# Rechtbank Limburg, 12-08-2026 (C/03/348784 / HA ZA 26-28)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Limburg
- Identifier: ECLI:NL:RBLIM:2026:8059
- Date: 2026-08-12
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2026%3A8059
- Canonical: https://overview.legal/posts/353656

## Summary

Levering van onder andere hardware en softwarelicenties. Uitleg van de overeenkomst met betrekking tot aanvang van de looptijd. Geen rechtsgeldige opzegging.

## Full text

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/348784 / HA ZA 26-28 Vonnis van 12 augustus 2026 in de zaak van LOGIS.P B.V. , gevestigd te Zwolle, eisende partij, hierna te noemen: Logis.P, advocaat: mr. E.P.J. van de Luitgaarden, tegen STICHTING ZUYDERLAND MEDISCH CENTRUM , gevestigd te Heerlen , gedaagde partij, hierna te noemen: Zuyderland , advocaat: mr. B.C.A. Fastré. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de aanvullende producties 21 tot en met 23 aan de zijde van Logis.P - de mondelinge behandeling van 24 juni 2026. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Logis.P is een leverancier van hardware- en softwareoplossingen die de communicatie ondersteunt tussen patiënten en zorginstellingen, onder meer met haar Patient Flow Management -platform. 2.2. Zuyderland maakt deel uit van het Zuyderland Cure &amp; Care concern en exploiteert een topklinisch (STZ) ziekenhuis waar medisch specialistische zorg wordt geboden vanuit ziekenhuislocaties te Heerlen en Sittard-Geleen , alsook vanuit nevenlocaties/poliklinieken te Brunssum , Kerkrade en Echt . 2.3. Partijen hebben in 2020 een overeenkomst gesloten getiteld: ‘’Aangepast gefaseerd investeringsvoorstel Aanmeldoplossingen ten behoeve van Zuyderland Medisch Centrum ’’ (hierna te noemen: de Overeenkomst). In de Overeenkomst verbindt Logis.P zich om voor Zuyderland een gefaseerde implementatie te realiseren van een digitaal aanmeld- en registratiesysteem voor patiënten zonder tussenkomst van medewerkers van Zuyderland . 2.4. De overeenkomst omvat de levering van de hardware (zogenaamde ‘aanmeldzuilen’), softwarelicenties voor onder andere het Patient Flow Management -platform, noodzakelijke koppelingen met het elektronisch patiëntendossier (EPD) van Zuyderland alsook aanvullende diensten zoals implementatie, installatie, training, support en onderhoud. Ten aanzien van de hardwarecomponent betrof het de levering van aanmeldzuilen (hardware) door Logis.P en de daartegen overstaande betalingsverplichting van Zuyderland . 2.5. De Overeenkomst is gedateerd op 14 oktober 2020 en is van de zijde van Logis.P ondertekend op diezelfde datum. Namens Zuyderland is de Overeenkomst op 29 oktober 2020 ondertekend. Partijen zijn overeengekomen dat de Algemene Inkoopvoorwaarden Gezondheidszorg uit 2017 (hierna: AIVG) van toepassing zijn. 2.6. De Overeenkomst beoogt voor wat betreft de maandelijkse doorlopende licenties onder de softwarecomponent een duurovereenkomst voor een minimale termijn van vijf jaar. 2.7. Op 29 oktober hebben partijen – in samenhang met de Overeenkomst – ook een verwerkersovereenkomst gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over de verwerking van persoonsgegevens door Logis.P (als verwerker) ten behoeve van Zuyderland (als verwerkingsverantwoordelijke). 2.8. Zuyderland heeft de Overeenkomst opgezegd tegen 29 oktober 2025. 2.9. Logis.P stelt dat de licentie overeenkomst pas is ingegaan op 1 april 2021 en vordert betaling van Zuyderland van haar facturen over de periode van 1 november 2025 tot 1 april 2026. 