# Rechtbank Den Haag, 02-06-2026 (C/09/699432 / KG ZA 26-156)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:14811
- Date: 2026-06-02
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A14811
- Canonical: https://overview.legal/posts/353690

## Summary

Kort geding. Diverse vorderingen van eiser die verband houden met zijn plaatsing in de Afdeling Intensief Toezicht.

## Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/699432 / KG ZA 26-156 Vonnis in kort geding van 2 juni 2026 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats 1] , eiser, advocaat mr. W.B.O. van Soest te Rotterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M. Beekes te Den Haag. Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 9 april 2026; - producties 1 tot en met 6 van de Staat; - producties 1 tot en met 5 van [eiser] ; - de brief van mr. Van Soest van 20 april 2026 met daarin een eiswijziging. 1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 21 april 2026. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Ook hebben beide partijen tijdens de zitting nog een aanvullende productie overgelegd. Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is in de strafzaak Buizerd/Pulheim bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 maart 2024 veroordeeld tot 26 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, wegens het medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van moord op advocaat [naam 1] , leiding geven aan een criminele organisatie, medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en voertuigencriminaliteit. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 2.2. Daarnaast is [eiser] in de strafzaak Heywood bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, wegens handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Detentie, plaatsing op GVM-lijst en plaatsing in AIT 2.3. [eiser] is in de periode 2019 – 2021 gedetineerd geweest en hij heeft toen op de GVM-lijst (lijst van gedetineerden bij wie sprake is van een vlucht- en/of maatschappelijk risico) gestaan. 2.4. [eiser] ’s huidige detentieperiode is aangevangen met zijn aanhouding op 21 april 2023. Hij is toen voorgedragen voor plaatsing op de GVM-lijst en vervolgens besproken in het Operationeel Overleg (hierna: OO) van 10 mei 2023. Daarop is [eiser] op de GVM-lijst geplaatst met de GVM-status ‘hoog’. Ook na het OO van 8 november 2023, 8 mei 2024 en 14 mei 2025 is de GVM-status ‘hoog’ gehandhaafd. 2.5. [eiser] heeft diverse procedures gevoerd tegen zijn plaatsing op de GVM-lijst en de handhaving van de GVM-status. Bij vonnis van 8 november 2023 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn de vorderingen van [eiser] die zagen op afschaling van zijn GVM-status afgewezen. Dit vonnis is door het gerechtshof Den Haag bekrachtigd bij arrest van 21 mei 2024. Ook eind december 2024 heeft [eiser] in een kort geding bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer gevorderd van de GVM-lijst te worden gehaald. De vorderingen van [eiser] zijn afgewezen bij vonnis van 10 januari 2025. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Tot slot heeft [eiser] in een kort geding begin juli 2025 onder meer verwijdering van de GVM-lijst dan wel afschaling van zijn GVM-status gevorderd. Bij vonnis van 23 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen afgewezen. 2.6. Op 1 augustus 2025 heeft het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (hierna: GRIP) een profielrapport van [eiser] uitgebracht. 2.7. Bij beslissing van de selectiefunctionaris van 25 november 2025 is [eiser] overgeplaatst naar de PI [plaats 1] en voor de duur van twaalf maanden in de Afdeling Intensief Toezicht (hierna: AIT) ondergebracht. 