Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:6020 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 19-08-2026 (C/16/605208 / HA ZA 26-24)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

Verzekeringszaak. Eiser zegt dat auto gestolen is en wil uitkering dagwaarde. Verzekeraar heeft dat terecht geweigerd, omdat eiser bij aanvraag verzekering verzweeg dat beslag op de auto lag. Vergoeding onderzoekskosten in reconventie toegewezen.

Full text

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/605208 / HA ZA 26-24 Vonnis van 19 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, advocaat: mr. D. Eijpe, tegen ASR SCHADEVERZEKERING N.V. , te Utrecht, gedaagde partij, advocaat: mr. E.J.A.A. van Dal. Partijen worden hierna [eiser] en ASR genoemd. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 31 december 2025, met producties, de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie, met producties, de conclusie van antwoord in reconventie, de aanvullende productie van [eiser] . 1.2 Op 8 juli 2026 vond de mondelinge behandeling plaats. De griffier heeft hier aantekeningen van gemaakt. [eiser] was niet aanwezig bij deze mondelinge behandeling. Zijn advocaat liet weten dat hij niets kon zeggen over de reden van die afwezigheid. Namens ASR was de heer [A] ( [functie 1] ) aanwezig, met de advocaat. 1.3 Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] had zijn auto verzekerd bij ASR. Hij zegt dat de auto gestolen is en wil dat ASR de dagwaarde uitkeert. ASR weigert dat, omdat [eiser] bij aanvraag van de verzekering opzettelijk heeft verzwegen dat er beslag op de auto was gelegd. Daarnaast heeft ASR de verzekering opgezegd en [eiser] opgenomen in de incidentenregisters. Dat is terecht, oordeelt de rechtbank. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Op haar beurt (in reconventie) vordert ASR vergoeding van haar onderzoeks- en expertisekosten. Die vordering wordt grotendeels toegewezen, [eiser] moet € 1.309,94 betalen. Daarnaast moet [eiser] de proceskosten betalen. 3 De beoordeling in conventie en in reconventie ASR hoeft de dagwaarde van de auto niet uit te keren 3.1 [eiser] heeft op 26 september 2023 een verzekering voor zijn Audi A3 aangevraagd bij ASR. Dit aanvraagformulier bevat onder andere een slotvraag over beslag: “Heeft de deurwaarder op dit moment beslag gelegd op inkomsten of bezittingen van u of een van de personen die u wilt meeverzekeren, bijvoorbeeld uw gezinsleden, huisgenoten of de regelmatige bestuurder?” [eiser] heeft deze vraag met ‘nee’ beantwoord, en ASR heeft de verzekeringsaanvraag geaccepteerd. [eiser] stelt dat hij de auto in de avond van 24 oktober 2023 nog heeft gebruikt, en dat de auto vervolgens in de nacht van 24 op 25 oktober 2023 is gestolen. [eiser] heeft die schade geclaimd bij ASR. ASR ontving echter op 23 november 2023 een exploot van de deurwaarder waaruit bleek dat op 25 september 2023 executoriaal beslag was gelegd op de auto van [eiser] . ASR heeft vervolgens onderzoek gedaan en laten doen, waaruit voor haar bleek dat [eiser] de slotvraag over beslag niet naar waarheid heeft beantwoord. Bovendien zou de auto op 3 oktober 2023 voor het laatst zijn gebruikt. 3.2 ASR meent dat [eiser] het beslag heeft verzwegen bij het aangaan van de verzekering. Daarnaast zou hij onwaar hebben verklaard over het laatste gebruik van en de beslaglegging op de auto. Verder is volgens ASR niet komen vast te staan dat sprake is van diefstal, ondanks de aangifte van [eiser] bij de politie. Op 6 december 2023 heeft ASR daarom de uitkering van de dagwaarde van de auto afgewezen, [eiser] geregistreerd in in- en externe registers en heeft zij aanspraak gemaakt op vergoeding van onderzoekskosten en eerder uitgekeerde schade. 