3 Het geschil 3.1. Logis.p vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. Vaststelt en voor recht verklaart dat Zuderland de Overeenkomst tussen partijen van 14 en 29 oktober 2020 niet rechtsgeldig heeft opgezegd; II. Vaststelt en voor recht verklaart dat Zuyderland de Overeenkomst tussen partijen van 14 en 29 oktober 2020 niet eerder kan opzeggen dan tegen 1 april 2026; III. Vaststelt en voor recht verklaart dat Zuyderland over de periode tot 1 januari 2026 per maand een bedrag van € 27.818,93 (zegge: zevenentwintigduizend achthonderdachttien euro en drieënnegentig cent) aan Logis.P verschuldigd is en over de periode van 1 januari 2026 tot 1 april 2026 per maand een bedrag van € 27.818,93 (zeggen: zevenentwintigduizend achthonderdachttien euro en drieënnegentig cent) aan Logis.P verschuldigd is, verhoogd met indexatie op basis van het prijsindexcijfer voor personeelskosten (loon) zoals dat door de Nederlandse Zorgautoriteit zal worden vastgesteld voor het jaar 2026; IV. Zuyderland veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Logis.P een bedrag van € 27.818,93 (zegge: zevenentwintigduizend achthonderdachttien euro en drieënnegentig cent) te voldoen; V. Zuyderland veroordeelt om de facturen van Logis.P met betrekking tot de licentievergoedingen voor de door Logis.P aan Zuyderland ter beschikking gestelde software voor de maand december, ten bedrage van € 27.818,93 (zegge: zevenentwintigduizend achthonderdachttien euro en drieënnegentig cent), en voor de maanden januari tot en met maart 2026 ten bedrage van € 27.818,93 (zegge: zevenentwintigduizend achthonderdachttien euro en drieënnegentig cent), verhoogd met indexatie op basis van het prijsindexcijfer voor personeelskosten (loon) zoals dat door de Nederlandse Zorgautoriteit zal worden vastgesteld voor het jaar 2026, steeds binnen 30 dagen na factuurdatum te voldoen; VI. Zuyderland veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Logis.P te voldoen een bedrag van € 146,98 aan wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, berekend vanaf 4 december 2025 tot en met 22 december 2025; VII. Zuyderland veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Logis.P te voldoen de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 27.818,93, berekend vanaf 23 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; VIII. Zuyderland veroordeelt binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis aan Logis.P te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.053,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; IX. Zuyderland veroordeelt in de kosten van dit geding, met inbegrip van het salaris van de advocaat en de nakosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als niet binnen veertien dagen na de uitspraak door Zuyderland aan de kostenveroordeling is voldaan. 3.2. Logis.P stelt zich op het standpunt dat de looptijd van de Overeenkomst is aangevangen op 1 april 2021. Volgens Logis.P is de installatie van de software in maart 2021 afgerond en zijn de licentievergoedingen vervolgens voor het eerst per 1 april 2021 aan Zuyderland gefactureerd. Dit moment geldt volgens Logis.P als de ingangsdatum van de Overeenkomst. Dit brengt volgens Logis.P mee dat de Overeenkomst eerst tegen 1 april 2026 kon worden opgezegd. De door Zuyderland bij brief van 6 maart 2024 gedane opzegging tegen 29 oktober 2025 was volgens Logis.P dan ook niet rechtsgeldig. Logis.P stelt dat Zuyderland gehouden blijft de overeengekomen licentievergoedingen tot 1 april 2026 te voldoen. De facturen die Logis.P over de periode van 29 oktober 2025 tot en met 1 april 2026 aan Zuyderland heeft verzonden, zijn onbetaald gebleven. Logis.P stelt zich op het standpunt dat deze facturen inmiddels opeisbaar zijn en dat Zuyderland ter zake daarvan in verzuim verkeert. 3.3. Zuyderland voert verweer. Zuyderland stelt zich op het standpunt dat de looptijd van de Overeenkomst is aangevangen op 29 oktober 2020. Volgens Zuyderland komt een overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding en vangt de looptijd daarvan, behoudens andersluidende afspraken tussen partijen, in beginsel aan op het moment waarop tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt. In dit geval was dat volgens Zuyderland op 29 oktober 2020, zijnde de datum waarop de Overeenkomst door de laatste partij is ondertekend. Zuyderland wijst ter onderbouwing van haar standpunt tevens op de tussen partijen gesloten verwerkersovereenkomst. Deze overeenkomst is eveneens op 29 oktober 2020 ondertekend en bepaalt in artikel 10.1 dat de overeenkomst ingaat op de datum van ondertekening en dat de looptijd daarvan gelijk is aan de looptijd van de Overeenkomst. Volgens Zuyderland