# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-07-2026 (200.348.703)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:4543
- Date: 2026-07-14
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A4543
- Canonical: https://overview.legal/posts/353687

## Summary

Hoger beroep tegen toegewezen inzageverzoek, artikel 843a Rv. Tussenbeschikking. Verzoek zal voor een deel worden toegewezen. Voor het overige wordt verweerder toegelaten tot bewijs.

## Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof: 200.348.703 zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 437968 beschikking van 14 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] die woont in [woonplaats1] hierna: zoon advocaat: mr. V.W.J.K. Kobossen en [verweerder] die woont in [woonplaats2] hierna: vader advocaat: mr. S.J. Snellenburg 1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Zoon heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), op 7 oktober 2024 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). 1.2. Op 4 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden, waarbij zoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kobossen. Ook is vader verschenen, bijgestaan door mr. Snellenburg. Het hof heeft daarvan een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen overeengekomen dat zij, begeleid door mr. Kobossen en mr. Snellenburg, in samenspraak een schriftelijke machtiging zouden opstellen waarmee zoon vader machtigt om de informatie, zoals verzocht in het oorspronkelijke verzoekschrift, op te vragen bij de in het verzoekschrift genoemde opdrachtgevers. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat zoon vader ook machtigt om de betreffende informatie op te vragen bij de boekhouder van zoon. Partijen hebben tot 4 augustus 2025 de tijd gekregen om zich uit te laten over de vraag of er nog belang is bij een uitspraak van het hof. 1.4. Op 5 januari 2026 heeft zoon – nadat de zaak meerdere keren is aangehouden op verzoeken van (één van de) partijen – alsnog verzocht een eindbeschikking te wijzen. Vader heeft diezelfde dag het hof geïnformeerd dat geprobeerd is informatie bij de opdrachtgevers te verkrijgen met behulp van de machtiging, maar dat dat niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Vader heeft daarbij aangegeven een nadere akte te willen nemen. 1.5. Bij brief van 2 februari 2026 is aan partijen bericht dat zij in verband met een rechterswissel kunnen vragen om een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de nieuwe combinatie. Partijen hebben daarvan geen gebruik gemaakt. Wel heeft mr. Snellenburg namens vader verzocht een nadere akte te mogen nemen. 1.6. Het hof heeft partijen twee weken de gelegenheid gegeven om conceptaktes aan elkaar voor te leggen over de manier waarop de afspraken die zijn gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van 4 juni 2025 zijn uitgevoerd, welke informatie bij vader wel terecht is gekomen en welke informatie nog ontbreekt. Vervolgens hebben partijen nog eens twee weken de tijd gekregen om de wederzijdse reacties te verwerken in hun definitieve akte. 1.7. Zoon heeft op 2 april 2026 een nadere akte genomen en op 7 april 2026 heeft vader een nadere akte in het geding gebracht. Het hof heeft daarna bepaald vandaag uitspraak te doen. 2 De kern van de zaak 2.1. Vader heeft samen met zoon werkzaamheden verricht voor verschillende opdrachtgevers. Zoon heeft uit naam van zijn eenmanszaak de facturen verstuurd voor die werkzaamheden naar de betreffende opdrachtgevers. Volgens vader is de afspraak gemaakt dat hij recht heeft op een deel van de opbrengst/omzet en heeft hij dit deel nog niet ontvangen. In deze procedure heeft vader de rechtbank verzocht zoon te veroordelen op straffe van een dwangsom tot verstrekking van kopieën van de aan de opdrachtgevers verzonden facturen, dan wel een afschrift uit de boekhouding waarin de betreffende omzet aan de opdrachtgevers is verwerkt, zodat vader de hoogte van zijn vordering op zoon nader kan bepalen. 2.2. De rechtbank heeft het verzoek van vader geheel toegewezen. Volgens de rechtbank heeft hij een direct, concreet en rechtmatig belang dat hij de facturen als bewijsmiddel tot zijn beschikking krijgt. Daarnaast heeft de rechtbank toegewezen de gevorderde dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat zoon niet voldoet aan de beschikking, tot een maximum van € 50.000,-, omdat zoon tijdens de zitting niet heeft aangegeven zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van een toewijzende beschikking. 