3.3 [eiser] is het daar niet mee eens. In deze procedure vordert hij allereerst ASR te veroordelen tot betaling van € 28.000,00 (de dagwaarde van de auto) vanwege de diefstal. ASR stelt dat [eiser] zijn mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering opzettelijk heeft geschonden. Daarmee vervalt volgens ASR onder meer het recht op uitkering. Dat verweer slaagt, de vordering tot betaling van de dagwaarde van de auto zal worden afgewezen. Wettelijk kader 3.4 Een verzekeringnemer is verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar naar waarheid alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen en waarvan de beslissing van de verzekeraar of en zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering wil sluiten, afhangt. Als de verzekeringnemer dat niet doet en daarbij handelt met het opzet de verzekeraar te misleiden, heeft die verzekeringnemer geen recht op uitkering. Van opzet tot misleiding is sprake als de verzekeringnemer niet aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Dat is hier het geval. Het beslag op de auto was rechtsgeldig 3.5 [eiser] voert allereerst aan dat het beslag nietig is, omdat 1) geen beslag had mogen worden gelegd, en 2) geen rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden. Dat zou betekenen dat er juridisch nooit een beslag is geweest. [eiser] bedoelt kennelijk onder meer te zeggen dat hij de mededelingsplicht niet kán hebben geschonden, omdat er nooit een rechtsgeldig beslag is geweest. Dat klopt niet, het beslag is rechtsgeldig. 3.6 [eiser] heeft het proces-verbaal van het executoriaal beslag overgelegd. Uit het proces-verbaal van 25 september 2023 blijkt dat het beslag is gelegd naar aanleiding van een dwangbevel van 10 maart 2022. Die titel is aan [eiser] betekend met het bevel om daar binnen twee dagen aan te voldoen, maar daar heeft [eiser] geen gehoor aan gegeven. Er mocht dus executoriaal beslag worden gelegd op de auto van [eiser] . Dat heeft de deurwaarder gedaan. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist dat rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden. ASR heeft ter zitting verteld dat zij contact heeft gehad met de deurwaarder over de betekening. De deurwaarder wenste daar zonder toestemming van [eiser] niet schriftelijk over te verklaren op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Wel heeft ASR een telefoonnotitie overgelegd van het contact tussen haar medewerker en een medewerker van de deurwaarder: “Goedemorgen [B (voornaam)] , Mijn collega [C] op 11-12-2024 gesproken met mevrouw [D] van GGN Deurwaarders. Ik plak hier direct onder wat hij heeft genoteerd nav dat telefoongesprek Gesproken met mevrouw [D] . Ze geeft aan dat verschillende malen contact met de heer [eiser] als debiteur is geweest. Op 25-9-2023 13.53 uur is er telefonisch contact geweest tussen GGN en debiteur. In dit gesprek is gebleken dat debiteur niet tot betaling wenste over te gaan. Dit was ook het moment dat direct beslag is gelegd. Dat is dan ook gebeurd op 25-09-2023 om 14.20. Op 26-09-2023 om 13.38 is door debiteur gebeld met GGN en in dat telefoongesprek is aangegeven dat er beslag lag op het voertuig. Op 27-09-2023 is het deurwaardersexploot achtergelaten. Deze is niet in persoon aangenomen, maar debiteur belde wel op deze dag met GGN waaruit voor GGN is gebleken dat debiteur bekend is met de beslaglegging. ===== Conclusie ===== Uit de informatie van de tussenpersoon is gebleken dat de aanvraag verzekering is gedaan op 26-09-2023 om 14.47. Dus na de bekendheid met beslaglegging, (na telefonisch contact). In ieder geval is gebleken dat bij de aanvraag bij a.s.r. de heer [eiser] ook op de hoogte