Rechtbank Den Haag, 03-09-2026 (C/09/707288 / KG ZA 26-669)
Kort geding. De vordering van eisers om het OM te veroordelen een afschrift van een brief te verstrekken, met daarop de namen van de ondertekenaars, wordt toegewezen.
How it connects
References
Full text
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/707288 / KG ZA 26-669 Vonnis in kort geding van 3 september 2026 in de zaak van 1 [eiser] te [woonplaats] , 2. [eiseres] te [woonplaats] , eisers, advocaat: mr. R.A. Korver, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag, gedaagde, advocaat: mr. C.M. Bitter. Partijen worden hierna ‘ [eisers] ’ en ‘het OM’ genoemd. 1 In het kort: waar gaat de zaak over en wat is de beslissing? 1.1. Dit kort geding gaat over een brief die het OM in 2024 heeft ontvangen met als onderwerp “ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten.” In die brief wordt de euthanasie van [minderjarige] , de dochter van [eisers] genoemd. Zij is in 2023 op 17-jarige leeftijd overleden door middel van euthanasie wegens ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. Onderaan de brief staan de namen en functies van veertien artsen (voornamelijk psychiaters). De brief zelf is openbaar geworden, maar niet de identiteit van alle ondertekenaars van die brief. 1.2. [eisers] vinden dat ze door ongefundeerde beschuldigingen in de brief in hun eer en goede naam zijn aangetast. Ze hebben daar veel verdriet en last van. Zij willen de uitlatingen in de brief ter toetsing voorleggen aan de rechter, maar daarvoor is nodig dat ze de namen kennen van alle ondertekenaars van de brief. Van zes kennen ze die, van de anderen niet. Ze hebben het OM gevraagd om een kopie van de brief, met alle namen. 1.3. Het OM wil ze de brief niet geven. Het OM vindt dat hij die informatie (de namen) niet kan geven en beroept zich op een bepaling in de Wet open overheid (Woo). Het belang bij openbaarmaking van de brief moet volgens het OM wijken voor het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de ondertekenaars van de brief en van het goed functioneren van de Staat. 1.4. De voorzieningenrechter oordeelt daar anders over. De voorzieningenrechter begrijpt heel goed dat het OM wijst op die twee belangen. In beginsel moeten burgers zich tot het OM kunnen wenden in het vertrouwen dat hun informatie – binnen zekere grenzen – vertrouwelijk blijft. Dat neemt niet weg dat het OM de bevoegdheid heeft, op grond van de Woo, een uitzondering te maken op die regel als zich klemmende redenen voordoen. Als het OM in redelijkheid niet kan weigeren om de in beginsel vertrouwelijke informatie aan een verzoeker te verstrekken, kan de rechter het OM opdragen die informatie alsnog te verstrekken. Dat geval doet zich hier voor. Het OM kan in dit geval in redelijkheid niet weigeren om het verzochte afschrift aan [eisers] te verstrekken. De voorzieningenrechter draagt het OM daarom op aan het verzoek van [eisers] te voldoen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 3 juli 2026, met producties 1 tot en met 13; - de producties 1 tot en met 4 van het OM; - de akte aanvullende producties van [eisers] , met producties 14 tot en met 18. 2.2. De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 18 augustus 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en aan het procesdossier zijn toegevoegd. Partijen hebben vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen. 3 De feiten Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan. 3.1. [eisers] zijn de ouders van [minderjarige] , die op [datum] 2023 op 17-jarige leeftijd is overleden door middel van euthanasie wegens ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. De euthanasie is uitgevoerd door psychiater de heer [psychiater 1] . De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (hierna: RTE) heeft de euthanasie als zorgvuldig beoordeeld. 