Skip to content
Case Law · Rechtbank Oost-Brabant ·ECLI:NL:RBOBR:2026:6345 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Oost-Brabant, 02-09-2026 (12325816 \ CV EXPL 26-6032)

Rechtbank Oost-Brabant
Summary

Executie kortgeding schorsing tenuitvoerlegging ontruiming; eerder in kort geding opgelegde schorsingsvoorwaarde is overtreden. Kortgedingrechter schorst opnieuw de tenuitvoerlegging van de ontruiming onder nieuwe voorwaarden.

Full text

RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Eindhoven Zaaknummer: 12325816 \ CV EXPL 26-6032 Vonnis in kort geding van 2 september 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] V.O.F., en haar vennoten 2. [eiser 2] , 3. [eiser 3] , te [plaats] , eisende partijen, hierna te noemen: [eiser 1] , gemachtigde: mr. B. Coskun, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , te [plaats] , [land] , gedaagde partijen, hierna te noemen: [gedaagden] , gemachtigde: mr. R.G.M. Michels. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding d.d. 3 augustus 2026 met (12) producties; - de akte wijziging en vermeerdering van eis en de aanvullende producties 13 tot en met 20 van [eiser 1] ; - de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen die de gemachtigden van partijen ter gelegenheid daarvan hebben overgelegd en voorgedragen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [eiser 1] huurde van [gedaagden] zowel een bedrijfsruimte als een daarboven gelegen (niet als zodanig in gebruik zijnde) woonruimte, gelegen aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] (hierna: het gehuurde). Daartoe zijn partijen op 1 juni 2008 twee huurovereenkomsten met elkaar aangegaan. 2.2. Bij vonnis van 4 december 2025 (bekend onder zaaknummer 11540149 CV EXPL 25-1119, hierna: het bodemvonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomsten met betrekking tot het gehuurde ontbonden en [eiser 1] veroordeeld om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Ook is [eiser 1] veroordeeld tot betaling van een aantal bedragen aan [gedaagden] , waaronder een bedrag aan huurachterstand en een gebruiksvergoeding van € 5.470,18 per maand vanaf de dag van de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de dag van ontruiming van het gehuurde. 2.3. [eiser 1] heeft op 13 maart 2026 hoger beroep van het bodemvonnis aangetekend bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. 2.4. Het bodemvonnis is op 16 maart 2026 aan [eiser 1] betekend en de deurwaarder heeft daarbij de gedwongen ontruiming aangezegd tegen 8 april 2026. Op de dag van de betekening van het bodemvonnis heeft [eiser 1] een bedrag van € 19.783,38 aan de deurwaarder betaald per bank. 2.5. Bij vonnis van 12 mei 2026 (bekend onder zaaknummer 12172667 CV EXPL 26-2852, hierna: het kortgedingvonnis) heeft de kantonrechter in kort geding van deze rechtbank de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde onder 5.2 van het bodemvonnis geschorst, tot aan het eindarrest in het op dit moment aanhangige hoger beroep, zulks uitsluitend voor zover en voor zolang [eiser 1] de huurpenningen inclusief eventuele indexeringen elke maand vanaf 1 juni 2026 tijdig en volledig en zonder enig beroep op verrekening aan [gedaagden] voldoet. 2.6. Op respectievelijk 27 mei en 27 juni 2026 heeft [eiser 1] twee keer € 5.470,18 per bank betaald aan [gedaagden] 2.7. Op 6 juli 2026 heeft de gemachtigde van [gedaagden] de gemachtigde van [eiser 1] bij e-mail bericht dat [eiser 1] niet aan de schorsingsvoorwaarde van het kortgedingvonnis heeft voldaan, omdat voor de huurtermijn juli 2026 niet de daarover verschuldigde indexering is betaald. Namens [gedaagden] is aangekondigd dat zij de deurwaarder de opdracht zal geven tot gedwongen ontruiming over te gaan, tenzij [eiser 1] het gehuurde vrijwillig ontruimt. [eiser 1] heeft dat geweigerd. 2.8. Op 28 juli 2026 heeft [eiser 1] € 500,00 per bank betaald aan [gedaagden] met als omschrijving ‘Betaling onder protest indexatie’. 