was. Met vriendelijke groet, [E] [functie 2] ” Hieruit blijkt dat de deurwaarder het beslagexploot binnen drie dagen na het beslag (of de inschrijving daarvan) aan [eiser] heeft betekend door het achter te laten. [eiser] heeft wel betwist dat het beslag rechtsgeldig binnen drie dagen is betekend, maar dat heeft hij onvoldoende gemotiveerd. Hij voert enkel aan dat ASR niet voldoende heeft onderbouwd dat de telefoongesprekken tussen [eiser] en de deurwaarder hebben plaatsgevonden. De rechtbank gaat daar niet in mee. ASR heeft een specifieke telefoonnotitie overgelegd met data, tijdstippen en de inhoud van het gesprek. [eiser] heeft enkel aangevoerd dat er voorafgaand aan de verzekeringsaanvraag geen contact tussen de deurwaarder en hem is geweest en dat hij zich deze telefoongesprekken niet kan herinneren. Gezien de specifieke onderbouwing van ASR had [eiser] zijn betwisting verder moeten onderbouwen. Die informatie lag ook in zijn invloedssfeer, omdat hij de deurwaarder toestemming had kunnen geven hierover te verklaren. Omdat [eiser] dat niet heeft gedaan maar enkel aangaf dat hij zich geen contact kon herinneren, en hij bovendien niet op de zitting aanwezig was om vragen hierover te beantwoorden, zal hij niet worden toegelaten hiervan bewijs te leveren. De rechtbank stelt vast dat het beslag rechtsgeldig is betekend. [eiser] heeft zijn mededelingsplicht geschonden 3.7 Bovendien stelt [eiser] dat uit het voorgaande blijkt dat hij nooit op de hoogte is geweest van het beslag. Kennelijk bedoelt hij te zeggen dat hij op het moment van de aanvraag van de verzekering, op 26 september 2023 rond 17.00 uur, niet wist van het beslag, zodat hij dit niet kon melden (kennisvereiste). Ook dat standpunt volgt de rechter niet. Het beslag is gelegd naar aanleiding van een dwangbevel van 10 maart 2022, ruim een jaar eerder. Dat dwangbevel is aan [eiser] betekend met het bevel om te betalen. Bovendien heeft [eiser] onvoldoende weersproken dat hij op 25 en 26 september 2023 telefonisch contact met de deurwaarder heeft gehad (zie 3.6). Uit die telefoongesprekken volgt dat [eiser] er op 25 september (om 12.53 uur) en 26 september 2023 (om 13.38 uur) al van op de hoogte was dat er beslag op de auto lag. Dat is vóórdat de verzekering werd aangevraagd, op 26 september 2023 rond 17.00 uur. [eiser] had dat beslag moeten meedelen bij het aanvragen van de verzekering. 3.8 Ook aan de overige vereisten voor schending van de mededelingsplicht is voldaan. [eiser] wist of had moeten begrijpen dat het beslag van belang was voor de beslissing van ASR om de verzekering te sluiten (kenbaarheidsvereiste). ASR heeft namelijk op haar aanvraagformulier duidelijk gevraagd of op dat moment beslag lag op bezittingen van [eiser] (zie 3.1). Die vraag kan niet anders worden opgevat, maar [eiser] heeft deze toch met ‘nee’ beantwoord. Wel heeft [eiser] betoogd dat hij niet op de hoogte was van deze vraag, omdat de verzekering is aangevraagd door een tussenpersoon. Die tussenpersoon zou deze vraag niet aan [eiser] hebben voorgelegd, maar zelf hebben beantwoord. [eiser] voert verder aan dat hij ook niet op een andere manier op de hoogte was van deze vraag, omdat andere verzekeraars die niet stellen en hij nooit eerder een autoverzekering bij ASR heeft afgesloten. De rechtbank gaat daar niet in mee. [eiser] heeft een audiofragment en bijbehorend transcript overgelegd waaruit zou volgen dat de tussenpersoon de slotvraag over beslag niet aan hem heeft gesteld. Dat kan de rechtbank echter niet afleiden uit dit transcript. Bovendien heeft ASR een e-mail van de tussenpersoon overgelegd, waarin hij uitgebreid verklaart dat de slotvragen (waaronder de vraag over beslag) wel degelijk telefonisch