# Rechtbank Noord-Holland, 02-09-2026 (C/15/379562 / KG ZA 26-376)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Noord-Holland
- Identifier: ECLI:NL:RBNHO:2026:11306
- Date: 2026-09-02
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBNHO%3A2026%3A11306
- Canonical: https://overview.legal/posts/353666

## Summary

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voor de tijdvakken 2019 tot en met 2025 voldoende aanwezig is en dat het geschil zich leent voor afdoening in kort geding. Van een fishing expedition is geen sprake; de Belastingdienst blijft binnen de grenzen van haar bevoegdheid en handelt volgens beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is (dan ook) geen sprake van schending van de AVG en van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat de gevorderde opgave van de aanwezigen bij de door de business club georganiseerde evenementen te ver gaat. Het privacy karakter van deze gegevens is nogal hoog en de Belastingdienst kan vragen over die evenementen na ontvangst van de personalia ook aan de betrokken belastingplichtigen stellen. Met uitzondering van de naam op de winkelpas moeten voor het overige de gevraagde gegevens worden verstrekt. De dwangsom wordt opgelegd in een beperktere omvang en in een iets gematigder modaliteit dan gevorderd.

## Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/379562 / KG ZA 26-376 Vonnis in kort geding van 2 september 2026 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN, DIRECTORAAT-GENERAAL BELASTINGDIENST) , te Den Haag, eisende partij, hierna te noemen: de Belastingdienst, advocaten: mr. W.I. Wisman, mr. T Gillhaus, mr. G.J. Harryvan en mr. L.J. Overwater, tegen [gedaagde] B.V. , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaten: mr. R. Jeronimus, mr. T. Welschen en mr. M.N.H. Hintzen. 1 De zaak in het kort 1.1. [gedaagde] exploiteert een keten van luxe herenmodezaken en biedt haar klanten de mogelijkheid om lid te worden van de door haar in het leven geroepen [gedaagde] Business Club (hierna: de business club). Het lidmaatschap geeft recht op een shoptegoed en op deelname aan verschillende besloten evenementen. Tussen de Belastingdienst en [gedaagde] is in geschil of [gedaagde] gegevens over leden van haar business club moet verstrekken. [gedaagde] meent dat de wettelijke bevoegdheid om derdenonderzoek bij een administratieplichtige te doen niet zo ruim is dat het de Belastingdienst toestaat om eerst een populatie te creëren en daarna pas te bepalen of, bij wie en waarom een fiscale vraag speelt. De aanleiding voor het onderzoek blijft volgens haar ook onduidelijk. Het geschil ziet volgens [gedaagde] op een principiële vraag en leent zich daarom niet voor behandeling in kort geding. [gedaagde] voert daarnaast onder meer aan dat het spoedeisend belang ontbreekt, sprake is van een fishing expedition en de gevraagde voorziening een ontoelaatbare en ernstige inmenging vormt in de privacy en gegevensbescherming van haar klanten. 1.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang voor de tijdvakken 2019 tot en met 2025 voldoende aanwezig is en dat het geschil zich leent voor afdoening in kort geding. Van een fishing expedition is geen sprake; de Belastingdienst blijft binnen de grenzen van haar bevoegdheid en handelt volgens beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is (dan ook) geen sprake van schending van de AVG en van artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter is wel van oordeel dat de gevorderde opgave van de aanwezigen bij de door de business club georganiseerde evenementen te ver gaat. Het privacy karakter van deze gegevens is nogal hoog en de Belastingdienst kan vragen over die evenementen na ontvangst van de personalia ook aan de betrokken belastingplichtigen stellen. Met uitzondering van de naam op de winkelpas moeten voor het overige de gevraagde gegevens worden verstrekt. De dwangsom wordt opgelegd in een beperktere omvang en in een iets gematigder modaliteit dan gevorderd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 23 producties - de conclusie van antwoord met 6 producties - de aanvullende producties 7, 8 en 9 van de kant van [gedaagde] - de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de Belastingdienst - de pleitnota van [gedaagde] . 3 De feiten 3.1. [gedaagde] exploiteert een keten van luxe herenmodezaken en biedt haar klanten de mogelijkheid om lid te worden van de door haar in het leven geroepen [gedaagde] Business Club (hierna: de business club). Het lidmaatschap geeft recht op een shoptegoed en op deelname aan verschillende besloten evenementen, zoals diners, borrels, sporttoernooien, wijnproeverijen en reizen naar Napels of Antwerpen. Het lidmaatschap kan ook op naam van een rechtspersoon of onderneming worden aangegaan. 