3 Het geschil 3.1. Na wijziging en vermeerdering van eis vordert [eiser 1] het volgende: I. de tenuitvoerlegging van de ontruimingsveroordeling onder 5.2 van het bodemvonnis te schorsen en geschorst te houden tot het eindarrest in het aanhangige hoger beroep, althans [gedaagden] te verbieden deze veroordeling ten uitvoer te leggen op grond van enig gesteld indexeringsverschil over 2025, 2026 dan wel enig toekomstig indexeringsverschil, zolang [eiser 1] vanaf de maand september 2026 een bedrag van € 4.400,- aan vaste huur zal blijven voldoen (€ 3.500,- voor de winkelruimte en € 900,- voor de woonruimte), althans een ander bedrag; II. [gedaagden] te verbieden direct of indirect, zelf of door een gerechtsdeurwaarder of derde, enige ontruimings- of executiehandeling met betrekking het gehuurde te verrichten of te laten verrichten, waaronder begrepen het betreden ter ontruiming, het wijzigen van sloten, het verwijderen van zaken of personen en het feitelijk beëindigen van de exploitatie; III. [gedaagden] te bevelen iedere reeds verstrekte opdracht tot ontruiming of executie binnen twee uur na betekening van het vonnis schriftelijk en onvoorwaardelijk in te trekken en binnen dezelfde termijn afschrift daarvan aan de gemachtigde van [eiser 1] per e-mail te verstrekken; IV. voor de toepassing van de schorsingsvoorwaarde voorlopig te bepalen dat de betaling van € 5.470,18 op 27 juni 2026 een tijdige betaling voor juli 2026 was, evenzo zulks geldt voor de maand augustus 2026, en dat de schorsing niet is vervallen omdat [gedaagden] vóór 1 juli 2026 geen hoger bedrag hadden medegedeeld en na 1 juli geen controleerbare berekening of redelijke herstelmogelijkheid hebben verstrekt; V. [gedaagden] te bevelen binnen twee werkdagen na betekening volledig en leesbaar over te leggen: (a) de algemene voorwaarden 03-56 en het bewijs van terhandstelling van deze algemene bepalingen 03-56 vóór of bij contractsluiting, (b) de volledige huur- en indexhistorie met bijbehorende betalingen vanaf 1 augustus 2008 tot en met heden, (c) alle mededelingen en afspraken over de huurwijzigingen, (d) een volledige berekening van iedere gestelde indexering/verhoging vanaf 1 augustus 2008 tot en met augustus 2026 en (e) een volledige rekening- en verantwoordingsstaat van alle ontvangen betalingen, rente en kosten; VI. bij wijze van voorlopige ordemaatregel te bepalen dat [eiser 1] tot nader rechterlijk oordeel vanaf september 2026 maandelijks € 4.400,-, althans een nader door de kantonrechter vast te stellen huursom, onder uitdrukkelijk protest dient te blijven voldoen en dat [gedaagden] deze betaling voor de werking van de schorsing als voldoende nakoming dienen te aanvaarden; VII. subsidiair, indien de kantonrechter een ander voorlopig maandbedrag aannemelijk acht, te bepalen welk bedrag rechtstreeks aan [gedaagden] dient te worden voldaan om de schorsing van de ontruiming te kunnen blijven handhaven; VIII. [gedaagden] te bevelen de reeds ontvangen € 3.000,- boven de in het exploot d.d. 16 maart 2026 uitgeschreven vaste som, de € 1.036,03 meer opgevoerde vaste proceskosten in het exploot van 16 maart 2026 en de betaling van € 500,- (in totaal € 4.536,03) te verrekenen met de nog verschuldigde huur voor de maand september 2026; IX. [gedaagden] te verbieden zich bij enige toekomstige huurbetaling op verval van de schorsing of ontruiming te beroepen, indien [eiser 1] niet ten minste een schriftelijke hersteltermijn van drie werkdagen heeft gekregen van gedaagden en verval van de schorsing enkel alsdan mag worden ingeroepen indien deze hersteltermijn door [eiser 1] ongebruikt is verstreken; X. aan de bevelen en verboden elk afzonderlijk een dwangsom te verbinden van € 50.000,- per overtreding, vermeerderd met € 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 500.000,-; XI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de werkelijke proceskosten, althans in de proceskosten conform het liquidatietarief, vermeerderd met wettelijke rente; XII. althans iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de kantonrechter passend acht om een onomkeerbare ontruiming op basis van een onduidelijke of onjuiste indexeringsberekening te voorkomen en/of een misverstand in de voldoening van de huur teneinde toekomstige nieuwe executiegeschillen te voorkomen. 