Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:25347 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 13-08-2026 (NL25.50418)

Rechtbank Den Haag
Summary

Asiel, Somalische nationaliteit geloofwaardig maar niet geloofwaardig dat eiseres niet ook de Tanzaniaanse nationaliteit heeft, eiseres heeft geen oprechte inspanning geleverd om aan te tonen dat zij haar Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. Beroep ongegrond.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50418 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , en haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2021, V-nummer: [V-nummer] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023, V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. S. Oukil), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: H. van Dooren). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (opvolgende) asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 3] 1988. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 5. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Ikar als tolk en de gemachtigde van de minister. 6. Zoals afgesproken op de zitting heeft eiseres na de zitting nog nadere stukken overgelegd. De minister heeft daarop gereageerd. Het onderzoek is vervolgens op 6 juli 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 7. Eiseres legt aan haar vierde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft verklaard [eiseres] te zijn, geboren op [geboortedatum 3] 1988. Eiseres stelt dat zij afkomstig is uit Somalië, dat zij lange tijd in Tanzania heeft gewoond, maar dat zij enkel de Somalische nationaliteit bezit. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiseres voor besnijdenis van haar dochter. Het bestreden besluit 8. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief: identiteit en nationaliteit. 9. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat dit asielmotief niet geloofwaardig is. Eiseres heeft dit asielmotief niet overtuigend aangetoond met documenten, waardoor de minister het asielmotief heeft beoordeeld aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw. 10. De minister werpt eiseres tegen dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hiertoe overweegt de minister als volgt. In eerdere asielprocedures is op basis van een overgelegd authentiek bevonden Tanzaniaans paspoort er van uit gegaan dat eiseres de Tanzaniaanse nationaliteit bezit. Sinds de vorige asielprocedure van eiseres gaat de minister er op basis van een overgelegd Somalisch document van uit dat eiseres zowel de Tanzaniaanse als de Somalische nationaliteit bezit. Dat eiseres in onderhavige procedure een Somalisch paspoort heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Immers, het Somalische paspoort onderbouwt niet dat eiseres alleen de Somalische nationaliteit bezit, en niet de Tanzaniaanse. Bovendien verschaft het Somalische paspoort geen duidelijkheid over de identiteit van eiseres. Het Somalische paspoort onderbouwt weliswaar de door eiseres opgegeven persoonsgegevens, te weten [eiseres] , geboren op [geboortedatum 3] 1988, maar het Tanzaniaanse paspoort van eiseres onderbouwt de eerder door eiseres opgegeven persoonsgegevens, namelijk [naam] , geboren op [geboortedatum 4] 1983. Bovendien heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over haar gestelde detentie in Tanzania vanwege haar Tanzaniaanse paspoort, nadat zij na de vorige asielprocedure naar Tanzania was teruggekeerd. 11. Verder werpt de minister tegen dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hiertoe overweegt de minister als volgt. Ten eerste heeft eiseres geruime tijd gewacht met het indienen van onderhavige asielaanvraag, terwijl zij het document wat aan deze asielaanvraag ten grondslag ligt (het Somalische paspoort) al geruime tijd in haar bezit had. Ten tweede heeft eiseres door de procedures heen tegenstrijdig verklaard over haar nationaliteit. Ten derde heeft eiseres wisselend verklaard over het verkrijgen van het Tanzaniaanse paspoort. Ten vierde overweegt de minister dat het door eiseres haar wisselende verklaringen en de daardoor ontstane aliassen, niet mogelijk is om haar identiteit vast te stellen. 