3.2. Het recht op een shoptegoed staat niet vermeld op de facturen die [gedaagde] aan haar leden uitreikt, maar blijkt uit een brochure die naast de factuur wordt verstrekt. In de brochure staat het volgende over de soorten lidmaatschap en daarbij behorende tarieven: SILVER AMBASSADOR* Bij de eenmalige inleg van € 6050 ontvangt u een tegoed van € 6655 GOLD AMBASSADOR* Bij de eenmalige inleg van € 9075 ontvangt u een tegoed van € 10.210 PLATINUM AMBASSADOR* Bij de eenmalige inleg van € 12.100 ontvangt u een tegoed van € 13.915 (In een recentere brochure worden bedragen van € 24.200 resp. € 28.000 vermeld.) *Voorwaarden: - (…). - Het tegoed wordt verrekend met bruto de aankoopbedragen (de prijzen welke op prijskaartjes vermeld staan). - (…). -Tegoed is 1 jaar na uitgifte Membershippas geldig -Restant tegoed Membership not refundable 3.3. De Belastingdienst heeft op 3 januari 2025 telefonisch aangekondigd op grond van artikel 47 jo 53 AWR bij [gedaagde] een onderzoek te zullen starten. Op 22 januari 2025 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft daarin onder meer gevraagd om informatie over de leden van de business club en de activiteiten die in het kader daarvan worden georganiseerd. [gedaagde] heeft het een en ander aan informatie verstrekt, maar geweigerd informatie te verschaffen die tot individuele leden kan worden herleid. [gedaagde] heeft aangegeven dat het haar niet duidelijk is welk heffingsbelang met de gevraagde informatie is gemoeid. In een email van 22 april 2025 licht de Belastingdienst het heffingsbelang als volgt toe: Voor wat betreft uw opmerking omtrent het feit dat het u en uw cliënte niet duidelijk is op welk heffingsbelang wij doelen: dit ziet op de wijze waarop de door [gedaagde] verstrekte kleding op basis van de uitgegeven ledenpas mogelijk in aangiften vennootschaps-, dividend-, omzet-, loon- en/of inkomstenbelasting dient te worden verwerkt (afhankelijk van de persoon aan wie kleding is verstrekt). In dit verband verwijzen wij tevens naar de door [gedaagde] opgenomen disclaimer in de brochure die ziet op de verantwoordelijkheid van de deelnemers aan de [gedaagde] Business Club ten aanzien van de verwerking van de lidmaatschappen in de financiële administratie en de aangifte inkomstenbelasting. 3.4. Daarna heeft uitvoerig contact tussen partijen plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een concretisering van het informatieverzoek bij brief van 16 juli 2025. De Belastingdienst heeft daarin over 2020 tot en met 2024 de volgende informatie gevraagd: 1. Een overzicht per jaar waaruit de volgende gegevens blijken: - Naam van het lid - Naam die op de winkelpas staat vermeld - Adres waarop het lidmaatschap is afgegeven - Postcode en woonplaats - Soort lidmaatschap met bijbehorend shoptegoed - Betaald bedrag per lidmaatschap - Ingangsdatum lidmaatschap 2. Het ongebruikte bestedingsbedrag van leden die het aan hun lidmaatschap gekoppelde bestedingsbedrag niet volledig hebben uitgegeven. Graag ontvangen wij de gegevens in Excel waarbij per apart veld de gevraagde gegevens worden vermeld. 3.5. [gedaagde] heeft verzocht de termijn voor het verstrekken van de informatie te verlengen tot 13 oktober 2025. De Belastingdienst heeft daarmee ingestemd. De gevraagde (herleidbare) informatie is vervolgens opnieuw niet verstrekt. Ook nadien heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden, opnieuw zonder dat dit tot verstrekking van de door de Belastingdienst verlangde informatie heeft geleid. Deze fase is op 25 maart 2026 afgesloten met een aankondiging van een kort geding, gevolgd door een sommatie op 13 mei 2026 (met daarbij gevoegd een concept dagvaarding) waarin de Belastingdienst een laatste mogelijkheid biedt om de informatie uiterlijk op 29 mei 2026 te verstrekken. 3.6. [gedaagde] heeft op 27 mei 2026 laten weten niet aan de sommatie te zullen voldoen. Dit heeft geleid tot het onderhavige kort geding. 4 Het geschil 4.1. De Belastingdienst vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen twee weken volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de door de Belastingdienst op grond van artikelen 53, 47 en 49 AWR verzochte informatie voor de jaren 2019 tot en met heden, te weten: 1. een overzicht per jaar waaruit de volgende gegevens blijken: - naam van het lid - naam die op de winkelpas staat vermeld - adres waarop het lidmaatschap is afgegeven - soort lidmaatschap met bijbehorend shoptegoed - betaald bedrag per lidmaatschap - ingangsdatum lidmaatschap; 2. het ongebruikte bestedingsbedrag van leden die het aan hun lidmaatschap gekoppelde bestedingsbedrag niet volledig hebben uitgegeven; een en ander in Excel waarbij per apart veld de gevraagde gegevens dienen te worden vermeld; 3. alle betaalbewijzen en facturen die betrekking hebben op (de betaling van) de lidmaatschappen van de business club en een opgaaf van de aanwezige personen bij de evenementen die zijn georganiseerd; dit op straffe van verbeurte van een op te leggen dwangsom ter hoogte van € 25.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] met de nakoming van deze verplichting in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.500.000,- is bereikt en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen vonnis. Standpunt van de Belastingdienst 4.2. De Belastingdienst legt het volgende ten grondslag aan haar vordering. 4.3. De Belastingdienst stelt aanwijzingen te hebben dat het door [gedaagde] aangeboden lidmaatschap mede wordt ingezet om persoonlijke uitgaven (de aanschaf van kleding of deelname aan evenementen) ‘om te katten’ naar een zakelijke kostenpost in de vorm van het lidmaatschapsgeld. De Belastingdienst stelt daarbij voorop dat de aankoop van kleding niet als zakelijke kostenpost kan worden beschouwd, behoudens enkele uitzonderingen, die zich niet snel voordoen. Personen die kleding kopen bij de winkelketen zouden de kosten daarvan daarom in beginsel niet ten laste van het resultaat van hun onderneming mogen brengen en de in rekening gebrachte btw niet mogen terugvragen. 