2.8. [eiser] heeft een verzoek tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing ingesteld bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna: RSJ). Bij uitspraak van 2 december 2025 heeft de voorzitter van de beroepscommissie het schorsingsverzoek afgewezen en daartoe, voor zover nu van belang, het volgende overwogen: “ Naar het oordeel van de voorzitter, gelet op wat er uit de stukken naar voren komt, heeft verweerder verzoekers plaatsing op de AIT voldoende gemotiveerd en is de bestreden beslissing niet zodanig onredelijk of onbillijk dat er een spoedeisend belang is om op dit moment de (verdere) tenuitvoerlegging van die beslissing te schorsen. De voorzitter zal het verzoek daarom afwijzen. ” 2.9. Daarna heeft [eiser] zich nogmaals gewend tot de beroepscommissie van de RSJ met een verzoek om schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van de plaatsingsbeslissing. Bij uitspraak van 20 januari 2026 heeft de voorzitter van de beroepscommissie het schorsingsverzoek van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard en daartoe, voor zover nu van belang, het volgende overwogen: “ Verzoeker vraagt om schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing van verweerder die in een eerdere schorsingsprocedure al aan de orde is geweest (RSJ 2 december 2025, 25/52974/SGB). Het verzoek is toen afgewezen. Een nieuw schorsingsverzoek kan alleen worden behandeld, als er nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd die tot schorsing zouden moeten leiden. Dat is naar het oordeel van de voorzitter niet het geval. Om die reden kan verzoeker op dit moment niet worden ontvangen in zijn verzoek. ” Verzoek [eiser] ex artikel 40a lid 6 Pbw 2.10. Op 13 oktober 2025 heeft [eiser] verzoeken ingediend bij de Directeur-Generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI), met de strekking om hem toe te staan dat hij extra rechtsbijstandsverleners (advocaten) aanwijst die toegang tot hem hebben, zoals bedoeld in artikel 40a lid 6 van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw). 2.11. Op 6 februari 2026 heeft de Directeur-Generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) deze verzoeken afgewezen. Deze beslissing vermeldt, voor zover nu relevant, het volgende: “ U heeft op 13 oktober 2025 verzoeken gedaan om toe te staan dat u extra rechtsbijstandverleners (hierna ook: advocaten) aanwijst die toegang hebben tot u, als bedoeld in artikel 40a, zesde lid, van de Penitentiaire beginselenwet (hierna: Pbw). Deze verzoeken heb ik op 10 november 2025 ontvangen. Bij brief van 27 november 2025 heb ik de beslissing op uw verzoeken aangehouden in afwachting van aanvullende informatie. Deze informatie heb ik op 23 december 2025 ontvangen. Hieronder treft u mijn beslissing aan. (…) Inhoud verzoekschriften Aanvankelijk heeft u verzocht om toe te staan dat u extra rechtsbijstandverleners aanwijst met wie u vertrouwelijk kunt communiceren, te weten: - [naam 4] ( [bedrijf 1] ), - [naam 5] ( [bedrijf 2] , en - [naam 6] ( [bedrijf 1] ). Bij brief van 19 december 2025 – door mij ontvangen op 23 december 2025 – heeft u uw verzoeken gewijzigd. In plaats van de drie bovengenoemde rechtsbijstandverleners heeft u verzocht om toe te staan dat u de volgende twee extra rechtsbijstandverleners aanwijst met wie u vertrouwelijk kunt communiceren: - [naam 6] ( [bedrijf 1] ), en - [naam 7] ( [bedrijf 3] ). Overwegingen Aanvankelijk heeft u [naam 7] ( [bedrijf 3] ) als rechtsbijstandverlener aangewezen in de zin van artikel 40a, eerste lid, van de Pbw. Daarnaast heeft u aanvankelijk getracht om [naam 8] ( [bedrijf 4] ) als rechtsbijstandverlener aan te wijzen. Bij e-mail van 16 oktober 2025 heeft de PI [plaats 2] , de inrichting waar u destijds verbleef, [naam 8] verzocht om het formulier ‘aangewezen advocaat’ volledig in te vullen en te retourneren, zodat deze advocaat na controle van de feitelijke gegevens als uw aangewezen rechtsbijstandverlener kon worden geregistreerd. Bij e-mail van 27 oktober 2025 heeft de PI [plaats 2] een herinnering aan [naam 8] gestuurd. Daar is geen reactie van [naam 8] op ontvangen. Uit uw brief van 19 december 2025 blijkt dat de situatie is gewijzigd. U heeft de volgende twee advocaten aangewezen in de zin van artikel 40a, eerste lid, van de Pbw: - [naam 5] ( [bedrijf 2] ), en - [naam 4] ( [bedrijf 1] ). Zoals hierboven (onder ‘inhoud verzoekschriften’) reeds is vermeld, heeft u in deze brief verzocht om u toe te staan twee extra rechtsbijstandverleners aan te wijzen. Aangezien u in uw brief van 19 december 2025 het oorspronkelijke verzoek inhoudelijk volledig wijzigt, ligt uitsluitend