2.3. Zoon is het niet eens met de uitspraak en is in hoger beroep gegaan. De bedoeling van het hoger beroep is dat het toegewezen verzoek alsnog wordt afgewezen. 2.4. Het hof zal de beschikking van de rechtbank deels bekrachtigen maar zal de beslissing voor het overige aanhouden, omdat zoon in de gelegenheid zal worden gesteld om tegenbewijs te leveren. Het hof licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof De relevante feiten 3.1. In de periode van 2012 tot en met 2019 heeft vader samen met zoon bouw- en constructiewerkzaamheden verricht voor verschillende opdrachtgevers. De werkzaamheden zijn door zoon in naam van zijn eenmanszaak ( [eenmanszaak] ) gefactureerd aan die opdrachtgevers. 3.2. Zoon heeft in 2024 tegen vader twee bodemprocedures aanhangig gemaakt. De procedures zien op een vermeende geldvordering van zoon op vader en de aanspraak van zoon op goederen die op het terrein van vader staan. 3.3. Vader meent zelf ook een vordering op zoon te hebben omdat hij volgens hem met zoon de afspraak heeft gemaakt dat hij recht heeft op 50% van de opbrengst/omzet die zoon zou genereren, dan wel recht heeft op een redelijke vergoeding. Het verzoek 3.4. Vader voert aan dat hij, om de omvang van zijn tegenvordering op zoon te bepalen, de verzonden facturen nodig heeft waarop ook de uren staan vermeld die hij zelf heeft gemaakt dan wel zijn ingecalculeerd. Vader wil een kopie van de door [eenmanszaak] verzonden facturen aan opdrachtgevers van de periode 2012 tot en met 2019, dan wel een afschrift uit de boekhouding waarin de betreffende omzet aan de opdrachtgevers is verwerkt. Het gaat om de volgende opdrachtgevers: [naam1] B.V.; [naam2] , [adres1] , [plaats1] ; [naam3] B.V.; [naam4] , [adres2] , [plaats2] ; 4 woningen te [plaats9] via aannemer van [naam5] [naam6] (Cultureel Centrum), [adres3] , [plaats3] , via aannemer van [naam5] ; Modulaire woningen ten behoeve van bouwbedrijf [naam7] , [adres4] , [plaats8] ; [naam8] te [plaats4] ; [naam9] [plaats5] ; [naam10] voor wat betreft de [supermarkt] te [plaats3] en het ziekenhuis te [plaats6] ; [naam11] [plaats7] ; [naam12] [plaats8] ; [naam13] ; [naam14] . 3.5. Vader heeft in zijn akte van 7 april 2026 het hof verzocht om (I) te bepalen dat vader de zustermaatschappijen van [naam1] , althans de partijen waar [naam1] naar verwijst, te mogen benaderen zonder dat zoon daartegen op kan komen met een kort geding en (II) zoon alsnog te verplichten te verstrekken de facturen, grootboeken van de betreffende opdrachtgevers, inkomstenbelasting aangiftes van zoon, bankafschriften van zoon en alle andere administratieve stukken die voor vader van belang kunnen zijn. 3.6. Het hof begrijpt de verzoeken onder I en II in de akte van vader zo dat hij zijn verzoek vermeerdert. Op grond van de twee-conclusie-regel wordt de bevoegdheid van de oorspronkelijke eiser (vader) tot verandering of vermeerdering van zijn verzoek in hoger beroep beperkt, in die zin dat die verandering of vermeerdering in beginsel moeten worden aangevoerd in het beroepschrift. Op deze in beginsel strakke regel worden in sommige gevallen uitzonderingen aanvaard, met name als de wederpartij ondubbelzinnig toestemt met de verandering of vermeerdering van het verzoek of als de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van het verzoek kan plaatsvinden. Verder kan een verandering of vermeerdering van het verzoek ná het beroepschrift toelaatbaar zijn als sprake is van nieuwe of onjuiste feiten en omstandigheden of als een nieuwe procedure zou moeten worden gestart om alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens over het geschil te kunnen beslissen. Onverkort blijft wel gelden dat de toelating van de verandering of vermeerdering van het verzoek niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. 3.7. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een hiervoor genoemde uitzondering. Zoon heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek en ook de aard van de procedure maakt niet dat een uitzondering moet worden gemaakt om de vermeerdering in dit (late) stadium van de procedure toe te laten. Bovendien heeft vader niet, althans onvoldoende gesteld, dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die de vermeerdering rechtvaardigen. Het hof laat dan ook de vermeerdering van het verzoek van vader buiten beschouwing. Het toetsingskader van artikel 843a Rv 3.8. Het verzoek van vader tot afgifte van kopieën/afschriften van de facturen en boekhouding is gegrond op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv (oud). Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv (oud) met ingang van 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht blijft dit artikel echter van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure bij het hof is gestart vóór 1 januari 2025, zodat het hof het inzageverzoek van vader zal beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv (oud). 3.9. Voor de toepassing van artikel 843a Rv (oud) gelden de volgende eisen: - de verzoeker moet rechtmatig belang hebben bij de inzage, afschrift of uittreksel; - het moet gaan om bescheiden over een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is; - het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel. De verzoeker heeft soms, in het licht van de omstandigheden van het geval en met inachtneming van de belangen van de betrokken partijen, toch geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren. De beoordeling door het hof Zoon zal de gevraagde kopieën/afschriften aan vader moeten verstrekken 3.10. Naar het oordeel van het hof heeft vader belang bij afgifte van kopieën/afschriften van de gevraagde stukken. Het inzageverzoek van artikel 843a Rv (oud) kan namelijk worden gedaan met het oog op het voeren van de bewijslevering in een lopende procedure. Vader heeft toegelicht dat hij in de door zoon gestarte bodemprocedures een tegenvordering wenst in te stellen die ziet op de volgens hem afgesproken vergoeding voor de uitgevoerde werkzaamheden. Met de gevraagde informatie kan vader de omvang van zijn vordering bepalen. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft mr. Snellenburg bevestigd dat zij namens vader een verrekeningsverweer heeft gevoerd in de procedure met betrekking tot de vermeende geldvordering van zoon op vader. Zoon heeft nog aangevoerd dat de vermeende vordering van vader is verjaard en dat mede daarom het rechtmatig belang van vader bij zijn inzageverzoek ontbreekt. Het hof gaat hieraan voorbij. De vraag of de vordering van vader op zoon in de bodemprocedure(s) kans van slagen heeft ligt hier niet ter toetsing voor. Mede gelet op het verrekeningsverweer van vader en het bepaalde in artikel 6:131 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van de rechtsvordering) kan niet op voorhand gesteld worden dat vader geen rechtmatig belang heeft bij het verzoek. 3.11. Zoon heeft verder aangevoerd dat hij al aan de beschikking heeft voldaan voor zover hij dat kan. Voor de overige gegevens geldt volgens zoon dat facturen worden gevraagd die niet aan hem gericht zijn of dat het gaat om gegevens die niet meer in zijn bezit zijn. Volgens hem heeft hij als ondernemer een bewaarplicht van zeven jaar en kan van hem dus niet worden verlangd dat hij de beschikking heeft over documenten die ouder zijn dan dat. 3.12. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat zoon al heeft voldaan aan een deel van de beschikking; dit wordt ook door vader betwist. Daarnaast vraagt vader alleen facturen die verzonden zijn vanuit de eenmanszaak van zoon. Het hof zal daarom de beslissing van de rechtbank onder 4.1 bekrachtigen voor zover die betrekking heeft over de periode 12 maart 2017 tot en met geheel 2019. Gelet op de bewaarplicht van zeven jaar en het verzoekschrift van 12 maart 2024 waarin vader aanspraak maakte op inzage zou zoon de gevraagde stukken over deze periode nog in zijn administratie moeten hebben en heeft hij ze na 12 maart 2024 redelijkerwijs moeten bewaren, ook na het verstrijken van de wettelijke bewaartermijn. 3.13 Het hof is verder van oordeel dat zoon onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bepaalde informatie van voor die tijd (2012 tot en met 12 maart 2017) niet meer in zijn bezit heeft gelet op de bewaartermijn. Het hof acht het mede gelet op eerdere uitlatingen van zoon en zijn advocaat niet aannemelijk dat zoon die stukken niet meer in zijn bezit heeft. Zo volgt uit het proces-verbaal van de rechtbank dat de advocaat van zoon heeft gezegd dat zoon de stukken waarschijnlijk wel heeft. Op de vraag van de rechter of zoon de stukken wil geven antwoorde hij: “ Liever niet dan wel. (…). Ik geef het niet zonder slag of stoot (…)”.Dit impliceert dat de gevraagde stukken wel in het bezit zijn van zoon, waarvan de rechtbank ook is uitgegaan gelet op haar overweging dat zoon ter zitting heeft erkend dat hij nog steeds over de facturen beschikt. Aan de verklaring van zoon in dit hoger beroep dat zijn opmerkingen bij de rechtbank alleen zagen op de stukken waarover hij op dat moment wel beschikte gelet op de wettelijke bewaartermijn, gaat het hof voorbij. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de overgelegde stukken volgt dat zoon nog beschikt over andere financiële administratie uit dezelfde periode naast de gevraagde stukken. Zoon heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat dit ziet op gegevens uit 2013 over het verhuren van zijn spiegeltent. Het hof stelt op basis van de stukken echter vast dat zoon ook facturen van 2012 en 2013 heeft overgelegd die zien op door zijn eenmanszaak uitgevoerde werkzaamheden. Dat zoon juist al die stukken die door vader zijn verzocht niet meer onder zich heeft, acht het hof onwaarschijnlijk. Van zoon mocht ten minste worden verwacht dat hij zou toelichten waarom hij desondanks niet meer over de door vader gewenste stukken beschikt. Daar komt bij dat niet door zoon aannemelijk is gemaakt dat hij niet op andere wijze over de verzochte gegevens kan beschikken. 3.14. Het hof acht gelet op de hiervoor genoemde uitlatingen van zoon en zijn advocaat en de aanwezigheid van andere financiële administratie uit 2012 en 2013 voorshands aannemelijk dat zoon de beschikking heeft over door vader gevraagde gegevens van vóór 12 maart 2017. Zoon zal worden toegelaten om hiertegen tegenbewijs te leveren. Dit wil zeggen dat hij – zoals hij in zijn beroepschrift ten bewijze heeft aangeboden – de gelegenheid krijgt tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijk geachte stelling van vader dat zoon beschikt over de door vader gevraagde gegevens van vóór 12 maart 2017. De dwangsom 3.15. Tot slot stelt zoon zich op het standpunt dat elk verzoek met betrekking tot het opleggen van een dwangsom had moeten worden afgewezen, dan wel had moeten worden gematigd tot een bedrag van € 50,- met een maximum van € 5.000,-. Zoon voert daarbij aan dat een (gedeeltelijke) onmogelijkheid dient te leiden tot het oordeel dat een dwangsom niet passend is en daarom niet opgelegd dient te worden. De opgelegde dwangsom gaat elk te respecteren doel voorbij, aldus zoon. 3.16. Het hof overweegt dat vader is aangewezen op de medewerking van zoon bij het verkrijgen van de kopieën/afschriften waartoe zoon zal worden veroordeeld. Tot nu toe is zoon niet bereid gebleken om (volledige) medewerking te verlenen aan de uitvoering van de toewijzende beschikking. Het hof ziet daarom geen reden om, zoals door zoon verzocht, de door de rechtbank toegewezen dwangsom af te wijzen of te matigen. Tussenconclusie 3.17. Gelet op het bovenstaande is het verzoek van vader toewijsbaar voor zover dit ziet op de gevraagde gegevens uit de periode vanaf 12 maart 2017 tot en met 2019. Het hoger beroep van zoon tegen de toewijzing van dit deel van het verzoek van vader slaagt dan ook niet. Dit geldt ook voor het hoger beroep voor zover dit ziet op de dwangsom. Voor de gegevens uit de periode 2012 tot 12 maart 2017 wordt zoon in de gelegenheid gesteld tot het leveren van tegenbewijs tegen wat het hof onder 3.14. voorshands aannemelijk heeft geacht. 3.18 Zoon wordt eerst in de gelegenheid gesteld gemeld tegenbewijs te leveren. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden. 4 De beslissing Het hof: 4.1. laat zoon toe tot het onder 3.14. vermelde tegenbewijs; 4.2. als getuigen worden gehoord, zal raadsheer-commissaris mr. G.A. Diebels de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn; 4.3. zoon moet op uiterlijk dinsdag 11 augustus 2026 laten weten hoeveel getuigen hij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is; 4.4. zoon moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven; 4.5. een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet ervoor zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de zitting een kopie van die stukken hebben ontvangen; 4.6. houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Verkijk en G.A. Diebels en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026. HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353687 · 2026-09-03