4.4. De Belastingdienst merkt verder op dat, voor zover kleding door een onderneming of rechtspersoon wordt aangeschaft ten behoeve van een werknemer, bestuurder en/of aandeelhouder, loonbelasting en dividendbelasting verschuldigd kunnen zijn. Verder plaatst zij vraagtekens bij de fiscale behandeling van de kosten die verband houden met deelname aan de evenementen. Of die kosten een zakelijk karakter hebben, is volgens de Belastingdienst sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. 4.5. De Belastingdienst stelt dat artikel 47 AWR haar een zeer ruime bevoegdheid biedt om informatie bij de belastingplichtige op te vragen. Van voldoende belang bij de gevraagde gegevens is reeds sprake wanneer deze op zichzelf beschouwd van belang kunnen zijn voor de belastingheffing. De gegevens mogen ook worden gebruikt om andere gegevens te controleren. Een belastingplichtige kan zich niet aan een informatieverplichting onttrekken met het argument dat de Belastingdienst de informatie ook langs andere weg kan verkrijgen. 4.6. Op grond van artikel 53 lid 1 AWR is deze informatieplicht van overeenkomstige toepassing op administratieplichtigen, zoals [gedaagde] . De Belastingdienst heeft volgens haar de bevoegdheid om bij derden te controleren of door belastingplichtigen verstrekte informatie juist is en om ontbrekende informatie aan te vullen. 4.7. Het recht op inzage is volgens de Belastingdienst niet beperkt tot specifiek aangeduide boeken en bescheiden. Evenmin hoeft vooraf te worden gespecificeerd op welke individuele derden de uitvraag ziet. De Belastingdienst mag zogenoemde serievragen stellen en daarmee in één keer fiscaal relevante gegevens over een groot aantal belastingplichtigen opvragen. Alle gegevens die redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de belastingheffing van derden kunnen volgens de Belastingdienst worden verlangd. 4.8. De Belastingdienst stelt voorts dat nakoming van deze informatieverplichting volgens vaste rechtspraak langs civielrechtelijke weg en op straffe van een dwangsom kan worden afgedwongen, ook wanneer de informatieverplichting op een derde rust. 4.9. Met de gevraagde informatie wil de Belastingdienst in kaart brengen in hoeverre, bij wie en op welke wijze de kosten en baten van het lidmaatschap eventueel alsnog in de belastingheffing moeten worden betrokken. Daarvoor zijn volgens haar onder meer de namen en adresgegevens van de leden, gegevens over besteding van het shoptegoed en gegevens over deelnemers aan de aangeboden evenementen nodig. Standpunt van [gedaagde] 4.10. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Belastingdienst en veroordeling van de Belastingdienst in de proceskosten. Subsidiair verzoekt [gedaagde] om prejudiciële vragen stellen aan de Hoge Raad over de reikwijdte van artikel 47 en 53 AWR in relatie tot de AVG en het EVRM bij ongerichte bulk uitvragen aan administratieplichtigen. Meer subsidiair verzoekt [gedaagde] – samengevat – om de voorziening te beperken, te faseren en te clausuleren. Onder meer door de termijn op ten minste zes weken na betekening van het te wijzen vonnis te zetten, de dwangsom achterwege te laten of aanzienlijk te matigen en aan het bevel de voorwaarde te verbinden dat de Belastingdienst de betrokken leden binnen twee weken na ontvangst van de gegevens schriftelijk informeert over het feit dat hun persoonsgegeven door een derde zijn verstrekt, het doel van de verwerking en hun rechten onder de AVG. Ook vraagt [gedaagde] om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat herleidbare gegevens pas worden verstrekt nadat de in het vonnis bepaalde waarborgen zijn uitgevoerd. 4.11. [gedaagde] voert onder meer aan dat dat de artikelen 53 juncto 47 AWR niet zo ruim zijn dat zij het onderhavige informatieverzoek kunnen dragen. Artikel 53 AWR laat weliswaar serievragen toe, maar uitsluitend binnen het doel van artikel 47 AWR. De gevraagde gegevens moeten in redelijkheid van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van derden. Deze ruime maatstaf geeft de Belastingdienst volgens [gedaagde] niet de bevoegdheid om eerst een populatie te creëren en daarna pas te bepalen of, bij wie en waarom een fiscale vraag speelt. De aanleiding voor het onderzoek blijft volgens haar bovendien onduidelijk. 4.12. De uitvraag is volgens [gedaagde] disproportioneel, omdat zij alle leden raakt, ook particulieren en ondernemers ten aanzien van wie geen concrete aanwijzing bestaat. De gegevens vormen volgens haar geen controlemiddel voor een reeds bestaande fiscale vraag, maar een adressenbestand voor vervolgonderzoek. Daarmee schuift artikel 53 AWR op van verificatie-instrument naar selectie-instrument, en wordt de bevoegdheid door de Belastingdienst verder en verder opgerekt. 