Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:25195 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 02-09-2026 (NL26.20078)

Rechtbank Den Haag
Summary

Dublin. Tekenbevoegdheid en gebruik Casematcher.

Full text

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20078 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Boone), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw). Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser heeft beroepsgronden en aanvullende gronden (in de vorm van een pleitnota met bijlagen) ingediend. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.20079, op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eisers gemachtigde was aanwezig, eiser is niet verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld in verband met ziekte. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting niet gesloten. Bij bericht van 16 juli 2026 heeft de rechtbank verweerder een reactie gevraagd op de beroepsgronden van eiser, in het bijzonder op wat is aangevoerd over de bevoegdheid van de beslisambtenaar en het mogelijk gebruik van een AI-beslismodel. Verweerder heeft op 30 juli 2026 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 12 augustus 2026 gereageerd op het verweerschrift en daarbij stukken overgelegd. Verweerder heeft hierop gereageerd bij verweerschrift met bijlagen van 17 augustus 2026. Eiser heeft op 18 augustus 2026 gereageerd op de door verweerder overgelegde stukken en daarbij een reactie met bijlagen overgelegd die door een collega is ingediend in een procedure (zaaknummer NL25.39228) tegen verweerder bij de zittingsplaats Haarlem. Bij bericht van 20 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij zich beraadt op een eventuele verwijzing van de zaak naar een meervoudige kamer. In verband daarmee heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 21 augustus 2026 (NL26.20079) de voorlopige voorziening getroffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep. Op 28 augustus 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij heeft besloten de zaak enkelvoudig af te doen en het onderzoek gesloten, gelet op de door partijen al verleende toestemming uitspraak te doen zonder nadere zitting. Overwegingen Inleiding 1. Eiser stelt van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 3 februari 2026 ingediend. 2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 28 januari 2026 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft op 23 februari 2026 aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)1. Kroatië heeft dit verzoek op 5 maart 2026 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Het bestreden besluit 3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich – kort samengevat - op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Beroepsgronden door eiser 4. Eiser voert aan dat verweerder niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Ter onderbouwing haalt eiser het AIDA-rapport over Kroatië van augustus 2025 (update 2024) aan. Hieruit volgt dat de opvangcapaciteit onder druk staat en dat een aanzienlijk aantal asielzoekers slechts zeer kort in de opvang verblijft. Juist ten aanzien van onder de Dublinprocedure aan Kroatië teruggekeerde vreemdelingen meldt het rapport frequente behoefte aan medische hulp bij aankomst. Tegen die achtergrond kan zonder nadere individuele garantie niet worden aangenomen dat eiser na overdracht tijdig in beeld komt voor opvang, screening en noodzakelijke zorg. Ook blijkt uit het rapport dat in de praktijk de formeel aanwezige kosteloze rechtsbijstand beperkt is, waardoor de toegang tot effectieve rechtsbescherming voor asielzoekers, in het bijzonder voor kort na overdracht opererende Dublinclaimanten, een theoretische en praktische belemmering is. Verder zijn de materiële omstandigheden in het centrum [plaats] inadequaat en is de registratie onvoldoende. Deze bevindingen ten aanzien van vrijheidsbeperking raken direct aan de feitelijke waarborgen rond vrijheidsontneming na overdracht. Als laatste bevat het AIDA-rapport meerdere meldingen van pushbacks en geweld door Kroatische autoriteiten. Op basis van het rapport kan volgens eiser niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast verzoekt eiser in zijn beroepsgronden en aanvullende gronden om verweerder te gelasten de stukken over te leggen waaruit kan worden afgeleid wie de beslisambtenaar is zodat kan worden nagegaan of de beslissing is genomen door een bevoegde ambtenaar en of geen sprake is van (semi) geautomatiseerde besluitvorming. Dit laatste gelet op het gebruik van Case Matcher door verweerder en een zogenaamde AI-pilot in Dublinzaken. Eiser verwijst in verband met dit laatste naar een rapport Impactanalyse Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer van augustus 2024, de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10882 en een door hem overgelegd proces-verbaal van een zitting op 5 februari 2026 bij deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Beoordeling door de rechtbank Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), heeft in onder meer haar uitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, en 8 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:59012, bevestigd dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo). 