nog het gewijzigde verzoek ter beoordeling voor. Dit verzoek is echter niet met redenen omkleed en voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 40a, zesde lid, van de Pbw. Uit zorgvuldigheid heeft de P.I. [plaats 1] op 30 januari 2026 aan u gevraagd of u het verzoek wenst te motiveren. U heeft ervoor gekozen om van deze gelegenheid geen gebruik te maken. Ik kan uw verzoek daarom inhoudelijk niet beoordelen. Besluit Gelet op het bovenstaande wijs ik uw verzoek af. (…) Bezwaarclausule U heeft het recht een met redenen omkleed bezwaarschrift in te dienen tegen deze beslissing. Het bezwaarschrift dient uiterlijk op de zevende dag na die waarop u kennis heeft gekregen van deze te worden ingediend. (…) ” Beklagprocedure faciliteiten in detentie 2.12. Op 22 december 2025 heeft [eiser] een klacht ingediend bij de beklagcommissie uit de Commissie van Toezicht bij de PI [plaats 1] (hierna: de beklagcommissie). De klacht was gericht tegen de omstandigheid dat [eiser] op 5 december 2025 aan de directeur van de PI heeft verzocht om een aantal faciliteiten, te weten een laptop met toegang tot de white-list op intranet en een printer met kopieerfunctie. De directeur van de PI heeft niet op dit verzoek gereageerd. 2.13. Bij uitspraak van 12 februari 2026 heeft de beklagcommissie de klacht over de toegang tot internet/intranet ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de beklagcommissie de klacht over het verstrekken van een printer op cel gegrond verklaard en de directeur van de PI opgedragen om, binnen twee weken na ontvangst van de beschikking, een nieuwe goed gemotiveerde beslissing te nemen, omdat niet naar alternatieven is gekeken en slechts sprake is van een kale afwijzing. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. de Staat opdraagt om de HRG status van [eiser] ongedaan te maken, te laten vervallen c,q. te verwijderen althans de status op te schorten; b. de Staat opdraagt de status van [eiser] te verlagen van HRG naar RG; e. de Staat opdraagt het GRIP-rapport over [eiser] van 1 augustus 2025 te verwijderen c.q. te rectificeren; f. de Staat opdraagt alle onderliggende stukken te verstrekken die aan de GRIP-rapportage van 1 augustus 2025 ten grondslag liggen; g. de Staat opdraagt de informatie over de moeder van [eiser] en met welke intentie zij op bezoek zou komen te doen verwijderen c.q. te rectificeren; h. de Staat op te dragen de informatie over het contact met zijn vrouw over het elf keer bellen naar de raadsman te doen verwijderen c.q. te rectificeren; i. de Staat opdraagt de informatie over de hongerstaking van [eiser] te verwijderen c.q. te rectificeren; j. de Staat opdraagt informatie over de reden voor het wensen van faciliteiten in de PI te verwijderen c.q. te rectificeren; k. de Staat opdraagt de informatie over het incident van PI [plaats 3] met zijn broertje [naam 2] te verwijderen c.q. te rectificeren; l. de Staat opdraagt de informatie over het al dan niet betrokkenheid hebben van [eiser] in de organisatie van [naam 3] te verwijderen c.q. te rectificeren; m. de Staat opdraagt de fictieve einddatum van 5 november 2048 te wijzigen naar 7 april 2026; n. te bepalen dat zolang de plaatsing op de AIT in stand blijft, dat procederen in kort geding niet meer dient te geschieden door tussenkomst van een advocaat en de bepalingen daarvoor tijdelijk buiten werking worden gesteld; o. de Staat opdraagt [eiser] binnen twee weken te voorzien van c.q. aan te stellen van een bestuursrechtadvocaat en civielrechtelijke advocaat, al dan niet met tussenkomst van de Orde van Advocaten, althans [eiser] in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken en te mogen blijven raadplegen om een rechtsmiddel aan te kunnen wenden in civiele procedures die momenteel lopen en nog zullen volgen in afzienbare tijd en in de zaak ARN25/4577 WET, ARN25/4577 V en eventuele toekomstige andere bestuursrechtelijke procedures waarin [eiser] niet op zijn huidige twee strafrechtadvocaten een beroep kan doen door het ontbreken van afdoende expertise en daarbij, bij het zoeken en raadplegen van een advocaat, niet gebonden is aan de huidige (wettelijke) beperkingen die volgen