4.13. [gedaagde] stelt dat de rechtspraak waarop de Belastingdienst zich beroept oud of te algemeen is. Het arrest Stad Rotterdam uit 1974 is volgens haar de enige uitspraak van de Hoge Raad waarop de Belastingdienst zich in deze zaak werkelijk kan baseren. Door technologische ontwikkelingen is dat arrest volgens [gedaagde] inmiddels achterhaald. [gedaagde] stelt dat in deze casus een principiële, door de Hoge Raad nog niet beantwoorde vraag voorligt: hoe ver reikt artikel 53 AWR bij een hedendaagse bulk uitvraag van direct herleidbare persoonsgegevens van niet-geïndividualiseerde derden? Die vraag leent zich volgens [gedaagde] vanwege haar principiële karakter niet voor beslechting in kort geding. 4.14. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat de gevraagde voorziening een ontoelaatbare en ernstige inmenging vormt in de privacy en gegevensbescherming van haar klanten. Het gaat niet alleen om namen en adressen, maar ook om het soort lidmaatschap, de omvang van het shoptegoed, betaalde bedragen, resterende tegoeden, facturen, betaalbewijzen en aanwezigheid bij besloten evenementen. Daardoor ontstaat volgens haar een samengesteld beeld van de commerciële relatie van al deze klanten met [gedaagde] , financiële keuzes, representatieve bestedingen, netwerkactiviteiten en fysieke aanwezigheid bij sociale en zakelijke bijeenkomsten. Zij beroept zich in dit verband op artikel 8 EVRM. 4.15. [gedaagde] beroept zich voorts op het arrest Berlioz (HvJ EU, C-682/15). Volgens haar volgt daaruit dat fiscale informatieverzoeken niet mogen ontaarden in ongerichte ‘fishing expeditions’ en dat de rechter moet kunnen toetsen of de informatie voorzienbaar relevant is voor het gestelde fiscale doel. Een grondrechten rakend informatieverzoek moet voldoende gemotiveerd, controleerbaar en begrensd zijn. Volgens [gedaagde] voldoet de gevraagde dataset daaraan niet en evenmin aan het proportionaliteitsbeginsel van artikel 8 EVRM. 4.16. Verder betoogt [gedaagde] dat de vordering in strijd is met de AVG. Volgens haar ontbreekt een voldoende duidelijke rechtsgrond doordat de uitvraag onvoldoende is gespecificeerd. De Belastingdienst beoogt de namen, contactgegevens, lidmaatschap soort en bestedingsruimte van alle leden over meerdere jaren te verkrijgen om vervolgens bij die leden te onderzoeken of en hoe het voordeel is benut en of kosten of btw terecht zijn verwerkt. Volgens [gedaagde] voldoet deze omschrijving niet aan het vereiste van doelspecificatie van artikel 5 lid 1 onder b AVG. De noodzaak van de verwerking is volgens haar onvoldoende toegelicht, de verwerking is geen effectief middel en is disproportioneel. 4.17. Ook acht [gedaagde] het evident dat een minder ingrijpende manier bestaat om de gestelde aanwijzingen te onderzoeken: onderzoek bij de belastingplichtigen zelf. 4.18. [gedaagde] acht de uitvraag ook in strijd met het beginsel van dataminimalisatie, omdat meer persoonsgegevens worden gevraagd dan de Belastingdienst nodig heeft. Ten slotte beroept zij zich op het transparantiebeginsel en stelt zij dat betrokkenen van wie gegevens worden opgevraagd moeten worden geïnformeerd. 4.19. Voor zover de Belastingdienst aanvoert dat individuele controle zonder de gevraagde dataset onevenredig belastend is, stelt [gedaagde] dat efficiëntie voor de Belastingdienst niet hetzelfde is als noodzakelijkheid in de zin van artikel 8 EVRM en de AVG. Bij een bulk uitvraag van privacygevoelige gegevens kan administratieve efficiëntie volgens haar niet zonder meer prevaleren boven dataminimalisatie en subsidiariteit. 5 De beoordeling Spoedeisendheid 5.1. Ter onderbouwing van het spoedeisend belang voert de Belastingdienst aan dat zij tijdig over volledige en juiste informatie moet beschikken om juiste en toereikende belastingaanslagen te kunnen opleggen en te voorkomen dat navorderings- of naheffingsmogelijkheden door tijdsverloop verloren gaan. Zij wijst erop dat de reguliere navorderings- en/of naheffingstermijn voor de jaren 2019 en 2020 in veel gevallen reeds zijn verstreken. Omdat het onderzoek zorgvuldig moet gebeuren en tijd kost, leidt verder tijdsverloop tot onherstelbaar verlies van controleerbaarheid van gegevens, aldus de Belastingdienst. [gedaagde] betwist dat sprake is van spoedeisend belang, omdat er tussen aankondiging van het onderzoek en de betekening van de dagvaarding ruim anderhalf jaar is verstreken. Er is ook na de nieuwe vragenbrief in juli 2025 nog maandenlang overleg gevoerd. Daarnaast was de Belastingdienst al in 2020 bekend met het product door vooroverleg over de administratieve verwerking van de btw. In 2021 heeft [gedaagde] ook al vragen over een concrete factuur van de business club en het verloop van het shoptegoed beantwoord. De Belastingdienst wist bovendien sinds januari 2025 dat [gedaagde] de uitvraag als een ‘fishing expedition’ beschouwde. In november 2025 heeft [gedaagde] daarnaast aangegeven dat sprake is van een principieel vraagstuk dat niet geschikt is voor kort geding. Ten slotte heeft de Belastingdienst (spoedeisend) belang bij de jaren 2019 en 2020 niet aannemelijk gemaakt, aldus [gedaagde] . 