bevestigt dit dat partijen ervan uitgingen dat de relevante overeenkomsten reeds op 29 oktober 2020 in werking zijn getreden. De overeengekomen minimale contractduur van vijf jaar liep volgens Zuyderland daarom van 29 oktober 2020 tot 29 oktober 2025. De door Zuyderland gedane opzegging, met inachtneming van een opzegtermijn van negentien maanden, heeft er volgens haar toe geleid dat de Overeenkomst per die datum rechtsgeldig is geëindigd. Zuyderland concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Logis.P, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Logis.P, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Logis.P in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Aanvang looptijd 4.1. Tussen partijen is in geschil of Zuyderland de tussen partijen gesloten Overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 29 oktober 2025. Niet in geschil is dat de Overeenkomst is aangegaan voor een minimale duur van vijf jaar. Partijen verschillen echter van mening over het aanvangsmoment van die contractduur. Volgens Zuyderland is de looptijd aangevangen op 29 oktober 2020, zodat de Overeenkomst rechtsgeldig kon worden beëindigd tegen 29 oktober 2025. Logis.P stelt daarentegen dat de looptijd eerst op 1 april 2021 is aangevangen, zodat opzegging eerst mogelijk was tegen 1 april 2026. De kern van het geschil betreft derhalve de vraag op welk moment de overeengekomen minimale contractduur van vijf jaar is aangevangen. De Overeenkomst bevat geen expliciete bepaling waarin de ingangsdatum van de looptijd is vastgelegd. Voor de beantwoording van deze vraag is daarom uitleg van de Overeenkomst noodzakelijk. Bij deze uitleg zijn alle omstandigheden van het geval van belang. De rechtbank beoordeelt deze omstandigheden als volgt. 4.2. Voor de uitleg van deze overeenkomst is het van belang om vast te stellen wat de aard is van die overeenkomst. Als de hele overeenkomst is op te vatten als een duurovereenkomst (zoals Zuyderland doet), zou het in beginsel gerechtvaardigd zijn om aan te nemen dat ze ingaat op het moment van sluiten daarvan. De rechtbank stelt echter vast dat de overeenkomst tussen partijen veel meer een raamovereenkomst is dan iets anders. Zo wordt in hoofdstuk 4 van de overeenkomst (Investeringsoverzicht) onder 4.1 (Hardware) precies opgenomen welke centrale en decentrale aanmeldzuilen (met prijzen per stuk) geleverd kunnen worden, maar komt in afzonderlijke opdrachtbevestiging van 4 november 2020 (bijlage 7 bij conclusie van antwoord) de daadwerkelijke koopovereenkomst tot stand. Hetzelfde geldt voor de Basis support en additionele Service Level Agreement (SLA). In paragraaf 4.2.3 van de (raam)overeenkomst worden drie niveaus van service met bijbehorende prijzen genoemd (brons, zilver en goud), waaruit Zuyderland kan kiezen. Bij afzonderlijke Service Level Agreement van 17 februari 2022 (bijlage 5 bij conclusie van antwoord) kiest Zuyderland voor zilver en wordt de daadwerkelijke SLA gesloten. 4.3. Uit de (raam)overeenkomst blijkt dat deze opzet ook beoogd was voor de licentie. In paragraaf 4.2 van de (raam)overeenkomst (Software) wordt precies aangegeven wat de licentiekosten per component zijn. Als bijlage 2 bij die overeenkomst is een voorbeeld opgenomen van een licentie- en onderhoudsovereenkomst. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het ook ten aanzien van de levering van software diensten (licentie) de bedoeling was dat concrete inhoud en omvang daarvan in een afzonderlijke overeenkomst zouden worden opgenomen. 4.4. Vaststaat dat partijen de door hen beoogde afzonderlijke licentieovereenkomst uiteindelijk niet schriftelijk hebben uitgewerkt en ondertekend. Beide partijen hebben ter zitting bevestigd dat het aanvankelijk wel de bedoeling was om de afspraken over de softwarelicentie nog afzonderlijk vast te leggen in deze licentieovereenkomst. Dat is echter niet gebeurd. Dat neemt niet weg dat partijen vervolgens wel uitvoering hebben gegeven aan de bedoeling die zij met de licentieovereenkomst voor ogen hadden. Het ligt voor de uitleg van de raamovereenkomst en bij gebreke aan een uitwerking daarvan in een licentie overeenkomst, in de rede om voor de aanvang van het moment van licentie niet de datum van de raamovereenkomst te nemen, maar de datum waarop de licentie feitelijk is gaan lopen. 