3.2. [eiser 1] legt – samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag dat de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis voor wat betreft de ontruiming dient te worden geschorst omdat het bodemvonnis op een misslag rust en dat de schorsingsvoorwaarde van het kortgedingvonnis onvoldoende duidelijkheid geeft over de hoogte van het te betalen bedrag. [gedaagden] hebben nagelaten om [eiser 1] te informeren over het na indexatie te betalen bedrag. Zij maken misbruik van hun executiebevoegdheid. Daarnaast heeft [eiser 1] op 16 maart 2026 in totaal € 4.036,03 meer aan de deurwaarder voldaan, dan zij moesten betalen. [eiser 1] stelt dat haar belang bij (tijdelijk) voortgezet gebruik van het gehuurde zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden] bij ontruiming. Een ontruiming heeft onomkeerbare gevolgen voor de onderneming omdat [eiser 1] haar exploitatievergunning dan definitief zal kwijtraken. 3.3. [gedaagden] voeren – samengevat – het volgende verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen. [gedaagden] betwisten dat [eiser 1] een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. De deurwaarder heeft geen (nieuwe) ontruiming aangezegd. [gedaagden] hebben de deurwaarder verzocht de zaak ‘on hold’ te zetten in afwachting van de uitkomst van dit executiegeschil. Daarnaast is de schorsingsvoorwaarde opgelegd in het kortgedingvonnis duidelijk en staat vast dat [eiser 1] deze voorwaarde heeft overtreden door niet het bedrag inclusief indexering te betalen. In artikel 9.5 van de algemene huurvoorwaarden is bepaald dat de geïndexeerde huurprijs ook opeisbaar is als aan de huurder geen mededeling is gedaan. Dit geldt volgens [gedaagden] ook voor de te betalen gebruiksvergoeding. 3.4. Voor hetgeen partijen verder hebben aangevoerd en ten grondslag hebben gelegd aan hun vorderingen en verweren, wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling. 4 De beoordeling 4.1. De zaak kent een internationaal karakter omdat [gedaagden] in [land] wonen en [eiser 1] en haar vennoten in Nederland zijn gevestigd respectievelijk wonen. De kantonrechter is bevoegd van de vordering kennis te nemen en stelt tevens vast dat het Nederlands recht op de procedure van toepassing is. 4.2. In dit executiegeschil gaat het er in de kern om of de schorsingsvoorwaarde zoals bepaald in het kortgedingvonnis is overtreden of niet. Als [eiser 1] de voorwaarde heeft overtreden, dient beoordeeld te worden of er redenen zijn om de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis voor de ontruiming betreft opnieuw te schorsen. De formele bezwaren van [gedaagden] tegen de eisvermeerdering en de aanvullende producties 4.3. [gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering en de nagezonden aanvullende producties 14 tot en met 19 en 20. Deze stukken dienen buiten beschouwing te worden gelaten. [gedaagden] stellen in dit verband dat de akte van eisvermeerdering geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat, althans geen feiten en omstandigheden die niet in de dagvaarding hadden kunnen worden opgenomen. [gedaagden] hebben de eisvermeerdering niet meer met hun gemachtigde kunnen bespreken, zodat zij in hun verdediging worden geschaad. Volgens [gedaagden] is sprake van een verkapt hoger beroep en van schending van de goede procesorde. Productie 20 dient sowieso buiten beschouwing te worden gelaten omdat het stuk niet tijdig is ingediend. [eiser 1] heeft hier tegen ingebracht dat de eisvermeerdering met aanvullende producties tijdig is ingediend en dat productie 20 is aangekondigd, zodat daarmee rekening kon worden gehouden. 