12. De minister gaat ervan uit dat eiseres zowel de Tanzaniaanse als de Somalische nationaliteit bezit. De minister heeft deze geloofwaardige elementen beoordeeld op zwaarwegendheid. In dit kader overweegt de minister dat eiseres niet kan terugkeren naar Somalië, maar wel naar Tanzania. Volgens de minister heeft eiseres geen gegronde vrees voor vervolging en loopt zij bij terugkeer naar Tanzania geen reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De minister wijst de asielaanvraag van eiseres af als kennelijk ongegrond. Dat is gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw. De beroepsgronden 13. Eiseres voert aan dat de minister er ten onrechte vanuit gaat dat zij naast de Somalische, ook de Tanzaniaanse nationaliteit heeft. Eiseres betoogt dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het door haar overgelegde Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen en dat zij niet de Tanzaniaanse nationaliteit bezit. Zij heeft immers consistent verklaard over de omstandigheden waaronder zij het Tanzaniaanse paspoort heeft verkregen. Ook heeft eiseres haar Somalische nationaliteit en identiteit aannemelijk gemaakt door een origineel en echt bevonden Somalisch paspoort te overleggen. Daarnaast betoogt eiseres dat de omstandigheid dat de persoonsgegevens op het Tanzaniaanse paspoort afwijken van die op het Somalische paspoort, een sterke indicatie is dat zij niet de identiteit heeft van de persoon genoemd op het Tanzaniaanse paspoort. Eiseres benadrukt, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juni 2021, dat zij feitelijk niet twee identiteiten kan hebben. Verder meent eiseres dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door het Tanzaniaanse paspoort, waarvan eiseres al sinds 2013 aangeeft dat zij dit frauduleus heeft verkregen, niet nader te onderzoeken. Ook betoogt eiseres dat de minister zijn standpunt, dat eiseres de Tanzaniaanse nationaliteit heeft, ten onrechte mede heeft gebaseerd op de Tanzaniaanse huwelijksakte. Immers, de huwelijksakte is nooit op echtheid onderzocht. Ook hiermee heeft de minister volgens eiseres de zorgvuldigheidsplicht geschonden. Verder brengt eiseres naar voren dat uit landeninformatie blijkt dat Tanzania het niet toestaat om een dubbele nationaliteit te hebben. Nu niet in geschil is dat eiseres de Somalische nationaliteit heeft, is het juridisch gezien dus niet mogelijk dat zij ook de Tanzaniaanse nationaliteit zou hebben. Gelet op het voorgaande, meent eiseres dat zij voldoende inspanning heeft geleverd om aan de tonen dat zij niet beschikt over de Tanzaniaanse nationaliteit. Volgens eiseres volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2024 dat daarom de bewijslast verschuift naar de minister. 14. Gelet op het voorgaande, heeft de minister zich volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij de Tanzaniaanse nationaliteit bezit. Hierdoor heeft de minister ten onrechte beoordeeld of eiseres kan terugkeren naar Tanzania in plaats van Somalië. Ten slotte voert eiseres aan dat de minister in zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met artikel 8 van het EVRM en het belang van het kind. Het oordeel van rechtbank 15. De rechtbank stelt voorop dat per 12 juni 2026 het Asiel- en Migratiepact in werking is getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. Dit is tussen partijen niet in geschil. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026. 16. De rechtbank stelt vast dat met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 16 oktober 2018 in rechte is komen vast te staan dat eiseres de Somalische nationaliteit bezit. Dit laat echter onverlet dat eiseres daarnaast ook de Tanzaniaanse nationaliteit zou kunnen bezitten. Dit is ook overwogen in de uitspraak van 16 oktober 2018. Daarbij is opgemerkt dat als eiseres meent dat de Tanzaniaanse nationaliteit niettemin buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat het volgens haar op frauduleuze wijze is verkregen, het op haar weg ligt om dit aannemelijk te maken. 17. Het betoog van eiseres, dat zij geen dubbele nationaliteit kan hebben omdat Tanzania een dubbele nationaliteit niet toestaat, volgt de rechtbank niet. Immers, de persoonsgegevens op het Tanzaniaanse paspoort van eiseres verschillen van de persoonsgegevens op het Somalische paspoort van eiseres. Het valt dus niet uit te sluiten dat de Tanzaniaanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van de Somalische nationaliteit van eiseres. Ook het betoog van eiseres, dat haar Tanzaniaanse persoonsgegevens onjuist zouden zijn omdat zij immers maar één identiteit kan hebben, volgt de rechtbank niet. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiseres zichzelf in de positie heeft gebracht dat de minister twee sets van verschillende persoonsgegevens van haar heeft. Hoewel het klopt dat eiseres feitelijk maar één identiteit kan hebben, heeft de minister niet meer waarde hoeven hechten aan de Somalische persoonsgegevens dan aan de Tanzaniaanse persoonsgegevens. Beide sets van persoonsgegevens komen namelijk van originele en authentiek bevonden paspoorten. 