met [eiser] zijn besproken bij het aanvragen van de verzekering. Sterker nog, de tussenpersoon lijkt hier extra scherp op te zijn geweest, nadat eenzelfde autoverzekering enkele uren eerder door [onderneming 1] werd afgewezen, omdat [eiser] een slotvraag over zijn schadeverleden onwaar had beantwoord. [eiser] heeft dus onvoldoende gemotiveerd dat de tussenpersoon de slotvraag over het beslag niet met hem heeft besproken. Maar zelfs als de rechtbank zou aannemen dat de tussenpersoon deze vragen heeft beantwoord zonder deze met [eiser] te bespreken (voor zover hij dat al zou kunnen), dan helpt dat [eiser] niet. De tussenpersoon trad immers op als tussenpersoon van [eiser] . De gedragingen van de tussenpersoon worden dus aan [eiser] toegerekend, en niet aan ASR. Het verzwijgen van het beslag komt dus ook voor risico van [eiser] . Daarbij komt dat [eiser] bij het ondertekenen van de aanvraag heeft verklaard dat alle vragen door de tussenpersoon met hem besproken zijn, en dat zijn antwoorden juist en volledig zijn. Als dat niet het geval is, komt dat voor zijn rekening. 3.9 Verder was het beslag relevant voor de beslissing of ASR een verzekering wilde afsluiten (relevantievereiste). Uit de specifieke vraag van ASR op het aanvraagformulier volgt al dat ASR niet bereid is om een verzekerde te accepteren als op zijn auto beslag ligt. Anders dan [eiser] betoogt is daarbij niet enkel van belang of een aspirant-verzekerde de premie kan betalen, maar weegt bij het beoordelen van de verzekeringsaanvraag ook het morele risico (het risico van onbetrouwbaarheid van de verzekeringnemer) mee. Er moet echter niet alleen worden gekeken naar het acceptatiebeleid van ASR zelf, maar ook naar de vraag welke acceptatiebeslissing een redelijk handelend verzekeraar zou hebben genomen als het beslag wel zou zijn medegedeeld. [eiser] betoogt dat ASR de enige verzekeraar is die deze vraag stelt. Hij onderbouwt dat tien andere verzekeraars die vraag niet stellen. De rechtbank stelt echter vast dat ASR niet de enige verzekeraar is die deze vraag stelt, maar dat meerdere verzekeraars dat doen. ASR heeft deze vraag (“zou u aan ons kunnen bevestigen of een aanvraag voor een autoverzekering zou worden geaccepteerd indien op die auto een executoriaal beslag is gelegd” ?) voorgelegd aan [onderneming 1] , een gevolmachtigd agent voor een groot aantal verzekeraars. Zij gaven aan dat op het aanvraagformulier dezelfde slotvraag wordt gesteld als ASR doet, en dat een aanvraag voor een nieuwe verzekering niet zou worden geaccepteerd als er beslag gelegd was. Ook andere, gelijksoortige verzekeraars als ASR zouden dus hebben besloten de auto niet te accepteren als het beslag was medegedeeld. Daarmee is voldaan aan het relevantievereiste. 3.10 Tot slot ziet de vraag naar het beslag niet op feiten die ASR al kende of had moeten kennen, en ASR heeft met het stellen van de concrete vraag alles gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden om te voorkomen dat zij de verzekering op basis van onjuiste veronderstellingen accepteerde. Zij mocht vertrouwen op het ondubbelzinnige antwoord van [eiser] op de vraag over het beslag. Daarmee heeft ASR ook voldaan aan het verschoonbaarheidsvereiste. 