4.5. Voor de beantwoording van de vraag wanneer de minimale contractduur van de licentie is aangevangen, acht de rechtbank in het bijzonder de bepalingen in de Overeenkomst over de software van belang. Onder punt 4.2 ("Software") is onder meer bepaald: "(…)Dit betreft een jaarlijks licentiebedrag, inclusief basis ondersteuning en support, gebaseerd op een contractduur van 5 jaar. Facturatie van het softwareabonnement geschiedt per maand." Daarnaast is onder het kopje "Algemene voorwaarden" bij punt 5 opgenomen: ‘’De minimale contractuur voor de Logis.P software is 5 jaar. (…) Betaling (…) Bij software abonnement: Na installatie, daarna maandelijks vooruit (…)’’ 4.6. Logis.P heeft in dit verband aangevoerd dat de software eerst in maart 2021 is geïmplementeerd, dat de kick-off van het implementatietraject in die maand heeft plaatsgevonden en dat de eerste licentiefactuur vervolgens per 1 april 2021 is verzonden. Volgens Logis.P was het aanvankelijk weliswaar de bedoeling om de implementatie eerder te laten plaatsvinden en eerder met de facturering aan te vangen, maar is de planning aanzienlijk uitgelopen, waardoor in 2020 geen licentiekosten aan Zuyderland in rekening zijn gebracht. 4.7. Zuyderland heeft daartegenover gesteld dat reeds vóór 1 april 2021 licentiekosten in rekening zijn gebracht en heeft in dat verband verwezen naar productie 7 bij dagvaarding, waarin volgens haar een kostenoverzicht is opgenomen waaruit dat zou blijken. Logis.P heeft deze uitleg gemotiveerd weersproken en toegelicht dat het betreffende overzicht slechts de oorspronkelijke planning weergeeft en dat de fasering van het project nadien is gewijzigd, waardoor vóór 1 april 2021 geen licentiekosten zijn gefactureerd. 4.8. De rechtbank volgt Logis.P in deze toelichting. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Logis.P heeft Zuyderland haar stelling dat reeds vóór 1 april 2021 licentiekosten in rekening zijn gebracht onvoldoende onderbouwd. Het hadgelet op de betwisting door Logis.P, op de weg van Zuyderland gelegen haar stelling nader te onderbouwen met bijvoorbeeld de desbetreffende facturen of andere concrete financiële bescheiden waaruit een eerdere licentiefacturering blijkt. Dat heeft zij nagelaten. De enkele verwijzing naar het door haar overgelegde kostenoverzicht is daarvoor onvoldoende, nu daaruit niet zonder meer volgt dat de daarin opgenomen bedragen daadwerkelijk aan Zuyderland zijn gefactureerd. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat Logis.P eerst per 1 april 2021 licentiekosten aan Zuyderland in rekening heeft gebracht. 4.9. Zuyderland stelt zich verder op het standpunt dat de door Logis.P aangehaalde bepalingen uit de artikelen 4.2 en 5 van de overeenkomst uitsluitend betrekking hebben op de betalingsafspraken tussen partijen en geen zelfstandige regeling bevatten over de aanvang van de looptijd van de overeenkomst. De rechtbank volgt Zuyderland hierin niet. Hoewel deze bepaling op zichzelf primair ziet op het moment waarop de betalingsverplichting ontstaat, vormt deze bepaling wel een aanwijzing voor het moment waarop partijen de uitvoering van de licentieovereenkomst feitelijk hebben laten aanvangen. 4.10. Gelet op de tekst van de Overeenkomst, bezien in samenhang met de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering aan de Overeenkomst hebben gegeven, is de rechtbank van oordeel dat partijen een minimale contractduur van vijf jaar zijn overeengekomen, maar dat zij de aanvang van die contractduur hebben gekoppeld aan de installatie van de software en de daarop aansluitende maandelijkse facturering van het softwareabonnement. De Overeenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de uitleg dat de contractduur reeds zou aanvangen op het moment van ondertekening van de Overeenkomst of op een andere, daarvan afwijkende datum. De overeengekomen minimale contractduur van vijf jaar is derhalve op 1 april 2021 aangevangen. 