3.2. Op 7 mei 2024 ontving het OM een brief met als onderwerp “ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten” (hierna: de brief). De brief was gericht aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal van het OM, gedateerd 29 april 2024 en ondertekend door psychiater de heer [psychiater 2] . Onderaan de brief is vermeld dat de brief ‘tot nu toe’ wordt ondersteund door dertien artsen (voornamelijk psychiaters), onder vermelding van hun namen en functies. In deze brief staat onder meer het volgende: “O.a. in een serie recente Linkedln posts van STICHTING KEA wordt euthanasie bij psychisch lijden openlijk en indringend aangeprezen als een humane oplossing of zelfs een ‘behandeloptie’ genoemd voor wanhopige patiënten, ondersteund met emotionele verhalen van zowel kwetsbare patiënten als hun naasten. Onlangs werd het verhaal van een 17-jarige patiënte die werd geëuthanaseerd breed verspreid op social media, waarbij via STICHTING KEA zelfs het zeer persoonlijke verhaal van aangedane familieleden breed werd verspreid om te benadrukken hoe goed het was dat deze patiënte uit haar lijden verlost was en dat haar leven niet meer levenswaardig was. (…) Op grond van bovenstaande ondersteun ik dan ook als bezorgde psychiater de suggestie van [zwart gelakt] (De Stichting [zwart gelakt] namens naasten en nabestaanden) om na te gaan of de eerder genoemde casus van de 17-jarige patiënte, die onlangs overleed door euthanasie, te onderwerpen aan verkennend strafrechtelijk onderzoek, zich toespitsend op de vraag in hoeverre de naasten van deze kwetsbare patiënte, in samenwerking met de bij deze euthanasie betrokken KEA-psychiaters [psychiater 1] en [psychiater 3] , de jonge patiënte beïnvloed hebben in haar keuze voor euthanasie, waarbij er bovendien aanwijzingen zijn vanuit de door STICHTING KEA publiekelijk verspreide informatie over deze casus dat patiënte niet meer volledig wilsbekwaam haar eigen recht op leven kon beoordelen of haar eigen zorgvraag in een situatie van nood nog kon behartigen. (…)” 3.3. Naar aanleiding van deze brief vond op 8 juli 2024 een gesprek plaats tussen, namens het OM, prof. dr. mr. [naam] , de voorzitter van het College van procureurs-generaal, en twee van de psychiaters die onderaan de brief staan vermeld, de heer [psychiater 4] en de heer [psychiater 5] . 3.4. Op 19 juli 2024 verscheen in de NRC een interview met [psychiater 5] . In dat interview maakte [psychiater 5] melding van de brief en van het zojuist genoemde gesprek dat had plaatsgevonden op 8 juli 2024. 3.5. Na dit interview nam [psychiater 1] , die de euthanasie van [minderjarige] heeft uitgevoerd, contact op met het OM met het verzoek om de brief aan hem toe te sturen. Met instemming van [psychiater 2] stuurde het OM de brief op 22 juli 2024 aan [psychiater 1] . In de door het OM aan [psychiater 1] verstrekte brief is alleen de naam van [psychiater 4] (met zijn instemming) zichtbaar gelaten. De namen van de andere artsen, waaronder die van [psychiater 2] en [psychiater 5] , waren onleesbaar gemaakt (zwart gelakt). Rond deze datum heeft het OM vragen van de pers beantwoord over de brief. 3.6. Op 27 maart 2025 verzochten [eisers] het OM om de originele brief, dat wil zeggen met de (leesbare) namen van de schrijvers c.q. ondertekenaars (verder te noemen: ondertekenaars), in kopie aan hen te sturen. Daarbij beriepen [eisers] zich op de Wet open overheid (hierna: Woo). Diezelfde dag reageerde het OM afwijzend met als reden, kort gezegd, dat het OM de persoonlijke levenssfeer van de ondertekenaars moet respecteren. 3.7. [eisers] dienden op 29 september 2025 een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam (hierna: het tuchtcollege). De klacht is gericht tegen vijf van de zes bekende artsen en tegen de overige, anoniem gebleven artsen. De klacht komt er, samengevat, op neer dat de artsen diverse tuchtnormen hebben geschonden en (daarmee) niet als een zorgvuldig arts hebben gehandeld, door de brief te ondersteunen zonder kennis te hebben genomen van het dossier van [minderjarige] en zonder dat zij contact hebben gehad met haar en/of haar ouders. In het klaagschrift verzoeken [eisers] het tuchtcollege om, voordat de klacht inhoudelijk wordt behandeld, de bij naam genoemde artsen te bevelen dan wel te verzoeken om de identiteit bekend te maken van de anoniem gebleven ondertekenaars van de brief. 3.8. Op 7 november 2025 heeft de secretaris van het tuchtcollege het OM verzocht de namen, specialismen en de BIG-nummers van de anoniem gebleven artsen te verstrekken. In een brief van 9 december 2025 liet het OM weten dat het niet aan het verzoek van het tuchtcollege kon voldoen. In deze brief lichtte het OM toe dat geen sprake was van een strafbaar feit en het OM de brief niet heeft opgevat als een verzoek om strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Daarmee was er, aldus het OM, geen sprake van strafvorderlijke gegevens en is de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming op het informatieverzoek van toepassing. Volgens het OM bestaat op basis van die wet geen grond om de namen van de artsen te verstrekken. Het OM lichtte daarbij toe het belangrijk te vinden dat informatie die het vertrouwelijk ontvangt, ook vertrouwelijk behandeld wordt. 