4.4. Het bezwaar van [gedaagden] ten aanzien van de eisvermeerdering en de daarbij behorende aanvullende producties 14 tot en met 19 wordt verworpen. [eiser 1] heeft de stukken meer dan 48 uur vóór de mondelinge behandeling in het geding gebracht. Dat is gelet op wat daarover in het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken is bepaald, voldoende tijdig. Daarnaast hebben vrijwel alle vorderingen inclusief de eisvermeerdering dezelfde strekking tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot ontruiming. De eisvermeerdering is daarom niet ingrijpend van aard. Tegen die achtergrond valt ook niet in te zien dat de goede procesorde is geschonden. Het bezwaar van [gedaagden] ten aanzien van productie 20 wordt daarentegen wel gehonoreerd. Productie 20 wordt buiten beschouwing gelaten omdat [eiser 1] het stuk op de dag van de mondelinge behandeling om 02:16 uur heeft ingediend. Dat is buiten de termijn van 24 uur vóór de mondelinge behandeling zoals is voorgeschreven in het hiervoor genoemde procesreglement. [eiser 1] had het stuk veel eerder in het geding kunnen brengen. Het toetsingskader in het executiegeschil 4.5. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. 4.6. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak – in dit geval het bodemvonnis – en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. Tot slot geldt dat een voorziening in kort geding slechts kan worden getroffen als de partij die de voorziening vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft en dat spoedeisend belang ook aannemelijk maakt. [eiser 1] heeft het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt 4.7. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft [eiser 1] gesteld dat [gedaagden] op 19 juli 2026 hebben aangekondigd de deurwaarder een opdracht tot gedwongen ontruiming te geven. Volgens [gedaagden] ontbreekt een spoedeisend belang omdat de deurwaarder nog geen nieuwe ontruiming heeft aangezegd en omdat de zaak bij de deurwaarder ‘on hold’ is gezet, totdat in dit kort geding is beslist. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [eiser 1] het bestaan van een spoedeisend belang voldoende onderbouwd. Hoewel vast is komen te staan dat de deurwaarder nog geen nieuwe ontruimingsdatum heeft aangezegd, blijkt uit de toelichting van [gedaagden] ter zitting dat zij het oogmerk hebben zo spoedig als mogelijk tot ontruiming over te gaan. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Het bodemvonnis bevat geen misslag 4.8. Uit het betoog van [eiser 1] begrijpt de kantonrechter dat zij meent dat de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis onvoorwaardelijk dient te worden geschorst omdat het op een misslag berust. Volgens [eiser 1] is de misslag dat zowel partijen als de bodemrechter er ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de door [gedaagden] overgelegde algemene huurvoorwaarden en de daarin opgenomen indexeringsclausule op de huurovereenkomst van toepassing zijn. Volgens [eiser 1] bestaat er geen verplichting om indexeringen te betalen. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag is pas sprake wanneer het evident is dat het beroepen vonnis op een vergissing berust. In de bodemprocedure heeft [eiser 1] geen verweer gevoerd tegen de stelling van [gedaagden] dat de door hen overgelegde huurvoorwaarden (productie 2 bij de bodemdagvaarding) op de huurovereenkomst van toepassing zijn verklaard. [eiser 1] heeft ook geen verweer gevoerd tegen de door [gedaagden] aan de indexatieclausule gegeven uitleg die indexering van de huurprijs per 1 juli inhoudt. Tegen die achtergrond mocht de bodemrechter uitgaan van de indexatieclausule zoals opgenomen in die algemene huurvoorwaarden en de daaraan gegeven uitleg, althans volgt daaruit niet dat het oordeel in het bodemvonnis berust op een evidente vergissing. Het (nieuwe) inhoudelijke verweer van [eiser 1] tegen de toepasselijkheid van de algemene huurvoorwaarden en het beroep op vernietiging van die voorwaarden zal in het hoger beroep aan de orde kunnen worden gesteld. Aangezien de kans van slagen van het hoger beroep buiten beschouwing blijft, kan bij de beoordeling van dit executiegeschil niet vooruit worden gelopen op de vraag of de beslissingen in het bodemvonnis in het hoger beroep in stand zullen blijven. [eiser 1] heeft de schorsingsvoorwaarde overtreden 4.9. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat [eiser 1] de schorsingsvoorwaarde in het kortgedingvonnis heeft overtreden. Vast staat immers dat zij op 27 juni 2026 een gebruiksvergoeding voor de maand juli 2026 aan [gedaagden] van € 5.470,18 heeft betaald, zonder dat bedrag te verhogen met de geldende indexering. In de uitleg die [eiser 1] geeft aan de bewoordingen ‘voor zover en voor zolang’ in de schorsingsvoorwaarde kan zij niet worden gevolgd. In het kortgedingvonnis is beslist dat de tenuitvoerlegging alleen wordt geschorst als [eiser 1] aan haar betalingsverplichting voldoet en aan die verplichting heeft zij niet volledig voldaan. [eiser 1] kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat de indexatie haar van te voren moest worden meegedeeld. Het lag op de weg van [eiser 1] om de indexatie, ook zonder mededeling vooraf van [gedaagden] tijdig te voldoen. Daar komt bij dat [eiser 1] niet eens de moeite heeft gedaan om vooraf bij [gedaagden] te informeren naar de omvang van de indexering. Dat betaling van de indexatie haar vanwege het ontbreken van noodzakelijk gegevens feitelijk werd verhinderd, heeft [eiser 1] niet onderbouwd. Nu [eiser 1] de schorsingsvoorwaarde heeft overtreden is de schorsing van de tenuitvoerlegging in het kortgedingvonnis komen te vervallen. De tenuitvoerlegging van het bodemvonnis wordt opnieuw geschorst. 4.10. Niettemin ziet de kantonrechter aanleiding om de tenuitvoerlegging opnieuw en onder voorwaarden te schorsen. Daarbij neemt hij het volgende in aanmerking. In het kortgedingvonnis heeft de rechter (in r.o. 4.8.) de belangen van partijen afgewogen. Die belangenafweging valt in deze procedure niet anders uit en maakt de kantonrechter tot de zijne. In de bodemprocedure debatteren partijen mede over de vraag of [eiser 1] indexatie verschuldigd is. Zoals hierboven is overwogen, blijft de kantonrechter daar in deze kort geding procedure buiten. In het bodemvonnis is [eiser 1] onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.470,18 per maand (niet meer en niet minder) ter zake gebruiksvergoeding vanaf de dag van ontbinding tot de dag van ontruiming. De kantonrechter zal aan de schorsing van de tenuitvoerlegging als (nieuwe) voorwaarde verbinden dat [eiser 1] die gebruiksvergoeding telkens tijdig voldoet, zonder enig beroep op verrekening, tot aan het eindarrest van het thans aanhangige hoger beroep. 4.11. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de tenuitvoerlegging van het bodemvonnis zal worden geschorst zoals in de beslissing bepaald. Het onder I, II, III, IV, VI, VII, IX en XII meer en/of anders gevorderde zal bij gebrek aan belang worden afgewezen. De onder X gevorderde daaraan verbonden dwangsommen volgen hetzelfde lot. De overige vorderingen (V en VIII) worden afgewezen 4.12. Onder V heeft [eiser 1] gevorderd dat [gedaagden] wordt bevolen diverse stukken te overleggen. Blijkens de dagvaarding is die vordering gestoeld op artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 22 Rv vormt geen zelfstandige grondslag voor een vordering van een partij om inzicht te krijgen in bepaalde informatie of stukken, maar is een bevoegdheid aan de rechter om (een van) partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende gegevens over te leggen. In deze zaak ziet de kantonrechter daar overigens geen aanleiding toe. Verder heeft [eiser 1] ter zitting genoemd dat het verzoek mede is gebaseerd op de artikelen 194 en 195 Rv. Hoewel [eiser 1] verder niet is ingegaan op de wettelijke eisen voor een inzageverzoek gebaseerd op die artikelen, is deze vordering in dit geval om een andere reden niet toewijsbaar. Dit wordt als volgt toegelicht. 