# Rechtbank Amsterdam, 25-08-2026 (1317379426)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8723
- Date: 2026-08-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8723
- Canonical: https://overview.legal/posts/353673

## Summary

Tussenuitspraak, Pools executie-EAB, onderzoek heropent om vragen te stellen m.b.t. artikel 12 OLW

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-173794-26 Datum uitspraak: 25 augustus 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 19 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 september 2025 door the Regional Court in Szczecin , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk een final and binding judgement of the District Court Szczecin - Right Bank and West in Szczecin, the Vth Criminal Division of the 14th December 2023 , met referentie V K 366/22 (earlier V K 207/20). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zeven maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, althans opdracht moet worden gegeven aan de officier van justitie om aanvullende informatie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Volgens het EAB was de opgeëiste persoon niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, want dat hebben de autoriteiten immers aangekruist. Tegelijkertijd stellen de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon wel aan het proces heeft deelgenomen en dat hij correct is opgeroepen voor de zitting van 30 november 2023. Er is daardoor veel dat onduidelijk blijft. Mogelijk kan er verwarring zijn ontstaan, omdat de opgeëiste persoon destijds voor een andere aanhangige rechtszaak in Polen in detentie zat. Daarom kan ook niet van zijn verklaring bij de voorgeleiding worden uitgegaan. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Uit de toelichting in onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op in ieder geval één zitting, vervolgens is opgeroepen voor de uitspraakzitting en daar niet is verschenen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid of dat – kort gezegd – één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich voor heeft gedaan. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: - Wanneer heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden en was de opgeëiste persoon op die zitting aanwezig? Indien de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de inhoudelijke behandeling; - Hoe is de opgeëiste persoon opgeroepen voor de inhoudelijke behandeling? o Indien dit de zitting van 30 november 2023 betreft, wat wordt bedoeld met “ in the mode of double advising ’ (zie het EAB, onder D)? - Op welke datum is de opgeëiste persoon vanuit detentie voor een andere zaak naar een zitting in de zaak waarop het EAB betrekking heeft gebracht? o Is hij toen erover geïnformeerd dat bij zijn afwezigheid een beslissing kan worden genomen in de procedure? 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: medeplegen van mishandeling. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals in 4 is overwogen. BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 15 september 2026. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. E. de Rooij en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353673 · 2026-09-03