3.9. Op 4 mei 2026 heeft de voorzitter van het tuchtcollege klagers in hun klachten tegen de anoniem gebleven artsen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. In de (vrijwel identieke) beslissingen overwoog de voorzitter – samengevat – dat het tuchtcollege de namen bij het OM heeft opgevraagd, het OM gemotiveerd heeft geweigerd aan dat verzoek te voldoen en dat de voorzitter de redenering van het OM kon volgen. Verder overwoog de voorzitter dat geen grondslag in artikel 66 lid 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: wet BIG) bestaat voor het opvragen van de namen van de anoniem gebleven artsen bij de bekende artsen, en dat hij ook geen aanleiding zag om de bekende artsen toch te vragen om de namen van de anoniem gebleven artsen bekend te maken. De voorzitter oordeelde tot slot dat geen verdere inspanningen van het tuchtcollege kunnen worden gevergd en – nu zowel [eisers] als de secretaris van het tuchtcollege de namen van de artsen niet hebben kunnen achterhalen – [eisers] kennelijk niet-ontvankelijk zijn in de klachten. [eisers] hebben beroep ingesteld tegen deze beslissingen van het tuchtcollege; dat beroep loopt nog. 3.10. Op dit moment zijn de namen van zes van de veertien artsen bekend die onderaan de brief van 29 april 2024 staan vermeld. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vorderen – samengevat – dat de voorzieningenrechter het OM veroordeelt om een afschrift van de ongelakte brief van 29 april 2024 aan hen te verstrekken of daarin inzage te geven, dan wel om de identiteit van de (nog onbekende) ondertekenaars te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag met een maximum van € 100.000. Ook vorderen zij dat het OM wordt veroordeeld tot betaling van de kosten die aan deze voorlopige bewijsverrichting zijn verbonden en tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tot slot vorderen zij dat de voorzieningenrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. 4.2. [eisers] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. Het OM moet op grond van de artikelen 196 en 197 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een afschrift van de brief verstrekken waarin de identiteit van alle ondertekenaars zichtbaar (niet zwart gelakt) is. [eisers] hebben voldoende belang bij die gegevens. De brief bevat ernstige beschuldigingen: in feite wordt aan [eisers] verweten dat zij hun dochter de dood in hebben gepraat. Die uitlatingen tasten hun eer en goede naam aan en zijn onrechtmatig. [eisers] overwegen tegen de ondertekenaars bij de rechter een rectificatie, een verklaring voor recht en een schadevergoeding te eisen. Zonder kennis van de identiteit van de ondertekenaars die voor hen tot nu toe anoniem zijn gebleven, kunnen zij deze niet in rechte betrekken. Ook willen zij kunnen controleren of de anoniem gebleven artsen geen zitting hebben in het medisch tuchtcollege waar [eisers] een klacht hebben ingediend. Daarnaast is de weigering van het OM om de namen van de anoniem gebleven artsen aan [eisers] te verstrekken in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig, zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2005. Tot slot is het OM op grond van de redelijkheid en billijkheid en beginselen van rechtsstatelijkheid gehouden om de gegevens aan [eisers] te verstrekken. Door dat te weigeren, maakt het OM misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). 4.3. Het OM voert verweer. Het OM concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten en met verklaring dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn. 4.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, verder ingegaan. 5 De beoordeling van het geschil Spoedeisend belang en ontvankelijkheid 5.1. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het verweer van het OM dat [eisers] geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering. [eisers] stellen dat in de brief ongefundeerde beschuldigingen worden geuit en dat zij daardoor in hun eer en goede naam worden aangetast. Ook hebben zij toegelicht dat zij, mede gezien de grote media-aandacht voor de brief, nog steeds nadelige gevolgen ondervinden van de in de brief geuite beschuldigingen. [eisers] willen de artsen die de brief hebben ondertekend daarop, zo nodig in rechte, kunnen aanspreken. Dat lukt alleen tegen ondertekenaars van wie zij de identiteit kennen. Tijdens de zitting hebben [eisers] nog toegelicht dat zij bovendien last ondervinden van uitlatingen en intimidaties van derden, die kennelijk zijn aangeslagen op de toonzetting jegens hen in de brief. Daarmee hebben [eisers] voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. 5.2. Verder volgt uit artikel 197 lid 1 Rv dat een vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens in spoedeisende gevallen kan worden gedaan in kort geding. [eisers] kunnen dus in hun vorderingen worden ontvangen. Inhoudelijke beoordeling 5.3. De vordering van [eisers] is gegrond op het zogenoemde inzagerecht van artikel 194 Rv. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens, mits zij daarbij een voldoende belang heeft. De stellingen van [eisers] komen erop neer dat aan die vereisten is voldaan en dat het OM daarom verplicht is om de (volledig leesbare) brief aan hen te verstrekken. 5.4. Het OM betwist dat hij een afschrift van de brief aan [eisers] moet verstrekken. Het OM wijst erop dat hij geen partij is bij de rechtsbetrekking tussen [eisers] en de ondertekenaars, maar slechts een derde is, en dat de brief ‘publieke informatie’ betreft in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Volgens het OM is hij op grond van artikel 194 lid 3 Rv daarom alleen verplicht om de brief aan [eisers] te verstrekken, als hij daartoe (ook) verplicht is op grond van de Woo. In deze regel van artikel 194 lid 3 Rv ligt volgens het OM besloten dat [eisers] de brief primair via een Woo-verzoek moeten opvragen. Daar tekent het OM meteen bij aan dat een Woo-verzoek naar verwachting zal worden afgewezen. Het OM licht toe dat het belang bij openbaarmaking van de brief moet wijken voor het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degenen die de brief aan het OM hebben gestuurd (uitzonderingsgrond e van artikel 5.1 lid 2 Woo) en het goed functioneren van de Staat (uitzonderingsgrond i van artikel 5.1 lid 2 Woo). Omdat het OM niet verplicht is om de brief op grond van de Woo aan [eisers] te verstrekken, rust op het OM dus ook niet de plicht afschrift van of inzage in de (volledig leesbare) brief te verstrekken, zo stelt het OM onder verwijzing naar artikel 194 lid 3 Rv. 5.5. Om precies te zijn bepaalt de wet, in artikel 194 lid 3 Rv, het volgende: “Betreffen de gegevens publieke informatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet open overheid en is degene die over die gegevens beschikt geen partij bij de rechtsbetrekking, bedoeld in het eerste lid [van artikel 194 Rv, vzr.], dan is diegene niet verplicht tot verstrekking van inzage, afschrift of uittreksel van de verzochte gegevens voor zover die gegevens op grond van de Wet open overheid ook niet hoeven te worden verstrekt.” 5.6. De brief die het OM heeft ontvangen moet worden aangemerkt als ‘publieke informatie’. Dat spreken [eisers] niet tegen. Daarnaast is het OM geen partij bij de rechtsbetrekking zoals bedoeld in artikel 194 lid 1 Rv. [eisers] stellen namelijk dat de uitlatingen in de brief onrechtmatig zijn en zij daarom overwegen om een gerechtelijke procedure tegen de ondertekenaars van de brief te beginnen. Het is niet het OM dat onrechtmatig heeft gehandeld; het OM heeft (slechts) de brief onder zich waarmee de ondertekenaars volgens [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld. Het OM is dus een derde in de zin van het hiervoor geciteerde wetsartikel. 5.7. De voorzieningenrechter moet daarom in dit kort geding (zelf) beoordelen of het OM zich er met recht op kan beroepen dat [eisers] met een Woo-verzoek geen succes zouden hebben. Het is dus niet zo, zoals het OM verdedigt, dat [eisers] in dit geval de Woo-route moeten volgen (door een Woo-verzoek in te dienen) en de weg via de civiele rechter is afgesloten. Uit de parlementaire geschiedenis is dat ook op te maken: een verzoek om inzage of afschrift aan de overheid als derde kan zowel via de civielrechtelijke weg van artikel 194 Rv als via de bestuursrechtelijke route van de Woo worden gedaan. 