4.13. In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv, eerste volzin, recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Een dergelijk inzageverzoek kan in beginsel slechts worden gedaan in een lopende procedure, bijvoorbeeld in de inleidende dagvaarding, of bij een nadere of incidentele conclusie, en (uiteraard) aan de rechter die de desbetreffende (hoofd)zaak behandelt. Dat is in dit geval (in beginsel) het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Alleen in uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om de kortgedingrechter te verzoeken een bevel tot inzage te geven tijdens een lopende procedure, namelijk indien sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat de beslissing van de behandelend rechter niet kan worden afgewacht. [eiser 1] heeft in het geheel niet toegelicht waarom in dit geval sprake is van een bijzondere mate van spoedeisendheid. Voor zover [eiser 1] meent dat de stukken relevant kunnen zijn voor het hoger beroep, heeft zij voldoende processuele mogelijkheden om haar wensen aan het hof uiteen te zetten en bijvoorbeeld uitstel te vragen voor het indienen van de memorie van grieven totdat op een eventuele incidentele inzagevordering is beslist. De vordering onder V zal daarom worden afgewezen. 4.14. De vordering onder VIII is dusdanig onbegrijpelijk geformuleerd dat deze vordering alleen al om die reden niet toewijsbaar is. Een schuldenaar dient zelf een beroep te doen op verrekening. De rechter kan een schuldeiser niet bevelen tot verrekening over te gaan. Daarvoor bestaat geen grondslag. De proceskosten 4.15. [eiser 1] heeft gevorderd dat [gedaagden] in de werkelijke proceskosten worden veroordeeld. Hieraan heeft [eiser 1] ten grondslag gelegd dat [gedaagden] de hoogte van het te betalen bedrag na indexatie niet hebben doorgegeven. Volgens [eiser 1] hebben [gedaagden] op ontruiming aangestuurd. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten. Volgens vaste jurisprudentie is een dergelijke vordering in beginsel alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan kan sprake zijn als een partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [eiser 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat hiervan sprake is. Partijen verschillen inhoudelijk van mening of de schorsingsvoorwaarde is overtreden of niet. Al wordt in deze procedure anders beslist, is het standpunt van [gedaagden] een op zichzelf verdedigbaar juridisch standpunt. Het is niet een zodanig onjuist standpunt dat bij voorbaat geen kans van slagen heeft. Verder geldt dat in het bodemvonnis is overwogen dat in artikel 9.5 van de algemene huurwaarden is bepaald dat indexeringen ook opeisbaar zijn als geen afzonderlijke mededeling is gedaan. Hiervoor bestaat dus geen verplichting van de verhuurder. [eiser 1] heeft zich dat kennelijk niet voldoende of pas te laat gerealiseerd. Dat [gedaagden] [eiser 1] niet over de indexering heeft geïnformeerd, is daarom geen reden om misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan te nemen. 4.16. Partijen zijn familie van elkaar. Gelet daarop ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing onder 5.2. van het bodemvonnis (van 4 december 2025, zaaknummer 11540149 CV EXPL 25-1119) tot aan het eindarrest in het thans aanhangige hoger beroep tegen dat bodemvonnis, uitsluitend voor zover en voor zolang [eiser 1] een bedrag van € 5.470,18 per maand (€ 4.270,18 voor de bedrijfsruimte en € 1.200,00 voor de woonruimte) ter zake gebruiksvergoeding tijdig en volledig en zonder enig beroep op verrekening aan [gedaagden] voldoet; 5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.