5.2. Anders dan [gedaagde] betoogt is het belang van de Belastingdienst om over de gevraagde gegevens over de verzochte tijdvakken te kunnen beschikken (grosso modo) voldoende spoedeisend. De Belastingdienst heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat tijdsverloop gevolgen kan hebben voor haar mogelijkheden om belastingaanslagen op te leggen of belasting na te vorderen of na te heffen. Deze bevoegdheid is immers aan vervaltermijnen gebonden. De Belastingdienst dient haar aanslagen te baseren op zorgvuldig onderzoek. In gevallen als deze, waar een mogelijk dispuut bestaat over aftrek van kosten of btw dan wel of over de vraag of loon- of dividend belasting is verschuldigd en er mogelijk sprake is van verstrekkingen met een hybride fiscaal karakter, kan een dergelijk onderzoek tijdrovend zijn. Dat bergt het risico in zich dat voor een deel van de tijdvakken de mogelijkheid tot navordering en naheffing al is vervallen voordat het onderzoek is afgerond. Wat betreft de recentere tijdvakken bestaat het spoedeisend belang erin dat de beschikbaarheid van de gevraagde gegevens de kans vergroot dat de nog niet verwerkte aangiften tot belastingaanslagen leiden die in een later stadium niet behoeven te worden herzien. 5.3. Van een spoedeisend belang bij gegevens over 2026 tot heden is echter onvoldoende gebleken. In het lopende tijdvak kan het nu alleen nog maar gaan om de btw-aangifte, die de Belastingdienst tot vijf jaar daarna kan controleren op basis van het ledenbestand per ultimo 2025. In zoverre is de vordering dan ook niet toewijsbaar. 5.4. De omstandigheid dat tussen de aankondiging van het derdenonderzoek en de betekening van de dagvaarding anderhalf jaar is verstreken en dat de Belastingdienst in die periode ook een bodemprocedure had kunnen voeren staat aan het aannemen van spoedeisend belang niet in de weg. Vanuit [gedaagde] is naar aanleiding van de aankondiging van het onderzoek herhaaldelijk gevraagd om toelichting, nadere toelichting, overleg, uitstel, nader overleg en nader uitstel. De Belastingdienst is daarin meegegaan omdat het ook haar voorkeur was om dit geschil buiten rechte op te lossen. Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat de Belastingdienst, ook toen [gedaagde] principiële standpunten innam, niet direct een procedure is gestart, maar haar pogingen om langs minnelijke weg voortgang te realiseren alvorens een kort geding aan te kondigen nog even heeft voortgezet en daarna nog een sommatie met concept dagvaarding heeft gestuurd voordat zij het kort geding daadwerkelijk aanbracht. Bij de beoordeling van het spoedeisend belang moet onder die omstandigheden het vertrekpunt zijn dat de noodzaak van een procedure eerst is gebleken toen duidelijk werd dat de door de Belastingdienst noodzakelijk geachte gegevens niet langs de weg van minnelijk overleg konden worden verkregen. Dat was met de reactie van [gedaagde] op de sommatie op 27 mei 2026 het geval. De dagvaarding is uitgebracht op 20 juli 2026. Gegeven deze gang van zaken faalt het beroep op het ontbreken van spoedeisend belang. Ten gronde 5.5. Vooropgesteld wordt dat de artikelen 47 en 53 AWR aan de Belastingdienst een ruime bevoegdheid geven om bij administratieplichtigen gegevens en inlichtingen op te vragen die voor de belastingheffing van derden van belang kunnen zijn. Deze bevoegdheid is niet beperkt tot gevallen waarin de Belastingdienst reeds beschikt over concrete aanwijzingen ten aanzien van iedere afzonderlijke belastingplichtige op wie de gevraagde gegevens betrekking hebben. Een dergelijke beperking zou zich ook moeilijk verdragen met de mogelijkheid om door middel van zogenoemde serievragen gegevens over een groep belastingplichtigen op te vragen. 5.6. Het door [gedaagde] in dit verband gedane beroep op de Vaktechnische Instructie Controle Derdenonderzoeken leidt niet tot een ander oordeel. Voor de opvatting dat een derdenonderzoek uitsluitend of in hoofdzaak ertoe strekt de juistheid en volledigheid te controleren van gegevens die de betrokken belastingplichtige zelf reeds heeft verstrekt, biedt die instructie geen steun. Het derdenonderzoek wordt daarin omschreven als een middel om bij een administratieplichtige informatie te verkrijgen die van belang kan zijn voor de belastingheffing of invordering bij derden. Daaronder valt niet alleen het controleren van reeds bekende gegevens, maar ook het verkrijgen van ontbrekende informatie en het identificeren van belastingplichtigen bij wie nader onderzoek aangewezen kan zijn. Wel volgt uit de instructie dat bij de uitoefening van deze bevoegdheid de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in acht moeten worden genomen. Die beginselen kunnen aanleiding geven de omvang van de concrete uitvraag te begrenzen, maar rechtvaardigen niet de door [gedaagde] verdedigde beperking van de functie en het bereik van het derdenonderzoek. Het verweer van [gedaagde] dat de Belastingdienst niet eerst door middel van een derdenonderzoek mag vaststellen welke belastingplichtigen voor nader onderzoek in aanmerking komen, slaagt daarom niet. Ook het beroep op détournement de pouvoir slaagt niet. 5.7. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat Stad Rotterdam als richtinggevend arrest door de technologische ontwikkelingen zou zijn achterhaald. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat de huidige mogelijkheden om zeer grote hoeveelheden gegevens te verzamelen, te koppelen en geautomatiseerd te analyseren nieuwe vragen kunnen oproepen over de grenzen die, mede uit een oogpunt van proportionaliteit, subsidiariteit en bescherming van persoonsgegevens, aan de uitoefening van de bevoegdheid tot het doen van derdenonderzoek moeten worden gesteld. Daaruit volgt echter niet dat het in Stad Rotterdam aanvaarde uitgangspunt dat bij een administratieplichtige gegevens over een afgebakende categorie derden kunnen worden opgevraagd, zijn gelding heeft verloren. Van een door moderne technologie mogelijk gemaakte ongerichte verzameling en analyse van grote hoeveelheden gegevens is in het onderhavige geval geen sprake. De uitvraag betreft een vooraf bepaalde en inhoudelijk samenhangende groep, te weten de leden van de door [gedaagde] geëxploiteerde businessclub gedurende een beperkt aantal fiscale jaren, en een beperkt aantal gegevens die verband houden met hun lidmaatschap. Een dergelijke uitvraag had naar haar aard ook in 1974 kunnen plaatsvinden en laat zich in zoverre goed vergelijken met de in Stad Rotterdam aan de orde zijnde uitvraag van gegevens over een bepaalde categorie verzekerden. De technologische ontwikkelingen waarop [gedaagde] wijst, maken dat niet anders. Het is dan ook niet in te zien waarom de door de Hoge Raad in dat arrest toegestane ruimte voor de uitvraag in casu naar huidig recht niet langer als bestaande ruimte kan worden aangenomen. Voor zover technologische ontwikkelingen in dit verband betekenis hebben, brengen die veeleer mee dat het voldoen aan de uitvraag dankzij die ontwikkelingen (onder meer de sterk toegenomen mogelijkheid van geaggregeerde gegevensverzameling) voor de derde minder belastend zal zijn dan in 1974 het geval was. De met het arrest Stad Rotterdam ingezette lijn inzake het derdenonderzoek naar een bepaalde categorie belastingplichtigen is in de rechtspraak sedertdien ook standaard gevolgd. Dat brengt mee dat er geen aanleiding is voor prejudiciële vragen en evenmin voor de gedachte dat de zaak zich niet leent voor afdoening in kort geding. Wat dit laatste betreft wordt opgemerkt dat er een aanzienlijk maatschappelijk belang is gemoeid met behoud van de mogelijkheid voor de Belastingdienst om haar bevoegdheden effectief in te zetten. Het kort geding is een geschikt middel om dat belang met de bescherming van het belang van derden die door die bevoegdheidsuitoefening worden geraakt in evenwicht te brengen. 5.8. De Belastingdienst heeft ook toereikende gronden om de uitvraag van belang te achten voor de belastingheffing. Om te beginnen stelt de Belastingdienst bij belastingplichtigen onjuist verwerkte facturen te hebben gevonden. Verder is van betekenis dat uit een brief aan de Belastingdienst met een verzoek om vooroverleg kan worden afgeleid dat [gedaagde] het lidmaatschap alleen aanbiedt aan ondernemers en ziet als een volledig aftrekbare faciliteit. Dat gegeven zijnde acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat ook klanten van [gedaagde] het als zodanig zullen hebben beschouwd. De faciliteit bestaat uit twee componenten: een bij niet (volledige) benutting jaarlijks vervallend shoptegoed en een bundel overige verstrekkingen. Uit de overgelegde brochures kan worden afgeleid dat het lidmaatschapsgeld voor het overgrote deel dient ter dekking van het verstrekte shoptegoed. Het vervalbeding lijkt daarbij een cruciaal aspect van de regeling: het is een krachtig werkend incentive om te besteden. Zo krachtig dat aannemelijk is dat het lidmaatschap - mede gelet op de omvang van het shoptegoed - zonder het aannemen van het gesuggereerde zakelijke karakter veel van zijn aantrekkingskracht zou verliezen. Dat, bezien in samenhang het evidente onzakelijke karakter van het kledingdeel van het lidmaatschap, biedt voldoende grondslag voor een gepersonaliseerde uitvraag van relevante gegevens. Subsidiariteit 5.9. Ook het argument dat de Belastingdienst de benodigde informatie bij de belastingplichtigen zelf kan opvragen, kan [gedaagde] niet in algemene zin baten. Om gericht onderzoek bij individuele belastingplichtigen te kunnen doen, zal de Belastingdienst in de eerste plaats moeten kunnen vaststellen wie de betrokken belastingplichtigen zijn. Ook daarvoor kan en mag een informatieverzoek aan een administratieplichtige als [gedaagde] worden gebruikt. 5.10. Dit betekent echter niet dat iedere door de Belastingdienst verlangde categorie gegevens reeds daarom zonder meer moet worden verstrekt. Ook bij een op zichzelf wettelijk gegronde informatie-uitvraag dient de concrete omvang daarvan in redelijke verhouding te staan tot het daarmee nagestreefde fiscale doel. Daarbij kunnen, mede in het licht van artikel 8 EVRM en de beginselen die aan de AVG ten grondslag liggen, de aard en omvang van de gevraagde persoonsgegevens en de mogelijkheid om het onderzoeksdoel met minder verstrekkende gegevens te bereiken een rol spelen. 5.11. Gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Belastingdienst in redelijkheid kan oordelen dat zij de in het petitum omschreven dataset nodig heeft om effectief fiscaal onderzoek te doen, behoudens voor zover het betreft de gevorderde opgave van de aanwezigen bij alle door de business club georganiseerde evenementen. Het privacy karakter daarvan is nogal verstrekkend. Niet uitgesloten is dat dergelijke gegevens in een concreet fiscaal onderzoek relevant kunnen zijn, maar daarmee is nog niet gegeven dat de Belastingdienst deze gegevens reeds in deze eerste onderzoeksfase in bulk van [gedaagde] moet kunnen verlangen. Een toelichting op aard en inhoud van deze verstrekkingen en de feitelijke deelname daaraan kan ook heel goed in de context van een vervolgonderzoek door de betrokken belastingplichtige worden gegeven. 