6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Vooropgesteld wordt dat eiser geen eigen ervaringen met de asielprocedure of de opvangvoorzieningen heeft aangedragen om zijn standpunt te onderbouwen dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Eiser heeft enkel verklaard dat hij niet naar Kroatië wil omdat hij vermoedde dat het daar gevaarlijk is omdat er veel Russen zijn. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport over Kroatië (update 2024) heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asielsysteem. De rechtbank verwijst naar wat in de hiervoor onder 5. vermelde uitspraken is overwogen en wijst in het bijzonder op de door de Afdeling op 8 december 2025 bevestigde uitspraak van de zittingsplaats Zwolle van 11 november 2025, waarin is geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser als Dublinclaimant gereguleerd zal worden overgedragen aan Kroatië. De Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van het Europese recht. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in dit verband individuele garanties moet vragen ten behoeve van eiser. Als eiser in Kroatië problemen ervaart in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen en hij meent dat Kroatië zich jegens hem niet houdt aan de internationale verplichtingen, ligt het op zijn weg om hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende kenbaar de door eiser in zijn zienswijze aangedragen omstandigheden uit het AIDA-rapport in de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel betrokken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat deze omstandigheden het oordeel niet anders maken en dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet. Tarakhel 7. Voor zover de opmerking van eiser dat zonder individuele garantie niet kan worden aangenomen dat hij na overdracht tijdig in beeld komt voor opvang, screening en noodzakelijke zorg, moet worden aangemerkt als een beroep op het arrest Tarakhel3 overweegt de rechtbank als volgt. In dit arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzondere kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. De bewijslast om bijzondere kwetsbaarheid aannemelijk te maken rust op eiser. 8. Eiser stelt niet dat hij bijzonder kwetsbaar is en heeft geen (medische) documenten overgelegd waaruit volgt dat hij als zodanig moet worden aangemerkt. De door eiser aangehaalde passage uit het AIDA-rapport onderbouwt het standpunt van eiser niet, omdat deze passage de frequente behoefte aan medische zorg bij aankomst beschrijft voor groepen waar eiser niet onder valt. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Tarakhel, slaagt dit beroep daarom niet. Bevoegde beslisambtenaar 9. Eiser stelt zich (uiteindelijk) op het standpunt dat niet is gebleken dat de medewerker wiens naam onder het bestreden besluit staat de beslismedewerker is en dat onvoldoende gegevens zijn verschaft om te kunnen controleren of deze medewerker bevoegd is te beslissen. 10. De rechtbank constateert dat onder het bestreden besluit is vermeld: “De Minister van Asiel en Migratie, namens deze, Deze brief is automatisch verstuurd, daarom staat er geen handtekening onder.” X4 11. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet, zoals eiser stelt, dat X enkel verklaart dat de brief niet is ondertekend omdat die is verzonden in een geautomatiseerd systeem. Dit onderschrift - in het bijzonder de zinsnede “namens deze” – wijst erop dat X namens verweerder het besluit heeft genomen. Verweerder heeft bovendien schriftelijk verklaard dat X de beslismedewerker is die het bestreden besluit heeft genomen (en dat bij deze medewerker nog navraag is gedaan naar het gebruik van Case Matcher bij het maken van dit besluit). De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat verweerders mededeling dat X de beslissing heeft genomen steun vindt in de door verweerder overgelegde schermafbeelding van INDiGO. De rechtbank begrijpt dat in INDiGO een alternatieve schrijfwijze is gebruikt voor de uit een vreemde taal afkomstige klinkers in de achternaam van X en dat de laatste letter van de naam ontbreekt. 11. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat onvoldoende duidelijk is of X bevoegd is te beslissen. Onder het bestreden besluit is de naam van X vermeld. Deze naam is ook vermeld in de colofon van het besluit. Uit de colofon volgt verder dat X werkzaam is bij [afdeling] , [team] . Dit team wordt volgens verweerder aangestuurd door een Operationeel Manager, schaal 13. Gelet op artikel 4 van het Mandaatbesluit van 1 april 20255, gelezen in samenhang met regel 10 van bijlage 1 van dit besluit, was deze medewerker bevoegd het bestreden besluit te nemen6. De enkele algemene stellingen van eiser dat in het Mandaatbesluit van 1 april 2025 niet meer kan worden nagegaan welke teams bevoegd zijn, dat ook niet tekenbevoegde ambtenaren stukken kunnen maken en verzenden in INDiGO en dat verweerder geen deugdelijke registratie van tekenbevoegde ambtenaren zou hebben, acht de rechtbank onvoldoende om aan de in het besluit vermelde en de door verweerder nog verschafte informatie te twijfelen en tot het oordeel te leiden dat X niet bevoegd was het besluit te nemen. 13. De beroepsgrond slaagt niet. Gebruik van AI/Case Matcher 14. Niet in geschil is dat bij het bestreden besluit mogelijk gebruik is gemaakt van Case Matcher. Verweerder heeft immers verklaard dat uit navraag is gebleken dat de betreffende beslismedewerker geen uitsluiting of zekerheid kon geven over het gebruik van Case Matcher bij het opstellen van het bestreden besluit. 15. Eiser voert aan dat hij door het (mogelijke) gebruik van Case Matcher is onderworpen aan (semi) geautomatiseerde besluitvorming en dat dit onvoldoende transparant en onzorgvuldig is. Verweerder heeft Case Matcher ten onrechte in het algoritmeregister geregistreerd als simpel zoeksysteem/simpele algoritmes. Er is onvoldoende duidelijkheid verschaft over de werking van dit systeem om te kunnen concluderen dat het geen (verboden) AI-systeem is. Case Matcher verschilt in de kern niet van het systeem “OxRec” voor de Reclassering, waarvan de Autoriteit Persoonsgegevens heeft geconcludeerd dat dit ten onrechte als algoritme is geregistreerd, terwijl het een AI-systeem is, met alle risico’s van dien. Verweerder onderkent niet het gevaar van bias, tunnelvisie en discriminatie door het gebruik van Case Matcher. Eiser verwijst hierbij onder meer naar de einduitspraak van 7 augustus 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:22096, en door hem overgelegde stukken uit een thans lopende procedure bij deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (zaaknummer NL25.39228). 15. Verweerder stelt dat eisers stellingen over het gebruik van AI voornamelijk zijn gebaseerd op algemene informatie over pilots en testfases binnen Dublinprocedures en op zittingsaantekeningen uit een andere zaak. Uit die informatie volgt echter niet dat in alle Dublinzaken AI wordt gebruikt. Wat betreft Case Matcher stelt verweerder dat de deskundigenrapporten en het 'Evaluatierapport Case Matcher 14 januari 2021' waar eiser en de zittingsplaats Groningen naar verwijzen, zien op een eerdere, experimentele, versie van het systeem (een matchingstool), die thans niet meer wordt gebruikt. De versie die thans in gebruik is (en nog wel de naam Case Matcher draagt) en mogelijk is gebruikt bij het opstellen van het bestreden besluit, is geen AI-systeem maar een eenvoudige zoekmachine binnen INDiGO die aan de hand van de door gebruiker ingevoerde ‘keywords’ zaken presenteert die het meest relevant zijn voor die keywords. De relevantie van zoekresultaten wordt bepaald aan de hand van statistische principes en wiskundige berekeningen. Case Matcher presenteert dus alleen vergelijkbare zaken middels een algoritme dat op regels is gebaseerd. De beslismedewerker beoordeelt vervolgens of informatie uit de weergegeven documenten relevant is voor het specifieke geval dat voorligt. Case Matcher doet geen suggesties voor inhoudelijk verwante zoektermen en zoekt niet automatisch op zelf aangedragen relevante zoektermen. Case Matcher functioneert niet autonoom en leert, redeneert of modelleert niet. Case Matcher geeft ook geen suggesties voor hoe een individuele zaak beoordeeld zou moeten worden. Hoe een besluit tot stand komt, is immers afhankelijk van de individuele omstandigheden van de vreemdeling die naar voren komen in de gehoren en de overgelegde documenten. Het besluit wordt dan ook volledig gedragen door de motivering in het besluit zelf. De feiten en omstandigheden die redengevend zijn geweest voor de bestreden besluiten, blijken uit het bestreden besluit. Of de beslismedewerker wel of geen gebruik heeft gemaakt van Case Matcher is dan ook niet relevant voor de beoordeling van het bestreden besluit en de vraag of Case Matcher een AI-systeem is, valt buiten de reikwijdte van het geschil. Gelet op het feit dat het gebruik van Case Matcher de beslismedewerker in staat stelt om inzicht te verkrijgen in de bredere uitvoeringspraktijk van de IND (in aanvulling op wat hij zelf weet, hoort en ziet in zijn dagelijkse werkzaamheden en die van zijn directe team), draagt het gebruik van Case Matcher juist bij aan het voorkomen van vooringenomenheid van de beslismedewerker. 