Skip to content
Case Law · College van Beroep voor het bedrijfsleven ·ECLI:NL:CBB:2026:408 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 01-09-2026 (24/954)

College van Beroep voor het bedrijfsleven
Summary

Hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de stichting geen belang heeft bij het hoger beroep over het handhavingsverzoek. De stichting beoogde de stopzetting van de uitbesteding van de transactiemonitoring door de banken aan TMNL. Aangezien TMNL haar activiteiten heeft gestaakt, kan de stichting niet meer bereiken wat zij beoogde met haar handhavingsverzoek. Ook zijn er geen andere omstandigheden om alsnog een belang aan te nemen.

Full text

uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/954 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2026 op het hoger beroep van Stichting Human Rights in Finance.EU, te Amsterdam (stichting) (gemachtigde: [naam 1] ) tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024, kenmerk 24/5513 en 24/8521, in het geding tussen de stichting en De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) (gemachtigden: mr. C. de Rond en mr. M.L. Batting) Procesverloop in hoger beroep De stichting heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:9239). DNB heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven. De stichting heeft nadere stukken ingezonden. De zitting was op 9 juni 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Voor DNB is ook [naam 2] verschenen. Waar gaat deze zaak over? 1. De stichting heeft DNB met een verzoek van 28 februari 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen vijf banken. Volgens de stichting hebben deze banken het uitbestedingsverbod van artikel 10 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) overtreden doordat zij het monitoren van transacties hebben uitbesteed aan Transactie Monitoring Nederland (TMNL). Met de brief van 12 april 2024 (brief) heeft DNB het verzoek afgewezen, omdat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stichting is namelijk volgens DNB, gelet op haar feitelijke werkzaamheden, geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. DNB heeft de stichting daarom te kennen gegeven het verzoek niet in behandeling te nemen. 2 Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft DNB het bezwaar van de stichting tegen de brief niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). Volgens DNB heeft de stichting geen belang meer bij een beslissing op haar bezwaar (procesbelang), omdat de activiteiten van TMNL inmiddels zijn gestaakt. Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 2.1 De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep van de stichting ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. 2.2 De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat DNB het bezwaar van de stichting terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de stichting geen procesbelang meer heeft. TMNL heeft haar activiteiten gestaakt zodat DNB niet meer handhavend kan optreden tegen de vijf banken die de transactiemonitoring hebben uitbesteed aan TMNL. Ook heeft de stichting geen ander belang bij het handhavingsverzoek. Beoordeling van het hoger beroep 3 Het College komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en licht dit hieronder toe. Belang bij een uitspraak in hoger beroep? 4.1 Voor de vraag of de stichting nog belang heeft bij een uitspraak in hoger beroep is van belang wat zij met dat hoger beroep nastreeft. Het doel dat de stichting hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische. Alleen maar een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van belang bij een uitspraak. Daarbij geldt dat in beginsel geen belang kan zijn gelegen in de beoordeling van een al verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding of een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige (terugkerende) besluiten. Het College verwijst in dit verband naar zijn vaste rechtspraak zoals de uitspraak van 24 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:256, onder 6.1). 