Skip to content
Case Law Β· Rechtbank Amsterdam Β·ECLI:NL:RBAMS:2026:8688 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal β€” legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 19-08-2026 (K/4001/12292589)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Verzoek tot verhoging beslagvrije voet op grond van onevenredige hardheid afgewezen. Artikel 475fa Rv.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer / rekestnummer: 12292589 \ EA VERZ 26-779 Beschikking van 19 augustus 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker], procederend in persoon, tegen de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ ZORGVERZEKERAAR ZORG EN ZEKERHEID U.A. , gevestigd te Leiden, verwerende partij, hierna te noemen: Zorg en Zekerheid, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, dat blijkt uit de e-mails van [verzoeker] van 23 juni 2026, - alle aanvullende e-mails met eventuele bijlagen van [verzoeker] tot en met 11 augustus 2026, - het verweerschrift, met producties. 1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 12 augustus 2026. [verzoeker] is – onder voorafgaande afmelding – niet verschenen. Zorg en Zekerheid is verschenen bij [naam], namens de gemachtigde. Zorg en Zekerheid heeft haar standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] is bij verstekvonnis van 3 december 2025 veroordeeld tot betaling van € 1.884,67 plus € 811,78 aan proceskosten in verband met onbetaald gelaten zorgverzekeringspremie. 2.2. De gemachtigde van Zorg en Zekerheid, LAVG, heeft het vonnis op 16 januari 2026 aan [verzoeker] betekend. Daarbij is aangezegd dat [verzoeker] opgave moet doen van de inkomsten van haar en haar partner, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij een eventuele beslaglegging. 2.3. [verzoeker] heeft niet betaald en ook geen opgave gedaan van haar inkomsten. Vervolgens is op 13 april 2026 executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV. Daarbij was een beslagvrije voet van € 1.174,00 vastgesteld. De beslaglegging is op 21 april 2026 aan [verzoeker] overbetekend. Bij de overbetekening zat een modelmededeling, waarin staat op welke wijze de beslagvrije voet is vastgesteld en welke gegevens daarvoor zijn gebruikt. 2.4. Op 21 mei 2026 heeft [verzoeker] LAVG verzocht om een correctie van de beslagvrije voet. Hierop heeft LAVG op 26 mei 2026 laten weten dat zij daarvoor bepaalde aanvullende stukken nodig heeft. Deze stukken zijn op dezelfde dag door een medewerker van Sociaal Wijkteam [plaats] aan LAVG toegestuurd. Nadien gevraagde aanvullende stukken zijn daarna ook toegestuurd en ontvangen. 2.5. Op 12 juni 2026 heeft LAVG een nieuwe berekening gemaakt. Daaruit volgde dat de beslagvrije voet diende te worden verhoogd tot € 1.449,00. Op dezelfde dag heeft LAVG de verhoogde beslagvrije voet doorgegeven aan [verzoeker] en het UWV. Het UWV berichtte de nieuwe beslagvrije voet te zullen hanteren vanaf 2 juli 2026. 2.6. Ten gevolge van de verhoogde beslagvrije voet heeft LAVG op 14 juli 2026 een bedrag van € 276,00 gerestitueerd, omdat [verzoeker] in de maand juni recht had op de hogere beslagvrije voet, waarmee het UWV op dat moment nog geen rekening hield. 2.7. [verzoeker] heeft vanaf 12 juni 2026 veelvuldig met LAVG gecorrespondeerd. De strekking van deze correspondentie was dat [verzoeker] het niet eens was met de hoogte van de beslagvrije voet, met de maandelijkse uitkering op haar rekening, die lager is dan de vastgestelde beslagvrije voet, de inhouding van het vakantiegeld en de gebruikmaking van fictieve bedragen in de berekening van de beslagvrije voet, in plaats van feitelijke bedragen. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt, kort gezegd, om verhoging van de beslagvrije voet. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd, samengevat, dat LAVG een onjuiste beslagvrije voet heeft vastgesteld. Bovendien is het volledige vakantiegeld ten onrechte ingehouden. Met de vastgestelde beslagvrije voet kan [verzoeker] niet aan al haar betalingsverplichtingen voldoen, waardoor zij nog verder in de schulden raakt. 3.3. Zorg en Zekerheid verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe aan dat de beslagvrije voet is berekend met inachtneming van wet- en regelgeving en de door [verzoeker] zelf aangeleverde gegevens. De beslagvrije voet is niet te laag of onjuist vastgesteld. Voor verhoging bestaat geen reden, omdat het niet gaat om uitzonderlijke, noodzakelijke en niet (deels) via andere wegen te verlagen kosten waardoor [verzoeker] onder het bestaansminimum komt. Bovendien is in het voordeel van [verzoeker] geen rekening gehouden met de mogelijke inkomsten van de echtgenoot van [verzoeker] uit zijn eigen bedrijf en het vastgoed in Spanje dat [verzoeker] en haar echtgenoot ter verhuur aanbieden. 3.4. De (overige) standpunten van partijen komen, zo nodig, bij de beoordeling aan de orde. 4 De beoordeling 4.1. Vooropgesteld wordt dat het verzoek van [verzoeker] als een verzoek tot verhoging van de beslagvrije voet op grond van een onevenredige hardheid als bedoeld in artikel 475fa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is aangemerkt. Voor zover [verzoeker] meer of andere verzoeken heeft ingesteld, is de kantonrechter niet bevoegd daarop te beslissen. 