5.12. Mede gelet op hetgeen in 5.8. is overwogen is daarmee ook het lot van het beroep van [gedaagde] op het arrest Berlioz gegeven. Indien al zou worden aangenomen dat de daarin tot uitdrukking gebrachte eis dat fiscale informatie voorzienbaar relevant moet zijn onverkort als maatstaf geldt voor de beoordeling van de onderhavige uitvraag, kan de slotsom alleen maar zijn dat de hiervoor genoemde gegevens daaraan voldoen, nu zij de sleutel zijn tot een fiscaal onderzoek waaraan conclusies kunnen worden verbonden. 5.13. Dat de vordering afwijkt van de eerdere uitvraag, staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg. Geen schending van de AVG 5.14. [gedaagde] voert terecht aan dat sprake is van verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG, ten minste voor zover de door de Belastingdienst gevraagde gegevens geen bedrijfsinformatie maar persoonsgegevens bevatten. [gedaagde] komt echter geen zelfstandig beroep op de AVG toe, omdat zij niet de natuurlijke persoon is waar de gegevens betrekking op hebben. [gedaagde] kan dus geen eigen belang aan de AVG en de privacy en het gegevensbeschermingsrecht van haar klanten ontlenen. Het is voorstelbaar dat [gedaagde] vanuit commercieel opzicht het belang van haar klanten wenst te behartigen, maar van een rechtsgrond daartoe is niet gebleken. 5.15. Volgens [gedaagde] bestaat er geen toereikende wettelijke grondslag voor de uitvraag van de Belastingdienst, omdat het doel daarvan onvoldoende duidelijk is en de verwerking van gegevens voor dat doel niet aan het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 6 lid 1, aanhef en onder e AVG zou voldoen. Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt volgt dat de voorzieningenrechter dat betoog niet onderschrijft. Daarmee is voor wat betreft [gedaagde] beroep op de AVG de kous af: zij kan in haar verhouding tot de betrokken leden volstaan met de met dit vonnis gestaafde verwijzing naar haar wettelijke verplichting. 5.16. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, wordt de onderhavige gegevensverwerking effectief, noodzakelijk en proportioneel geacht: zij gaat niet verder dan nodig is om de Belastingdienst cruciale gegevens te verschaffen voor een vervolgonderzoek waarvoor, objectief gezien, een redelijke aanleiding bestaat en waarover de Belastingdienst niet zonder bovenmatige inspanning langs andere weg de beschikking kan krijgen. Daarmee is ook aan het beginsel van dataminimalisatie voldaan. De Belastingdienst is verplicht de gegevens geheim te houden, zodat ook het beroep op privacy schending niet tot een andere uitkomst kan leiden. 5.17. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat ook het beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt. Het bevel om de gegevens te verstrekken is op de wet gebaseerd, noodzakelijk en proportioneel. De inrichting van de toewijzing 5.18. Dat voor de jaren 2019 en 2020 de reguliere vervaltermijnen reeds zijn verstreken, betekent zonder nadere gegevens niet dat ten aanzien van de gehele betrokken populatie ieder fiscaal belang bij die jaren ontbreekt. Welke termijnen gelden, is immers afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Bijvoorbeeld of de aangifte is verzorgd door een aangesloten fiscaal dienstverlener en of voor het doen van aangifte uitstel is verleend. Ook over deze jaren moeten de gevraagde gegevens daarom worden verstrekt. 5.19. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3 is opgemerkt volgt dat over 2026 geen gegevens behoeven te worden verstrekt. Uit hetgeen onder 5.11 is opgemerkt volgt dat geen opgave behoeft te worden gedaan van de aanwezigen bij alle door de business club georganiseerde evenementen. 5.20. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet over de namen op de winkelpas beschikt en dat zij in 2019 ook is gestopt met uitgave van de winkelpas. Dit mag een blote stelling zijn, maar wat [gedaagde] niet heeft kan zij ook niet verstrekken, zodat de vordering op dat punt zal worden afgewezen. 5.21. [gedaagde] heeft betoogd dat het gevorderde niet uitvoerbaar en te onbepaald is. Het komt de voorzieningenrechter voorshands voor dat een onderneming die een behoorlijke administratie voert zonder al te grote inspanning in staat moet zijn om de gevraagde gegevens bijeen te brengen en te verschaffen. De technologische ontwikkelingen hebben dit sinds 1974 aanzienlijk eenvoudiger gemaakt. En wanneer dit anders mocht zijn kan dat met een beroep op het onmogelijkheidsverweer worden toegelicht. 5.22. Ook de klachten over onbepaaldheid van het petitum overtuigen niet. Het petitum is glashelder over wat er moet worden verschaft. Daarvan blijft blijkens het voorgaande het volgende over: alles behalve opgaaf van de aanwezige personen bij de evenementen en de naam op winkelpas. 