4.11. Dat Logis.P niet direct en uitdrukkelijk tegen de opzegging tegen 29 oktober 2025 heeft geprotesteerd, leidt niet tot een ander oordeel.Het is juist dat Logis.P aanvankelijk vooral bezwaar heeft gemaakt tegen de financiële businesscase en heeft geprobeerd om Zuyderland ervan te overtuigen om de samenwerking met haar voort te zetten. Pas toen dat niet lukte, heeft zij expliciet aangevoerd dat de opzegging niet tegen 29 oktober 2025 kon geschieden. De rechtbank acht het begrijpelijk dat Logis P eerst op relationeel niveau probeert de situatie te redden voordat zij juridische wapenen hanteert., Daar komt bij dat Zuyderland een professionele partij is, van wie mocht worden verwacht dat zijgelet op de inhoud van de Overeenkomst en de feitelijke uitvoering daarvan, had kunnen en moeten begrijpen dat de Overeenkomst eerst per 1 april 2026 kon eindigen. Dat Logis.P haar bezwaar tegen de opzegdatum pas later expliciet heeft geformuleerd, betekent niet dat Zuyderland erop mocht vertrouwen dat de opzegging tegen 29 oktober 2025 rechtsgeldig was. 4.12. Het voorgaande brengt mee dat de door Zuyderland gedane opzegging tegen 29 oktober 2025 onjuist is geweest. De overeengekomen minimale contractduur eindigde eerst op 1 april 2026. De Overeenkomst is derhalve niet rechtsgeldig beëindigd tegen 29 oktober 2025. 4.13. Voor zover Zuyderland zich nog heeft beroepen op artikel 22 van de Algemene Inkoopvoorwaarden (AIVG), waarin is bepaald dat een Overeenkomst te allen tijde tussentijds kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, volgt de rechtbank haar daarin evenmin. Partijen hebben in de Overeenkomst immers uitdrukkelijk afgesproken dat voor de softwarelicentie een minimale contractduur van vijf jaar geldt. Daarmee hebben zij voor de opzegbaarheid van de licentieovereenkomst een specifieke regeling getroffen die afwijkt van de algemene opzeggingsregeling in de AIVG. Naar het oordeel van de rechtbank prevaleert deze specifieke, tussen partijen schriftelijk overeengekomen regeling boven de algemene bepaling uit de AIVG. Zuyderland kan zich daarom niet met succes op artikel 22 van de AIVG beroepen. Overige verweren 4.14. Zuyderland heeft zich, naast haar standpunt dat de opzegging tegen 29 oktober 2025 rechtsgeldig was, nog beroepen op rechtsverwerking, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, verrekening en ongerechtvaardigde verrijking dan wel onverschuldigde betaling. Deze verweren kunnen haar niet baten. Van rechtsverwerking is geen sprake. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan bij Logis.P het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat Logis.P haar aanspraak niet meer geldend zou maken, dan wel waardoor de positie van Zuyderland onredelijk zou worden benadeeld indien Logis.P haar recht alsnog zou uitoefenen. Dat Logis.P niet onmiddellijk na de opzegging door Zuyderland tegen 29 oktober 2025 daartegen heeft geprotesteerd, is daarvoor onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat Zuyderland de Overeenkomst bij brief van 6 maart 2024 formeel heeft opgezegd tegen 29 oktober 2025 en dat Logis.P daartegen in november 2024 bezwaar heeft gemaakt. Hoewel tussen de opzegging en het protest van Logis.P enige tijd is verstreken, levert dit tijdsverloop onder de gegeven omstandigheden geen rechtsverwerking op. Ook het beroep van Zuyderland op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. Zuyderland heeft onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Logis.P zich op de overeengekomen contractduur en de daaruit voortvloeiende opzegtermijn beroept. Het beroep op verrekening faalt eveneens. Zuyderland heeft niet voldoende duidelijk gemaakt met welke vordering zij haar gestelde verrekeningsverweer onderbouwt en op welke wijze de gestelde verrekenbare tegenvordering is ontstaan. Het enkele beroep op verrekening is daarvoor onvoldoende. Ten slotte heeft Zuyderland zich nog beroepen op ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. Ook dit verweer slaagt niet. Zuyderland heeft hieraan geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd en heeft bovendien geen daarop gebaseerde vordering in reconventie ingesteld. De door Zuyderland aangevoerde verweren treffen daarom geen doel. Motivering hoofdsom 4.15. Nu de rechtbank de vordering tot betaling van de openstaande facturen zal toewijzen, heeft Logis.P geen zelfstandig belang meer bij de door haar gevorderde verklaringen voor recht. De rechtbank zal de gevorderde verklaringen voor recht daarom wegens gebrek aan belang afwijzen. 