4.2. Op grond van artikel 475fa Rv kan de kantonrechter de vastgestelde beslagvrije voet voor een bepaalde termijn verhogen. Dat is mogelijk wanneer de toepassing van de artikelen 475da tot en met 475e Rv – aan de hand waarvan de beslagvrije voet is vastgesteld – als gevolg van een omstandigheid waarmee bij die vaststelling geen rekening is gehouden, tot een kennelijke onevenredige hardheid leidt. Uit de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van dit artikel volgt dat het moet gaan om situaties waarin sprake is van uitzonderlijk hoge, noodzakelijke en niet (deels) via andere wegen te verlagen kosten waardoor de debiteur onder het bestaansminimum komt. Het beroep op de hardheidsclausule is dan ook beperkt tot uitzonderlijke, individuele situaties. Een hardheidsclausule is niet bedoeld als standaardcompensatie voor groepen mensen die niet uitkomen met de voor hen geldende beslagvrije voet. 4.3. De wijze waarop een beslagvrije voet wordt berekend is wettelijk geregeld en geschiedt aan de hand van vaste berekeningsmethoden met gestandaardiseerde bedragen. Zorg en Zekerheid heeft bij het verweerschrift de (her)berekening van de beslagvrije voet inzichtelijk gemaakt. Deze is in overeenstemming met het bij wet bepaalde en houdt rekening met de door [verzoeker] opgegeven inkomsten en uitgaven aan huur. Andere uitgaven, waaronder de kosten voor energie en voor zorgverzekeringspremie vermeerderd met de CAK-boete, worden geacht te zijn begrepen in, althans moeten worden betaald uit de beslagvrije voet. 4.4. Voor verhoging van deze beslagvrije voet op grond van een onevenredige hardheid bestaat geen aanleiding, omdat niet is komen vast te staan dat LAVG geen rekening heeft gehouden met uitzonderlijke, noodzakelijke en niet (deels) via andere wegen te verlagen kosten waardoor [verzoeker] onder het bestaansminimum komt. Uit de e-mails van [verzoeker] leidt de kantonrechter af dat zij maandelijks niet uitkomt met de vastgestelde beslagvrije voet, maar dat is op zichzelf onvoldoende reden om de beslagvrije voet op grond van artikel 475fa Rv te verhogen, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader. Dat maakt dat het verzoek van [verzoeker] moet worden afgewezen. 4.5. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat niet is gebleken dat LAVG meer gelden heeft ingehouden dan wettelijk is toegestaan. Dat wordt hierna toegelicht. 4.6. Volgens [verzoeker] heeft zij over mei 2026 recht op een netto uitkering van € 1.402,73 terwijl zij slechts € 1.001,30 heeft ontvangen. Bovendien is het volledige vakantiegeld volgens [verzoeker] ten onrechte ingehouden. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] eerst op 21 mei 2026 heeft verzocht om een correctie van de beslagvrije voet. Dat is nΓ‘ verstrijking van de termijn van vier weken als bedoeld in artikel 475i lid 3 Rv. Het beslag is op 21 april 2026 aan [verzoeker] overbetekend, zodat uiterlijk op 19 mei 2026 om een correctie van de beslagvrije voet had moeten worden verzocht om te bewerkstelligen dat LAVG met een gewijzigde beslagvrije voet rekening zou houden vanaf het moment van de beslaglegging. De herberekening van de beslagvrije voet heeft dan ook geen terugwerkende kracht tot dat moment. LAVG diende rekening te houden met de herberekende beslagvrije voet van € 1.449,00 vanaf 21 mei 2026 en dat effect is pas merkbaar in juni, omdat op 15 mei 2026 de inhoudingen over mei al plaatsvonden. Tot 21 mei 2026 – waaronder dus valt de inhoudingen in mei – bedroeg de beslagvrije voet € 1.174,00 zodat het meerdere, waaronder het vakantiegeld, onder het beslag valt. Niet is gebleken van onterechte inhoudingen. Weliswaar was dat voor de maand juni aanvankelijk het geval, maar dat had te maken met het moment van wijziging van de beslagvrije voet en is gecorrigeerd door restitutie (zie 2.6). 4.7. Dan resteert het verschil (tekort) van € 172,70 per maand. Dit bedrag heeft betrekking op de premie zorgverzekering verhoogd met de CAK-boete die wordt ingehouden door het UWV. Anders dan [verzoeker] stelt, moeten deze kosten uit de beslagvrije voet worden betaald. Dit wordt automatisch door het UWV ingehouden op de uitkering, reden waarom [verzoeker] maandelijks € 172,70 minder dan de beslagvrije voet krijgt uitgekeerd. Dat is geen tekort of dubbele inhouding: immers, als het UWV genoemd bedrag niet zou inhouden, zou [verzoeker] dit bedrag zelf uit de beslagvrije voet van € 1.449,00 moeten betalen en daardoor ook op € 1.276,30 netto uitkomen. 4.8. Het verzoek van [verzoeker] wordt op grond van het voorgaande afgewezen. 4.9. De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, gelet op de aard van de procedure. Dat betekent dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst het verzoek van [verzoeker] af, 5.2. compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. 991