landgebonden beleid is vermeld dat er zich de uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn . Dat eiser mogelijk naar een land zou kunnen worden teruggestuurd die zich in een oorlogssituatie bevindt, waar eiser geen sociaal vangnet heeft en meent door zijn uiterlijk en het (beperkt) spreken van de Arabisch-Soedanese taal problemen zal veroorzaken, kan volgens de minister niet worden beoordeeld. 13.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit een beoordeling van het risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Soedan ontbreekt. Eiser verwijst daarbij naar artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, waaruit volgt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn de plicht hebben om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Ook verwijst eiser naar het arrest FMS e.a. van het Hof van Justitie van 14 mei 2020 . Uit dit arrest volgt dat de bevoegde nationale autoriteit bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn met name zorg moet dragen voor de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement en dat dit moet worden beoordeeld met betrekking tot het land waarnaar wordt overwogen de betrokkene te gelasten terug te keren. Voorts verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021 . Uit deze uitspraak volgt dat het terugkeerland in het terugkeerbesluit moet worden genoemd, zodat de vreemdeling eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan zo goed mogelijk naar voren kan brengen en/of doeltreffende rechtsmiddelen tegen het terugkeerbesluit aan kan wenden. Volgens eiser strekt de onderzoeksplicht van de minister in ieder geval zover dat hij voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit dient te beoordelen of bij terugkeer van de vreemdeling naar het aangewezen terugkeerland het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Het ontbreken van een dergelijke beoordeling is volgens eiser een fundamenteel motiveringsgebrek, temeer nu algemeen bekend is dat in Soedan sinds 2023 sprake is van grootschalig willekeurig geweld en mensenrechtenschendingen. 13.2 De rechtbank oordeelt als volgt. De beoordeling van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit wordt beheerst door het Unierecht. Bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn moet het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure worden geëerbiedigd. Het verbod op refoulement is absoluut. 13.3 Naar aanleiding van prejudiciële vragen die gesteld zijn door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond , heeft het Hof van Justitie in het arrest Ararat verduidelijkt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 4 en 19, tweede lid van het Handvest , de minister verplicht om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft vervolgens in een tussenuitspraak overwogen dat, gelet op de systematiek van de vreemdelingenwet en meer in het bijzonder van de meeromvattende beschikking, uit het arrest Ararat volgt dat de minister deze actuele beoordeling van het refoulementrisico moet maken vóór de oplegging van het terugkeerbesluit, omdat in de vreemdelingenwet niet is voorzien in een zelfstandig besluit tot verwijdering. Bij uitspraak in hoger beroep tegen de einduitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond , heeft de Afdeling de hierboven genoemde tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd. Daarin heeft de Afdeling de overwegingen uit de tussenuitspraak van zittingsplaats Roermond bevestigd door te oordelen dat uit het arrest Ararat volgt dat de minister op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het Handvest, de plicht heeft een onderzoek te verrichten waarbij de minister – op grond van wat door een vreemdeling is aangevoerd, de gegevens uit het dossier én op grond van (algemene) informatie over het land van herkomst – zich er van moet vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest . Daarbij moet het gaan om een geactualiseerde beoordeling van het risico op refoulement. 13.4 Uit bovenstaande jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het opnemen van één of meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit een kenbare en actuele beoordeling moet maken van de vraag of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulementbeginsel. In tegenstelling tot hetgeen de minister in het bestreden besluit heeft gesteld, geldt dit naar het oordeel van de rechtbank óók als de nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geworden, nu bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat – voor zover de minister van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Soedan – de minister in het bestreden besluit niet heeft kunnen volstaan met de overweging dat vanwege de ongeloofwaardig geachte Soedanese identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser een beoordeling van de vrees van eiser bij terugkeer naar Soedan niet mogelijk is. 13.5. De minister heeft in zijn besluitvorming verder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2015, waaruit volgens de minister blijkt dat een risico op refoulement enkel kan worden onderzocht tegen de achtergrond van een aannemelijke nationaliteit en herkomst. Uit rechtsoverweging 5.2.1 van voornoemde Afdelingsuitspraak volgt echter dat deze conclusie is getrokken, nadat geconcludeerd is dat de vreemdeling zich in de samenwerking met de minister onvoldoende coöperatief heeft opgesteld. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt, maar dit betekent echter niet dat eiser zich niet coöperatief heeft opgesteld. 13.6 Nu de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit niet heeft beoordeeld of er bij terugkeer van eiser naar Soedan sprake zal zijn van een risico op refoulement, is er is daarom sprake van een motiveringsgebrek in de besluitvorming. De minister zal een kenbare en actuele beoordeling moeten maken van de vraag of terugkeer naar Soedan, op grond van individuele op de specifieke persoon van eiser betrekking hebbende omstandigheden en/of wel op grond van algemene informatie over dit land, strijdig is met het non-refoulement beginsel. Daarbij zal rekening gehouden moeten worden met de verklaringen van eiser en met hetgeen algemeen bekend is over Soedan. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb . De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zijn geheel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is. De minister moet onderzoeken of verwijdering van eiser naar Soedan mogelijk is, onder eerbiediging van het non-refoulementsbeginsel. Dat betekent ook dat de asielaanvraag van eiser, het verzoek om internationale bescherming, ten onrechte is afgewezen en dat ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. 15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. 16. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 1 oktober 2025; draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Afdeling Bestuursrechtspraak bij de Raad van State. Algemene wet bestuursrecht. United Nations High Commissioner for Refugees. Zie onder andere: ECLI:NL:RVS:2012:BW4349, ECLI:NL:RVS:2015:4061, ECLI:NL:RVS:2024:2265 en ECLI:NL:RVS:2024:1970. Uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970. Rapport eerste gehoor van 23 april 2010, p. 3. EDT-gehoor van 10 december 2024, p. 12 en de correcties en aanvullingen op het EDT-gehoor, p. 1. Reactie van de gemachtigde van eiser op de verklaring van onderzoek, van 19 juni 2026. Zie onder meer de Afdelingsuitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3804 r.o. 1.4. Nader gehoor van 8 april 2011, p. 4. Algemeen ambtsbericht van Egypte van 23 november 2021, p. 73-74. Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970. Zie onder andere: ECLI:NL:RVS:2012:BW4349, ECLI:NL:RVS:2015:4061, ECLI:NL:RVS:2024:2265 en ECLI:NL:RVS:2024:1970. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Hof van Justitie van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367. Afdelingsuitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155. Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 13 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3154. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, r.o. 38. Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18269, r.o. 41. Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21443. Afdelingsuitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, r.o. 13.2 en 13.3. De Algemene wet bestuursrecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353654 · 2026-09-03