3.11 De rechtbank oordeelt daarom dat [eiser] met zijn onjuiste opgave zijn mededelingsplicht heeft geschonden, omdat aan alle vereisten voor de mededelingsplicht is voldaan. [eiser] had opzet tot misleiden 3.12 Met ASR is de rechtbank van oordeel dat [eiser] het beslag bewust niet heeft genoemd, met als doel ASR te bewegen een overeenkomst aan te gaan die zij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Zoals hiervoor vastgesteld was [eiser] er op 25 september 2023 van op de hoogte dat er beslag op de auto was gelegd. Toch heeft hij de auto een dag later verzekerd. Eerst probeerde hij dat bij NN, waar hij ook al een slotvraag onwaar beantwoordde: hij werd door NN afgewezen omdat hij de slotvraag over het schadeverleden in strijd met de waarheid met ‘nee’ beantwoordde. Daarna heeft hij een verzekering aangevraagd bij ASR. Dat terwijl zijn advocaat tijdens de zitting verklaarde dat het al de bedoeling was dat de auto verkocht zou worden. De advocaat kon na vragen daarover echter niet beantwoorden waarom de auto (opnieuw) verzekerd moest worden als hij toch al verkocht zou worden. Mede gezien de chronologie van de elkaar in snel tempo opvolgende gebeurtenissen, kan de rechtbank niet anders vaststellen dan dat [eiser] de mededelingsplicht opzettelijk heeft geschonden. Daar komt nog bij dat hij ook tijdens het schaderegelingstraject onwaar heeft verklaard. [eiser] verklaarde namelijk ook na de diefstal – zelfs nog in de dagvaarding van deze procedure – dat hij nooit op de hoogte is geweest van het beslag, dat het beslag niet aan hem was (over)betekend en hij gaf op het diefstalformulier aan dat hem nog nooit een verzekering was geweigerd. Daarnaast heeft ASR een sleutelonderzoek laten uitvoeren waaruit blijkt dat op 3 oktober 2023 voor het laatst met de auto is gereden, en niet zoals [eiser] stelt op 24 oktober 2023. [eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit onderzoek niet betrouwbaar is, omdat de sleutels niet lang inactief zijn geweest en bij het onderzoek door [onderneming 2] zowel een laatste gebruiksmoment als daaraan gekoppelde kilometerstand is uitgelezen. Daardoor rijst zelfs de vraag of wel sprake is van een diefstal zoals door [eiser] verklaard: uit het sleutelonderzoek volgt dat de diefstal niet op die manier kan hebben plaatsgevonden, en daarnaast verklaart de tussenpersoon dat [eiser] meerdere keren aan hem heeft gevraagd of diefstalschade wel is gedekt onder de afgesloten verzekering en of geen specifieke alarmeisen zouden gelden. De rechtbank heeft hierover geen vragen aan [eiser] kunnen stellen, omdat hij niet op de zitting aanwezig was. Het antwoord op de vraag of wel sprake is van diefstal kan echter in het midden blijven, nu uit het voorgaande al volgt dat sprake is van opzet tot misleiden als bedoeld in artikel 7:930 lid 5 BW. ASR heeft de gevolgen van schending van de mededelingsplicht op tijd ingeroepen 3.13 Als een verzekeraar ontdekt dat de verzekerde niet aan de mededelingsplicht heeft voldaan, kan hij daaraan alleen gevolgen verbinden als hij de verzekeringnemer daar binnen twee maanden na de ontdekking op wijst, onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Dat heeft ASR gedaan. Zij hoorde op 23 november 2023 van het beslag, toen zij het beslagexploot van de deurwaarder ontving. Op 6 december 2023 heeft ASR [eiser] laten weten dat er geen dekking was en dat zij de dagwaarde van de auto dus niet zou uitkeren. Dat is ruim binnen de termijn van twee maanden. Conclusie: [eiser] heeft geen recht op uitkering van de dagwaarde van de auto 3.14 De conclusie is dus dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet ASR te misleiden. ASR heeft zich hier tijdig op beroepen, zodat [eiser] geen recht heeft op betaling van de uitkering van de dagwaarde van de auto van € 28.000,00. Deze vordering zal dus worden afgewezen. Dat betekent dat ook de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de afwijzing van de uitkering onrechtmatig was, zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de dwangsom die [eiser] vordert voor het geval ASR niet aan een eventuele veroordeling voldoet. De vordering tot herstel van de verzekeringsovereenkomst wordt afgewezen 3.15 Verder vordert [eiser] ASR te veroordelen tot herstel van de beëindiging van de verzekering. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Als een verzekeraar ontdekt dat de verzekerde niet aan de mededelingsplicht heeft voldaan met het opzet hem te misleiden, kan hij de overeenkomst binnen twee maanden na de ontdekking daarvan per direct opzeggen. Dat heeft ASR gedaan met haar brief van 6 december 2023. Omdat hiervoor al is geoordeeld dat [eiser] zijn mededelingsplicht heeft geschonden met het opzet ASR te misleiden (zie 3.14), is die opzegging terecht en zal deze vordering worden afgewezen. Ook de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de beëindiging van de autoverzekering onrechtmatig was zal worden afgewezen, net als de dwangsom die [eiser] vordert. ASR mocht [eiser] opnemen in de registers 3.16 Vanwege het verstrekken van onjuiste informatie heeft ASR [eiser] opgenomen in een aantal interne en externe incidentenregisters. [eiser] vordert ASR te veroordelen tot doorhaling van al die registraties en meldingen. Dit verzoek zal worden afgewezen. Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] de mededelingsplicht opzettelijk heeft geschonden zodat opname in de registers in principe terecht is, en [eiser] onderbouwt niet waarom deze registraties en meldingen doorgehaald zouden moeten worden. Dat betekent dat ook de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat de interne en externe registraties onrechtmatig waren zal worden afgewezen. Dat geldt ook voor de dwangsom die [eiser] vordert. [eiser] moet € 1.309,94 aan onderzoeks- en expertisekosten vergoeden 3.17 ASR vordert in reconventie vergoeding van de onderzoeks- en expertisekosten die zij door de handelwijze van [eiser] heeft moeten maken. Zij vordert in totaal € 1.424,89, met rente en kosten. Dat bedrag bestaat uit externe onderzoekskosten (expertise door [onderneming 3] en sleutelonderzoek door [onderneming 2] ) en interne onderzoekskosten. Deze vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.309,94. 3.18 Nu vaststaat dat [eiser] de mededelingsplicht opzettelijk heeft geschonden, heeft ASR recht op vergoeding van haar onderzoekskosten. [eiser] betwist dat causaal verband bestaat tussen zijn gedragingen en de onderzoekskosten van [onderneming 2] en [onderneming 3] . Beide onderzoeken zijn namelijk uitgevoerd voordat ASR op de hoogte was van de onware beantwoording van de beslagvraag en de onware bewering over het sleutelgebruik. De rechtbank gaat daar niet in mee. Als [eiser] de slotvraag over het beslag naar waarheid had ingevuld, zou ASR de verzekering niet hebben geaccepteerd. In dat geval had ASR helemaal geen onderzoekskosten hoeven maken. Er is dus wel degelijk een causaal verband tussen het onwaar beantwoorden van de beslagvraag en de onderzoekskosten. Dat betekent dat [eiser] de expertisekosten van [onderneming 2] en [onderneming 3] moet vergoeden. 3.19 [eiser] voert nog aan dat de btw die [onderneming 2] en [onderneming 3] in rekening hebben gebracht in mindering moeten worden gebracht op de vordering, omdat ASR de btw terug zou krijgen van de Belastingdienst. ASR is als verzekeraar echter vrijgesteld van btw en krijgt de btw die zij voor dit onderzoek betaalt dus niet terug. Dat betekent dat ook de btw schade is en die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. 3.20 De interne onderzoekskosten zullen voor een deel worden toegewezen. Duidelijk is dat ASR kosten heeft moeten maken voor onder meer het bepalen van haar standpunt en het toepassen van maatregelen. Die kosten komen niet onredelijk voor, zijn bovendien met 50% gematigd en zijn lager dan de standaard schadevergoeding voor interne onderzoekskosten zoals opgenomen in de algemene voorwaarden. ASR vordert bij deze kosten echter ook € 114,95 voor ‘verhaalkosten (incl. btw)’. Het is niet duidelijk waar deze interne kosten op zien en ASR heeft deze kosten niet verder gespecificeerd (zoals zij haar interne werkzaamheden wel globaal per uur heeft gespecificeerd). Die verhaalkosten zullen dus worden afgewezen. 