4.16. Ten aanzien van de hoogte van de betalingsverplichting overweegt de rechtbank het volgende. Logis.P heeft met betrekking tot de facturen over de maanden januari tot en met maart 2026 aanvankelijk betaling gevorderd van € 27.818,93 per maand, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen indexatie op basis van het door de Nederlandse Zorgautoriteit vast te stellen prijsindexcijfer voor personeelskosten voor het jaar 2026. Vervolgens heeft Logis.P bij nadere productie 22 de betreffende facturen in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat de maandelijkse licentievergoeding na toepassing van de overeengekomen indexatie € 29.276,63 bedraagt. Nu Zuyderland de juistheid van deze facturen en de daarop toegepaste indexatie niet heeft betwist, zal de rechtbank van deze bedragen uitgaan. Dit brengt mee dat Zuyderland zal worden veroordeeld tot betaling van de onbetaald gebleven facturen over november en december 2025 ten bedrage van telkens € 27.818,93 en over januari, februari en maart 2026 ten bedrage van telkens € 29.276,63, derhalve in totaal een bedrag van € 143.467,75. Wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten 4.17. De door Logis.P gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen voor zover deze is gevorderd. De rechtbank stelt daarbij vast dat Logis.P uitsluitend wettelijke handelsrente heeft gevorderd over de facturen betreffende november 2025. De wettelijke handelsrente zal daarom (onweersproken) uitsluitend ten aanzien van die factuur worden toegewezen. 4.18. Nu voorts is voldaan aan de wettelijke vereisten voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, zal ook de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Proceskosten 4.19. Zuyderland is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Logis.P worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,25 - griffierecht € 7.062,00 - salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten × € 2.051,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 11.475,25 4.20. Zuyderland vordert wettelijke handelsrente over de proceskosten. Alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW is toewijsbaar over de proceskosten. Omdat de wettelijke handelsrente alleen ziet op de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst, zijn deze bepalingen niet van toepassing op vorderingen tot betaling van proceskosten (HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106). Om die reden wordt slechts de wettelijke rente over de proceskosten toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. veroordeelt Zuyderland om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan Logis.P een bedrag van € 143.467,75 te voldoen, 5.2. veroordeelt Zuyderland om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan Logis.P te voldoen een bedrag van € 146,98 aan wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, berekend vanaf 4 december 2025 tot en met 22 december 2025, 5.3. veroordeelt Zuyderland om binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan Logis.P te voldoen de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 27.818,93, berekend vanaf 23 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, 5.4. veroordeelt Zuyderland binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis aan Logis.P te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.053,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, 5.5. veroordeelt Zuyderland in de proceskosten van € 11.475,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Zuyderland niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.6. veroordeelt Zuyderland tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353656 · 2026-09-03