5.8. Het OM doet een beroep op de uitzonderingsgronden e en i van artikel 5.1 lid 2 Woo. Het OM wijst erop dat het doel van de Woo is om het publieke debat over het optreden van de overheid mogelijk te maken, waarbij persoonlijke belangen, zoals in dit geval van [eisers] , geen rol behoren te spelen. Volgens het OM weegt het (algemene) belang op openbaarmaking van de namen van de ondertekenaars in de brief niet op tegen het belang van de bescherming de persoonlijke levenssfeer van de ondertekenaars (grond e). De namen zijn volgens het OM niet relevant voor het publieke debat over het optreden van het OM. Daarnaast ziet het OM als een zwaarwegend belang dat burgers zich vrijelijk tot hem moeten kunnen wenden met zorgen, suggesties en verzoeken zonder dat zij er rekening mee moeten houden dat deze openbaar worden gemaakt, laat staan dat hun identiteit wordt onthuld. Dat belang wordt volgens het OM beschermd door uitzonderingsgrond i: het goed functioneren van de Staat. Het risico dat openbaarmaking van de gegevens burgers terughoudend zou maken om het OM te benaderen, zou dat functioneren volgens het OM onnodig belemmeren. 5.9. De voorzieningenrechter acht het begrijpelijk dat het OM op de zojuist genoemde belangen een beroep doet en bepleit dat burgers zich tot het OM moeten kunnen wenden in het vertrouwen dat hun verzoeken – binnen zekere grenzen – vertrouwelijk worden behandeld en dat een andere benadering het goed functioneren van het OM in onze samenleving zou kunnen schaden. Dat neemt niet weg dat diezelfde Woo, in artikel 5.6 lid 1, het OM de bevoegdheid verschaft om een uitzondering te maken. Informatie die grond van artikel 5.1 Woo niet openbaar hoeft te worden gemaakt, kan wel worden verstrekt aan een verzoeker als er klemmende redenen bestaan de gevraagde informatie (toch) te verstrekken. Alleen als het OM in redelijkheid niet kan weigeren om de gevraagde informatie op grond van artikel 5.6 Woo aan een verzoeker te verstrekken, kan de rechter in kort geding het OM opdragen die informatie alsnog te verstrekken. In dit geval, onder de gegeven omstandigheden, kan het OM in redelijkheid niet weigeren aan [eisers] het verzochte afschrift te verstrekken. De voorzieningenrechter motiveert dat als volgt. 5.10. [eisers] hebben in 2023 afscheid moeten nemen van hun 17-jarige dochter [minderjarige] . Haar leven is beëindigd door euthanasie vanwege ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. De RTE heeft geoordeeld dat is gehandeld in overeenstemming met de zorgvuldigheidseisen. In de brief die het OM op 7 mei 2024 ontving is de euthanasie van [minderjarige] expliciet aangehaald. Over de precieze strekking van de brief kan worden gediscussieerd: wordt daarin nu concreet verzocht om een verkennend strafrechtelijk onderzoek naar de naasten van [minderjarige] en de psychiaters die betrokken waren bij haar euthanasie? Duidelijk is wel dat de rol van de betrokkenen bij de euthanasie van [minderjarige] (waaronder dus die van [eisers] als ouders) in de brief openlijk in twijfel wordt getrokken. Niet alleen door de vraag te stellen in hoeverre de naasten van [minderjarige] , in samenwerking met de betrokken psychiaters, haar hebben beïnvloed in de keuze voor euthanasie, maar ook door te suggereren dat er aanwijzingen zijn dat [minderjarige] niet meer volledig wilsbekwaam haar recht op leven kon beoordelen. Dat zijn serieuze suggesties die opgevat kunnen worden als beschuldigingen aan het adres van [eisers] , geuit in een brief waaraan veertien artsen zich – onder expliciete vermelding van hun naam en functie – hebben verbonden. 5.11. [eisers] hebben gemotiveerd toegelicht dat zij (nog steeds) grote gevolgen ondervinden van de in de brief geuite beschuldigingen. Zij hebben aan de hand van stukken onderbouwd dat de daarin geuite aantijgingen hen van reguliere en sociale media tot aan hun e-mail- en huisadres achtervolgen. Zij hebben verklaard dat zij zich als gevolg daarvan onveilig voelen en dat het rouwproces daardoor wordt overschaduwd. [eisers] willen de artsen die zich aan deze brief hebben verbonden daarom op de inhoud daarvan kunnen aanspreken. Dat kan vanzelfsprekend alleen als zij over de namen van die artsen beschikken. Vast staat dat op dit moment zes van de veertien artsen zich aan [eisers] bekend hebben gemaakt. De andere artsen hebben zich om onduidelijke redenen (nog) niet bij hen gemeld. [eisers] hebben via het tuchtcollege geprobeerd om de namen te achterhalen, maar dat is niet gelukt. Ook hebben zij op de zitting toegelicht dat zij, via één van de hen wel bekende artsen, het verzoek aan ondertekenaar [psychiater 2] hebben gedaan om de overige namen aan hen bekend te maken, maar daarop geen reactie hebben ontvangen. 