17. De rechtbank ziet gelet op alles wat partijen in dit verband hebben aangevoerd en ingediend, onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het bestreden besluit inhoudelijk geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces en dat het mogelijk in deze zaak gebruikte systeem Case Matcher een AI-systeem is waarover verweerder in het bestreden besluit verantwoording had moeten afleggen. Verweerder heeft in zijn verweerschriften en het overgelegde hoger beroepschrift tegen de einduitspraak van de zittingsplaats Groningen afdoende uitleg gegeven over de huidige en mogelijk in deze zaak gebruikte versie van Case Matcher. Wat eiser daartegen aanvoert is veelal gebaseerd op veronderstellingen en aannames en informatie over de eerdere versie van Case Matcher (volgens verweerder een experimentele matchingstool). Dat die eerdere versie van Case Matcher nog steeds wordt gebruikt bij verweerder en ook (mogelijk) bij het nemen van het bestreden besluit is gebruikt, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.7 Ook anderszins heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het onderhavige besluit is gebaseerd op een AI-beslissysteem, terwijl het wel op zijn weg ligt daartoe concrete aanknopingspunten naar voren brengen.8 De rechtbank volgt mede daarom verweerder en gaat ervan uit dat de mogelijk bij het nemen van het bestreden besluit gebruikte versie van Case Matcher een zoekmachine binnen INDiGO betreft en niet een systeem waarin een aanbeveling wordt gedaan voor de wijze waarop in een individuele zaak moet worden beslist. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat (ook) bij het gebruik van Case Matcher bias, tunnelvisie en discriminatie voorkomen moeten worden. Het risico daarop is niet enkel aanwezig bij een geautomatiseerd zoeksysteem, maar ook bij handmatig zoeken in een kaartenbak of het raadplegen van een collega. Immers is dit risico aanwezig zodra (bewust of onbewust) een selectie plaatsvindt en zoektermen worden toegekend of gebruikt, of informatie wordt verschaft of gevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de aanwezigheid van dit risico echter niet dat het in het bestreden besluit vermeld moet worden indien Case Matcher bij de besluitvorming is gebruikt, en dat moet worden vermeld welke zoekacties zijn verricht en welke zoektermen zijn gebruikt. Wel dienen de feiten en omstandigheden die redengevend zijn geweest voor de beslissing vermeld te worden in het besluit, zodat de motivering kenbaar en inzichtelijk is en desgewenst door de betrokkenen kan worden bestreden en kan worden getoetst door de rechter. Uit wat hiervoor onder 3. en 5. tot en met 8. is overwogen, volgt dat in het bestreden besluit aan dit vereiste is voldaan en dat verweerder in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij eisers asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 1. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld. 2 Bij deze laatste uitspraak is de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6537) bevestigd. 3 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. 4 In het bestreden besluit is op deze plaats een voorletter en achternaam vermeld. Om privacyredenen vermeldt de rechtbank die hier niet. 5 Staascourant 2025, 10560. 6 Uit artikel 4 van dit besluit volgt dat functionarissen met een functie genoemd in de kolommen A tot en met D van bijlage 1 bij het besluit en de onder hen ressorterende functionarissen, voor zover het betreft de rechtshandelingen genoemd in de kolommen H tot en met J van die bijlage, bevoegd zijn om besluiten te nemen bij of krachtens de Vreemdelingenwet. In regel 10 van bijlage 1 is in kolom A vermeld: IND/A&B, in kolom B: operationeel manager, in kolom D: schaal 13 en in kolom H: algemeen mandaat. 7 De rechtbank verwijst in dit verband nog naar het artikel Rechterlijke toetsing van algoritmische besluitvorming in het migratierecht, NJB 2026, 1306. 8 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1107, waarin de Afdeling uitdrukkelijk de motivering overneemt van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, in rechtsoverweging 10 van de (niet gepubliceerde) uitspraak van 23 januari 2025, over de beroepsgrond dat het vermoeden bestaat dat er gebruik is gemaakt van AI bij het opstellen van het voornemen. In die rechtsoverweging staat: “De rechtbank stelt vast dat er geen concrete aanknopingspunten zijn dat in deze specifieke zaak door de ambtenaar die het voornemen heeft opgesteld gebruik is gemaakt van AI. De enkele, niet onderbouwde vermoedens van de gemachtigde van eiser acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel, temeer nu verweerder met klem ontkent daarvan gebruik te hebben gemaakt. Dat gebruik wordt gemaakt van formats en tekstblokken, maakt het voorgaande niet anders. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.” Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier. zaaknummer: NL26.20078 10 De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.