Skip to content
Case Law · Rechtbank Limburg ·ECLI:NL:RBLIM:2026:8096 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Limburg, 12-08-2026 (C/03/353645 HA ZA 26-285)

Rechtbank Limburg
Summary

Incident inzage toegwezen voldoende belang bij verkrijgen afschrift.

Full text

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/353645 / HA ZA 26-285 Vonnis in incident van 12 augustus 2026 in de zaak van [eisende partij] , wonend te [woonplaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak en in het incident, hierna te noemen: [eisende partij] , advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben, tegen [gedaagde partij] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident, hierna te noemen: [gedaagde partij] , advocaat: mr. R.P.H.W. Haas. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv, met producties 1 t/m 8, de conclusie van antwoord in het incident met producties 1 t/m 3. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1999 tot en met [datum 2] 2014. Op [datum 2] 2014 hebben zij een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin zij afspraken hebben gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van de beëindiging van hun huwelijk. Bij beschikking van [datum 3] 2014 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding uitgesproken. 2.2. Op 26 november 2015 hebben partijen aanvullende / nadere afspraken gemaakt over de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Deze hebben zij vastgelegd in een overeenkomst die door hen als “Nadere vaststellingsovereenkomst” is aangeduid. 2.3. Artikel 3.6. van de overeenkomst bepaalt: “(…) -Met betrekking tot het pand [adres] te [plaats] zijn partijen overeengekomen dat deze woning op naam wordt gezet van Partij 2 en dat Partij 1 zal worden ontslagen van haar verplichtingen uit hypotheek. Wanneer de woning wordt verkocht en indien de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten en de aantoonbaar (door nota’s en bonnen) gedane uitgaven aan onderhoud en woningverbeteringen, meer dan € 110.000,- opbrengt, zal deze opbrengst 50/50 tussen partijen worden verdeeld.(…)” 2.4. [gedaagde partij] heeft de woning in 2025 verkocht. in de hoofdzaak 2.5. [eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [gedaagde partij] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [eisende partij] in de uitvoering van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 26 november 2026 (opmerking rechtbank: bedoeld zal zijn ‘2015’) , [gedaagde partij] verplicht de tussen partijen gesloten (vaststellings)overeenkomst d.d. 26 november 2015, met als titel ‘Nadere vaststellingsovereenkomst”, van welke (vaststellings)overeenkomst een kopie als productie 2 in de procedure is gebracht, deugdelijk na te komen, waarbij [gedaagde partij] dient over te gaan tot het betalen aan [eisende partij] van de helft van de verkoopopbrengst (na aftrek van de verkoopkosten en aantoonbare kosten ter zake onderhoud en woningverbeteringen van de woning), binnen zeven (7) dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 300,00 per dag(deel), met een maximum van € 15.000,00, [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen zeven (7) dagen na datum vonnis, bij gebreke waarvan de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de dag van volledige voldoening over deze kosten verschuldigd zal zijn, Althans een beslissing te nemen die de rechtbank juist acht. 2.6. [gedaagde partij] heeft uitstel gevraagd voor het nemen van een conclusie van antwoord. in het incident 2.7. [eisende partij] vordert dat de rechtbank [gedaagde partij] veroordeelt om, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen zeven dagen na het in het incident te wijzen vonnis aan haar een afschrift verstrekt van: een kopie van de koopovereenkomst gesloten tussen [gedaagde partij] en de kopers van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] , informatie (inclusief bewijsstukken) over welke uitgaven werden gedaan door [gedaagde partij] ter zake van onderhoud en woningverbetering, een kopie van de overboeking door de notaris aan [gedaagde partij] van het aankoopbedrag (de rechtbank begrijpt: de netto verkoopopbrengst) van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] . Aan de hand daarvan kan [eisende partij] becijferen op welk bedrag zij, gelet op het bepaalde in artikel 3.6. van de vaststellingsovereenkomst nog recht heeft in verband met de verkoop van de woning, aldus [eisende partij] . 2.8. [gedaagde partij] voert verweer. Volgens hem hebben partijen in 2024 een van artikel 3.6 van de vaststellingsovereenkomst afwijkende afspraak gemaakt. Als gevolg hiervan heeft [eisende partij] onvoldoende belang bij verkrijging van een afschrift van de door haar genoemde gegevens, aldus [gedaagde partij] . 2.9. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 3 De beoordeling 3.1. In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. 3.2. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van a) bepaalde gegevens toe aan b) een partij bij een rechtsbetrekking, als zij c) daarbij voldoende belang heeft en d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikt. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet zijn belang daarbij duidelijk omschrijven en zo nodig onderbouwen. 3.3. [eisende partij] heeft voldoende feiten en omstandigheden gesteld om de conclusie te dragen dat is voldaan aan de hiervoor onder a tot en met c vermelde criteria. Daarnaast ligt in haar stellingen besloten dat zij vindt dat [gedaagde partij] over de gevraagde gegevens beschikt, zodat ook aan het onder d) genoemde criterium is voldaan. [gedaagde partij] heeft een en ander, met uitzondering van hetgeen hierna aan de orde komt in verband met de vraag of [eisende partij] voldoende belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de door haar genoemde gegevens, niet bestreden. 3.4. [gedaagde partij] betoogt dat [eisende partij] geen belang heeft bij verkrijging van een afschrift van de door [gedaagde partij] genoemde gegevens, omdat partijen volgens hem na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst van 26 november 2025, in 2024 een afspraak hebben gemaakt die afwijkt van hetgeen in artikel 3.6 van de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres] is overeengekomen. Het antwoord op de vraag of partijen in 2024 een van de vaststellingsovereenkomst afwijkende regeling zijn overeengekomen, zal - gezien het betoog van [gedaagde partij] in dit incident - naar de rechtbank aanneemt ook onderwerp van debat zijn in de hoofdzaak. Hiervan uitgaande zal het antwoord op die vraag in de hoofdzaak moeten worden gegeven. In het het kader van de beoordeling van de incidentele vordering kan hierop in ieder geval niet worden vooruit gelopen. In het verlengde hiervan kan daarom nu, in het kader van dit incident, niet worden geconcludeerd dat [eisende partij] geen dan wel onvoldoende belang heeft bij het verkrijgen van een afschrift van de hiervoor genoemde gegevens. 3.5. De vordering zal gelet op het voorgaande worden toegewezen. 3.6. [eisende partij] vordert verder om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. De rechtbank zal deze vordering, waartegen geen inhoudelijk verweer is gevoerd, toewijzen met dien verstande dat de hoogte van de gevorderde dwangsom wordt gematigd tot € 100,00 per dag tot een maximum van € 5.000,00. 3.7. De rechtbank ziet in dit incident geen aanleiding om af te wijken van het in zaken van familierechtelijke aard gebruikelijke uitgangspunt inhoudend dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4 De beslissing in het incident 4.1. veroordeelt [gedaagde partij] om binnen zeven (7) dagen na dit vonnis aan [eisende partij] een afschrift te verstrekken van: een kopie van de koopovereenkomst gesloten tussen [gedaagde partij] en de kopers van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] , informatie (inclusief bewijsstukken) over welke uitgaven zijn gedaan door [gedaagde partij] ter zake van onderhoud en woningverbetering, een kopie van de overboeking door de notaris aan [gedaagde partij] van de netto verkoopopbrengst van woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] , aan de [adres] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde partij] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00, 4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.3. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 4.4. verstaat dat de zaak is verwezen naar de rol van vandaag voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde partij] , 4.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026. Productie 4 bij dagvaarding Productie 2 bij dagvaarding