4.2 Het College benadrukt dat de vraag of een betrokkene, in dit geval de stichting, belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep een voorvraag is die het College ambtshalve moet beantwoorden. Bovendien moet deze vraag eerst worden beantwoord voordat kan worden toegekomen aan de vraag of de voorzieningenrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Reikwijdte handhavingsverzoek 5.1 In het handhavingsverzoek heeft de stichting het volgende verzocht: “Onze stichting verzoekt DNB om de overtreding van het uitbestedingsverbod onder artikel 10 van de Wwft te handhaven richting elk van de formele entiteiten die Transactie Monitoring Nederland hebben opgericht: ABN AMRO Bank NV, Coöperatieve Rabobank U.A., ING Bank N.V., De Volksbank N.V., Triodos Bank N.V. Wij zien daarbij tenminste een last onder dwangsom met een ogenblikkelijke stop op de overtreding van het transactiemonitoringsverbod conform artikel 10 van de Wwft als urgent noodzakelijk. Gezien de zeer nauwe samenwerking en het onder de vlag van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) doen oprichten, starten en nauw samenwerken aan het bevorderen van het imago en legitimiteit van de gezamenlijke transactiemonitoring beschouwen wij ook NVB als medepleger onder Awb artikel 5.1. Wij verzoeken DNB om ook jegens NVB als medepleger te handhaven (zie bijlage 2 en de relevante jurisprudentie in ECLI:NL:HR:2014:3474) met oplegging van een punitieve bestuurlijke boete.” 5.2 Het College stelt vast dat het handhavingsverzoek is gericht op het stopzetten van de uitbesteding van de transactiemonitoring door de vijf grote banken aan TMNL. De stichting merkt in dit handhavingsverzoek de Nederlandse Vereniging van Banken aan als medepleger. De stichting verzoekt aan DNB om voor het stopzetten van deze uitbesteding de nodige (bestuursrechtelijke) maatregelen te treffen, zoals een last onder dwangsom. 5.3 Verder stelt het College vast dat TMNL met ingang van juli 2024 is gestopt met transactiemonitoring in voorbereiding op de inwerkingtreding van de nieuwe Europese antiwitwaswetgeving in juli 2027. De stichting heeft ook niet aangevoerd dat TMNL nog feitelijk transactiemonitoring verricht. Op de zitting heeft de stichting toegelicht dat het haar in hoger beroep nog gaat om het ongedaan maken van de gevolgen van de al gestopte uitbesteding van de transactiemonitoring. Het College stelt echter vast dat het oorspronkelijke handhavingsverzoek niet (mede) is gericht op het ongedaan maken van deze gestelde gevolgen. 5.4 Omdat het handhavingsverzoek was gericht op het stopzetten van de uitbesteding van de transactiemonitoring en dit al is gebeurd, kan de stichting in hoger beroep niet meer bereiken wat zij beoogde met haar handhavingsverzoek. Zij heeft daarom in beginsel geen belang bij een uitspraak op haar hoger beroep. 5.5 Het College zal onderzoeken of in de andere omstandigheden die de stichting heeft aangevoerd, alsnog een procesbelang kan worden aangenomen. Andere omstandigheden? 6.1 De stichting voert aan dat zij juridisch advies heeft moeten inwinnen en hiervoor kosten heeft moeten maken. Ook de procedures bij de rechtbanken hebben geld gekost, zoals het betaalde griffierecht. Op de zitting heeft de stichting toegelicht dat deze kosten niet zozeer schade betreffen, maar dat deze onderdeel zijn van de proceskosten die zij heeft gemaakt. Vergoeding van deze kosten levert volgens de stichting voldoende procesbelang op. Verder heeft de stichting aangevoerd dat zij schade heeft ondervonden, omdat haar zakelijke bankrekening onderdeel is geweest van de uitbesteding van de transactiemonitoring en de datadeling tussen TMNL en de banken. 6.2 Het College wijst erop dat de mogelijkheid om vergoeding van griffierecht en proceskosten te verkrijgen als belang bij een uitspraak ontoereikend is, omdat een bestuursorgaan ook tot vergoeding van die kosten kan worden veroordeeld zonder de gegrondverklaring van een hoger beroep. Anders dan de stichting betoogt, is in het verzoek om proceskostenveroordeling dus geen belang gelegen bij een uitspraak op het hoger beroep. Het College verwijst in dit verband naar zijn rechtspraak, zoals de uitspraak van 4 juni 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:378). 6.3 Ook bestaat er geen belang bij een uitspraak vanwege de lopende procedure van de stichting bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of de eventuele schade die de stichting heeft geleden omdat haar zakelijke bankrekening onderdeel is geweest van datadeling tussen TMNL en de banken. De AP maakt namelijk een eigen beoordeling of een schending van de privacywetgeving heeft plaatsgevonden en heeft voor deze beoordeling het resultaat van het handhavingsverzoek niet nodig. De schade die de stichting stelt te hebben geleden door een mogelijke schending van de privacy als gevolg van de datadeling en opslag door TMNL kan in de procedure bij de AP of de civiele rechter aan de orde worden gesteld. Slotsom 7 Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 8 Omdat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, kan niet worden toegekomen aan de hogerberoepsgronden van de stichting. Beslissing Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. R.C. Stam en mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026. w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.S. de Waal