3.21 Dat betekent dat in reconventie een bedrag van € 1.309,94 zal worden toegewezen, bestaande uit € 609,24 voor het onderzoek van [onderneming 2] , € 337,95 voor het onderzoek van [onderneming 3] en € 362,75 (€ 477,70 - € 114,95) aan interne onderzoekskosten. ASR vordert de wettelijke rente vanaf de verschillende vervaldata van de nota’s. Zij maakt echter pas in reconventie aanspraak op betaling van deze bedragen, zodat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf die datum, 25 februari 2026. 3.22 Uit het voorgaande volgt dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat hij niet aansprakelijk is voor de kosten voor dossiervorming en gemaakte onderzoekskosten van ASR, zal worden afgewezen. [eiser] moet de proceskosten in conventie en in reconventie betalen 3.23 [eiser] is in conventie in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van ASR worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.672,00 (2 punten × € 836,00) Totaal € 4.667,00 3.24 In reconventie is [eiser] grotendeels in het ongelijk gesteld, zodat hij ook in de proceskosten in reconventie zal worden veroordeeld. Omdat de procedure in reconventie voortvloeit uit het verweer van ASR in conventie, wordt het salaris van de advocaat qua punten gewaardeerd op de helft van het aantal punten in conventie. De proceskosten in reconventie worden aan de zijde van ASR begroot op: - salaris advocaat € 554,00 (2 punten × € 554,00 × 0,5) Totaal € 554,00 3.25 [eiser] moet ook de nakosten betalen. Deze kosten worden in conventie en in reconventie samen berekend op € 296,00, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. 4 De beslissing De rechtbank: in conventie 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.667,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 4.3 verklaart 4.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 4.4 veroordeelt [eiser] om aan ASR te betalen een bedrag van € 1.309,94, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 25 februari 2026 tot de dag van betaling, 4.5 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 554,00, 4.6 verklaart 4.4 en 4.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in conventie en in reconventie 4.7 veroordeelt [eiser] in de nakosten van € 296,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 4.8 verklaart 4.7 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. ES5403 Artikel 7:928 BW. Artikel 7:930 lid 5 BW. Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507 Productie 7 bij dagvaarding. Artikel 439 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Productie 3 bij conclusie van antwoord. Artikel 442 lid 3 en 47 Rv. Om 14:47 uur vroeg [eiser] een autoverzekering aan bij Nationale Nederlanden. Dat is het tijdstip dat ook wordt genoemd in de conclusie van het citaat in 3.6. Deze aanvraag werd geweigerd, omdat [eiser] de vraag naar het schadeverleden in strijd met de waarheid met ‘nee’ beantwoordde. Artikel 7:929 lid 1 BW. Artikel 7:930 lid 5 BW. Artikel 7:929 lid 2 BW. Het gaat om interne registers (Gebeurtenissenadministratie, Interne Verwijzingsregister en Incidentenregister), het Extern Verwijzingsregister van de Stichting CIS en de persoonsgegevens van [eiser] zijn doorgegeven vaan het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars. Artikel 6:162 BW en artikel 6 van de algemene voorwaarden van ASR (VP 2022-01).