5.23. Aangenomen mag worden dat de Belastingdienst bij een redelijke (coöperatieve) opstelling van [gedaagde] ontvankelijk is voor eventuele problemen die het bijeen brengen van deze gegevens zou kunnen opleveren. Indien [gedaagde] dit voor ogen houdt en omtrent die problemen redelijk communiceert, moet uitvoering van het vonnis geen bijzondere problemen opleveren. Een termijn van twee weken acht de voorzieningenrechter echter te kort. Hij zal daarom bepalen dat [gedaagde] de gegevens binnen vier weken na het wijzen van dit vonnis aan de Belastingdienst moet verstrekken. Dwangsom 5.24. De voorzieningenrechter zal de dwangsom in beperktere omvang en in een iets gematigder traject opleggen dan gevorderd. Daarbij zal onderscheid worden gemaakt tussen niet (tijdige) medewerking enerzijds en op onderdelen onvoldoende medewerking anderzijds. 5.25. Voor niet (tijdige) nakoming geldt het tarief van € 5.000,- per dag voor de eerste week, € 10.000,- per dag voor de tweede week en € 20.000,- per dag nadien, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt. Als [gedaagde] binnen vier weken gegevens heeft aangeleverd maar op onderdelen gegevens ontbreken, gelden dezelfde tarieven en opbouw als hiervoor vermeld. De dwangsom gaat dan echter pas lopen nadat de Belastingdienst schriftelijk en concreet heeft gesommeerd om op de ontbrekende onderdelen ook na te komen en daarbij een termijn stelt die mede gelet op de verklaring van [gedaagde] voor het ontbrekende, indien gegeven, redelijk is. Uitvoerbaarheid bij voorraad 5.26. [gedaagde] heeft verzocht een veroordelend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat verstrekking plaatsvindt in gefaseerde en gepseudonimiseerde vorm en dat herleidbare gegevens pas worden verstrekt nadat de in het vonnis bepaalde waarborgen zijn uitgevoerd. 5.27. Aan dit verzoek wordt geen gevolg gegeven. De Belastingdienst heeft niets aan een niet uitvoerbaar bij verklaard vonnis en te weinig aan gepseudonimiseerde gegevens. Over de rechtmatigheid van het in deze zaak beoogde derdenonderzoek kan in redelijkheid geen twijfel bestaan. Omdat de Belastingdienst geheimhouding moet betrachten en [gedaagde] geen zelfstandig beroep op de AVG toekomt, is er evenmin reden om de veroordeling verder te beperken dan hiervoor vermeld. Proceskosten 5.28. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Belastingdienst worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,02 - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.766,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.845,02 5.29. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na dit vonnis volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan de verstrekking van de door de Belastingdienst op grond van artikelen 53, 47 en 49 AWR verzochte informatie voor de jaren 2019 tot en met 2025, te weten: 1. een overzicht per jaar waaruit de volgende gegevens blijken: - naam van het lid - adres waarop het lidmaatschap is afgegeven - soort lidmaatschap met bijbehorend shoptegoed - betaald bedrag per lidmaatschap - ingangsdatum lidmaatschap; 2. het ongebruikte bestedingsbedrag van leden die het aan hun lidmaatschap gekoppelde bestedingsbedrag niet volledig hebben uitgegeven; een en ander in Excel waarbij per apart veld de gevraagde gegevens dienen te worden vermeld; 3. alle betaalbewijzen en facturen die betrekking hebben op (de betaling van) de lidmaatschappen van de businessclub, 6.2. veroordeelt [gedaagde] :  om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen van € 5.000,- per dag voor de eerste week, € 10.000,- per dag voor de tweede week en € 20.000,- per dag nadien, dat zij niet (tijdig) aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 500.000,- is bereikt, dan wel: in het geval [gedaagde] binnen vier weken met toegelichte pretentie van volledigheid (daaronder begrepen: al het mogelijke) gegevens heeft aangeleverd, maar deze naar het oordeel van de Belastingdienst op onderdelen niet volledig zijn:  om aan de Belastingdienst een dwangsom te betalen volgens de hiervoor in 6.2 vermelde tarieven en opbouw, met dien verstande dat de dwangsom pas gaat lopen nadat de Belastingdienst schriftelijk en concreet heeft gesommeerd om de ontbrekende gegevens ook te verschaffen, en daarbij een termijn stelt die mede gelet op de verklaring van [gedaagde] voor het ontbrekende, indien gegeven, redelijk is, 6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.845,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. 1621 HR 10 december 1974, ECLI:HR:1974:AB4412. Artikelen 11 lid 3, 16 en 20 AWR. Zie Rb. Amsterdam 8 november 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BW2575 (de Staat / EMS), Rb. Oost-Brabant 26 november 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:6553 (de Staat / SMS Parking), Gerechtshof ’s Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2803 (SMS Parking), HR 12 november 2021 nr. 20/03229 e.a., ECLI:NL:HR:2021:1595 e.a. met conclusie A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2021:631 en rechtbank Gelderland 2 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5428 (buitenlandse debit- en creditcards). Hof van Justitie 16 mei 2017, zaak C-682/15, ECLI:EU:C:2017:373 Zoals een belastingconsulent of accountant.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353666 · 2026-09-03