18. Daarbij is verder van belang dat het toetsingskader voor de beoordeling van persoonsgegevens en nationaliteit, zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 14 maart 2024. Het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van de gegevens zoals vermeld in een authentiek bevonden paspoort. Als een vreemdeling stelt dat dat paspoort, of bepaalde daarin vermelde gegevens, toch buiten beschouwing moeten worden gelaten, moet hij aannemelijk maken dat dat paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. De bewijslast ligt dus in eerste plaats bij de vreemdeling. Daarbij mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij alles doet waar hij redelijkerwijs toe in staat is om van die autoriteiten een verklaring te verkrijgen waaruit blijkt of zij het betreffende paspoort aanmerken als rechtsgeldig afgegeven en/of de vreemdeling als hun onderdaan beschouwen. Dit kan de vreemdeling vanuit Nederland bijvoorbeeld doen door contact op te nemen met de diplomatieke vertegenwoordiging van het land dat het paspoort heeft afgegeven. Hierbij mag van de vreemdeling worden verwacht dat hij de wijze waarop hij dat contact heeft gelegd, en de reactie van de autoriteiten, zo veel mogelijk schriftelijk vastlegt. Ook mag worden verwacht dat de vreemdeling contact zoekt in een voor het land dat het paspoort heeft afgegeven gangbare taal, de door de betreffende autoriteiten voorgeschreven procedures volgt, de gevraagde informatie verstrekt en zo nodig rappelleert. Als de vreemdeling onvoldoende moeite heeft gedaan om een verklaring, als hiervoor bedoeld, van de autoriteiten te verkrijgen, mag de minister ervan uitgaan dat de vreemdeling de nationaliteit heeft die op het paspoort is vermeld. Als de vreemdeling een oprechte inspanning heeft geleverd om een verklaring te krijgen van de autoriteiten over de verkrijging van zijn paspoort en/of zijn nationaliteit, maar daar desondanks niet in is geslaagd, is het aan de minister om die autoriteiten te benaderen. De reactie die de minister krijgt van de autoriteiten, bepaalt hoe hij de aanvraag verder moet beoordelen. 19. De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift van eiseres blijk geeft van een onjuiste lezing van de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2004 en het daaruit volgende toetsingskader. Eiseres betoogt in haar beroepschrift dat zij een oprechte inspanning heeft geleverd om aannemelijk te maken dat zij haar Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. Daarbij verwijst zij naar de overgelegde Somalische documenten en naar haar verklaringen over het verkrijgen van het Tanzaniaanse paspoort. Uit voornoemde Afdelingsuitspraak volgt echter dat eiseres een oprechte inspanning heeft geleverd als zij er alles aan doet waar zij redelijkerwijs toe in staat is om van de Tanzaniaanse autoriteiten een verklaring te krijgen waaruit blijkt dat zij haar niet beschouwen als hun onderdaan of dat zij haar Tanzaniaanse paspoort niet aanmerking als rechtsgeldig afgegeven. Nu uit het beroepschrift niet blijkt welke stappen eiseres heeft ondernomen om aan een dergelijke verklaring te komen, kan op basis van het beroepschrift niet worden aangenomen dat eiseres een oprechte inspanning heeft geleverd om aannemelijk te maken dat haar Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze is verkregen. 20. Eiseres heeft twee dagen voor de zitting een nieuw document heeft overgelegd. Dit document betreft een brief van de Stichting voor mensen zonder verblijfsvergunning Utrecht (STIL) van 19 juni 2026 waarin de sociaal juridisch begeleider van eiseres uiteenzet welke stappen eiseres heeft ondernomen om van de Tanzaniaanse ambassade in Nederland een schriftelijke verklaring te verkrijgen. Op verzoek van de rechtbank heeft eiseres na de zitting nog de e-mailcorrespondentie tussen STIL en de Tanzaniaanse Ambassade overgelegd. 21. Uit het door eiseres overgelegde e-mailverkeer tussen STIL en de Tanzaniaanse ambassade volgt dat op 7 maart 2022, na telefonisch contact, voor het eerst per e-mail contact is opgenomen met de ambassade en dat eiseres op 14 maart 2022 een afspraak had op de ambassade. Op 21 maart 2022 heeft STIL, namens eiseres, per e-mail verzocht om een schriftelijke verklaring van de ambassade. Vervolgens heeft STIL meermaals gevraagd naar de stand van zaken. Op 7 juni 2022 heeft de Tanzaniaanse ambassade aan eiseres laten weten geen verklaring af te kunnen geven. Zij hebben eiseres in diezelfde e-mail gewezen op de mogelijkheid om middels een formulier afstand te doen van haar Tanzaniaanse nationaliteit. Als reactie op deze e-mail heeft STIL, namens eiseres, op 7 juni 2022 nog eens verzocht om een schriftelijke verklaring. Vervolgens heeft STIL op 1 september 2025 nogmaals per e-mail contact opgenomen met de Tanzaniaanse ambassade. 