5.12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eisers] in deze uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegend belang om de brief met daarop de namen van de artsen van het OM te ontvangen. Het achterwege blijven daarvan zou naar het oordeel van de voorzieningenrechter onevenredig nadeel voor hen opleveren. Daarbij weegt ook mee dat uit de brief niet valt af te leiden dat de ondertekenaars hebben verzocht om deze vertrouwelijk te behandelen. Dat volgt niet uit het opschrift en ook niet uit de inhoud van de brief. Bovendien heeft één van de ondertekenaars, [psychiater 5] , zelf het bestaan van de brief via de media bekend gemaakt. Van belang is verder dat het OM de brief aan [psychiater 1] , de psychiater van [minderjarige] , heeft verstrekt zonder daarbij geheimhouding door [psychiater 1] te verlangen. 5.13. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat sprake is van klemmende redenen als bedoeld in artikel 5.6 lid 1 Woo, zodat het OM in redelijkheid niet kan weigeren om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de brief (uitsluitend) aan [eisers] te verstrekken. Omdat het OM naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gehouden om de brief op grond van de Woo aan [eisers] te verstrekken, zal het OM dat (dus) ook moeten op grond van artikel 194 lid 3 Rv. 5.14. Dat betekent dat de vordering van [eisers] toewijsbaar is. De voorzieningenrechter zal het OM daarom veroordelen om binnen vijf werkdagen een afschrift van de oorspronkelijke brief aan [eisers] te verstrekken waarop de namen van alle artsen (zoals vermeld op de laatste bladzijde van de brief) zichtbaar zijn. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om – in het verlengde van artikel 5.6 lid 3 Woo – op grond van artikel 28 Rv te bepalen dat [eisers] de namen van de nu nog niet bekende ondertekenaars uitsluitend mogen gebruiken om hen rechtstreeks aan te schrijven en hen (civielrechtelijk of tuchtrechtelijk) in rechte te betrekken of om (strafrechtelijke) aangifte te doen. 5.15. [eisers] hebben gevorderd om eventuele kosten ten laste van het OM te laten komen. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk welke kosten dat kunnen zijn (het gaat alleen om verstrekking van een (ongelakte) brief). Voor toewijzing van dat deel van de vordering ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding. 5.16. Het OM heeft verklaard aan een veroordelend vonnis te zullen voldoen en dat oplegging van een dwangsom niet nodig is. De voorzieningenrechter ziet geen reden daaraan te twijfelen, zodat aan de uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling geen dwangsom zal worden verbonden. 5.17. Het OM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - dagvaarding € 151,94 - griffierecht € 341 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.858,94 5.18. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De voorzieningenrechter: 6.1. veroordeelt het OM om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis een afschrift van de brief, gedateerd 29 april 2024 en met als onderwerp “ontsporend discours over euthanasie bij psychisch lijden schaadt kwetsbare patiënten”, waarop de namen van alle artsen (zoals vermeld op de laatste bladzijde van de brief) zichtbaar zijn, aan [eisers] te verstrekken; 6.2. bepaalt dat [eisers] de namen van de nu nog niet bekende ondertekenaars uitsluitend mogen gebruiken om hen rechtstreeks aan te schrijven en hen (civielrechtelijk of tuchtrechtelijk) in rechte te betrekken of om (strafrechtelijke) aangifte te doen; 6.3. veroordeelt het OM in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, waarbij geldt dat als het OM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, het OM € 98 moet extra betalen, plus de kosten van betekening; 6.4. veroordeelt het OM in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 6.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026. fjs HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4019 ( Lycos/Pessers ). Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 52.