22. De minister heeft zich in zijn brief van 29 juni 2026 op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende oprechte inspanning heeft geleverd om aan te tonen dat zij niet over de Tanzaniaanse nationaliteit beschikt. De minister vindt hierbij van belang dat de Tanzaniaanse ambassade eiseres heeft gewezen op de mogelijkheid om afstand te doen van haar Tanzaniaanse nationaliteit, maar dat niet is gebleken dat eiseres hiervan gebruik heeft gemaakt. Eiseres heeft volgens de minister dus niet de door de autoriteiten voorgeschreven procedures gevolgd, hetgeen wel van eiseres verwacht mag worden ingevolge de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2024. Ook heeft de minister bij zijn beoordeling betrokken dat niet is gebleken dat eiseres tussen 2022 en heden nog enige inspanning heeft verricht. De minister ziet de e-mail van 1 september 2025 niet als een oprechte inspanning, nu eiseres in deze e-mail niet concreet om een schriftelijke verklaring vraagt. 23. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit voornoemde Afdelingsuitspraak volgt dat van eiseres, in haar pogingen een schriftelijke verklaring van de Tanzaniaanse autoriteiten te verkrijgen, onder meer verwacht mag worden dat zij de door de betreffende autoriteiten voorgeschreven procedures volgt, de gevraagde informatie verstrekt en zo nodig rappelleert. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiseres de door de ambassade voorgeschreven procedures heeft gevolgd. Immers, in de e-mail van 7 juni 2022 heeft de ambassade eiseres erop gewezen dat zij een formulier kan invullen om een aanvraag te doen voor opzegging van haar Tanzaniaanse nationaliteit. Niet is gebleken dat eiseres deze procedure heeft gevolgd. Verder overweegt de rechtbank dat ook niet is gebleken dat eiseres tussen 7 juni 2022 en 1 september 2025 heeft gerappelleerd of anderszins inspanningen in de zin van de uitspraak van de Afdeling heeft geleverd. 24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen oprechte inspanning heeft geleverd om aan te tonen dat zij haar Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. 25. De minister heeft terecht ongeloofwaardig geacht dat eiseres niet de Tanzaniaanse nationaliteit heeft. De minister heeft daarbij ook kunnen tegenwerpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over het verkrijgen van haar Tanzaniaanse paspoort. Tijdens haar eerste asielprocedure in 2012 verklaarde eiseres enerzijds dat zij de Tanzaniaanse nationaliteit heeft gekregen door het huwelijk met haar echtgenoot en anderzijds dat zij twee jaar voor dat huwelijk het Tanzaniaanse paspoort al kreeg. Ook heeft de minister het opmerkelijk kunnen vinden dat eiseres heeft verklaard dat zij haar geboorteakte en pasfoto’s moest overleggen om aan het Tanzaniaanse paspoort te komen, aangezien zij ook heeft verklaard dat de persoonsgegevens op dat paspoort van iemand anders zijn. Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de rol van de pastoor bij het verkrijgen van haar Tanzaniaanse paspoort. Tijdens haar tweede asielprocedure in 2017 heeft eiseres bovendien wisselend verklaard over aan wie haar man geld gegeven zou hebben voor het verkrijgen van het paspoort. De minister heeft terecht geoordeeld dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij haar Tanzaniaanse paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. De beroepsgrond slaagt niet. 26. Voor zover eiseres een beroep doet op artikel 8 van het EVRM en het belang van het kind, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft gewezen op de Tanzaniaanse wetgeving waaruit volgt dat – uitgaande van de Tanzaniaanse nationaliteit van eisers – de kinderen van eiseres ook Tanzaniaans zijn. Bij terugkeer van eiseres naar Tanzania, kunnen haar kinderen met haar mee. Aangezien eiseres en haar kinderen bij elkaar blijven, worden artikel 8 van het EVRM en het belang van het kind niet geschonden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 13 augustus 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Artikel 31, zesde lid, onder e, Vw. ECLI:NL:RVS:2021:1287, overweging 3. ECLI:NL:RVS:2024:1071. ECLI:NL:RBNHO:2018:8980. ECLI:NL:RVS:2024:1071, overweging 4. ECLI:NL:RVS:2024:1071, overweging 5. ECLI:NL:RVS:2024:1071, overweging 4. Idem.