uit een plaatsing op de AIT en de bij hem toegekende HRG-status, al dan niet de Staat opdraagt, zonder tussenkomst van de huidige wet- en regelgeving omtrent het screenen van raadslieden, een bestuursrechtelijke en civielrechtelijke advocaat toe te wijzen aan [eiser] ; p. de Staat opdraagt [naam 7] van advocatenkantoor [bedrijf 3] te voegen als extra rechtsbijstandverlener voor het instellen van EHRM-zaken, mede om dezelfde redenen als waarom eiser en bestuursrechtadvocaat nodig heeft; q. de Staat opdraagt [eiser] in staat te stellen om de anonieme TCI-informant te mogen horen inzake het TCI-rapport 0731/2020 en het TCI-rapport pvb 25ZC-38603 c.q. deze rapportages te verwijderen; r. de Staat een dwangsom op te leggen van € 200,- per dag per zaak die momenteel nog bij de RSJ en de CvT Arnhem loopt en waarin nog geen uitspraak is gewezen; s. de Staat opdraagt een onafhankelijk gedragsdeskundigenonderzoek te initiëren binnen een termijn van twee weken om de informatie die ten grondslag ligt aan de AIT-plaatsing en HRG-status te toetsen en te beoordelen of deze informatie nog ten grondslag mag liggen aan de plaatsing en status; t. de Staat opdraagt om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis aan [eiser] de boeken van Tekst &amp; Commentaar Bestuursrecht en Civiel Recht te verstrekken; u. de Staat opdraagt [eiser] een printer te verschaffen nu de directeur nalaat om op de gegrondverklaring van dat onderdeel van de klacht AR-2025-947 te beslissen en bij het uitblijven ervan het opleggen van een dwangsom c.q. de Staat opdraagt alsnog te beslissen naar aanleiding van de gegrondverklaring van de uitkomst op het beklag in de zaak met kenmerk AR-2025-947 en daarbij een dwangsom op te leggen nu de Staat te laat is met het opnieuw nemen van een beslissing; v. de Staat opdraagt het dagprogramma op de AIT aan te passen naar hoe dat werd verlangd van hen conform de uitspraak van de beklagcommissie in de zaken AR-2025-836/893/895 en bij het uitblijven van de juiste aanpassingen, ook wel het niet opvolgen van een uitspraak, daaraan een dwangsom te koppelen van € 500,- per dag dat de uitspraak niet wordt nageleefd; w. de Staat opdraagt om een procedure mogelijk te maken die voldoet aan de eisen van de Orde van Advocaten om een advocaat toegewezen te kunnen krijgen voor [eiser] op AIT en de EBI; en x. de Staat te veroordelen in de proceskosten. 3.2. De stellingen die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt, worden hierna, voor zover van belang, besproken. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil Bevoegdheid en ontvankelijkheid 4.1. Uit de stellingen van [eiser] leidt de voorzieningenrechter af dat hij aan zijn vorderingen ten grondslag legt dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de burgerlijke rechter bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] , in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding. 4.2. Verder moet de voorzieningenrechter beoordelen of [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. Daarvoor is van belang of er voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij een andere rechter openstaat die kan leiden tot een resultaat dat vergelijkbaar is met wat hij in dit kort geding vordert. Als dat het geval is, moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering(en). De voorzieningenrechter zal dat hierna, indien en voor zover het aan de orde is, per vordering beoordelen. Vorderingen a. en b. – verwijdering/verlaging GVM-status 4.3. De vorderingen van [eiser] onder a. en b. strekken tot verwijdering van zijn GVM-status dan wel tot verlaging van zijn GVM-status van hoogrisicogedetineerde (hierna: HRG) naar risicogedetineerde (hierna: RG). Volgens [eiser] heeft de Staat geen (concrete) informatie verstrekt ter onderbouwing van de aan hem gegeven GVM-status en het ten onrechte door de Staat gestelde voortgezet crimineel handelen in detentie en dat rechtvaardigt volgens hem verwijdering althans verlaging van zijn GVM-status. 4.4. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat [eiser] niet in deze vorderingen kan worden ontvangen. Daarvoor is het volgende van belang. Op 25 november 2025 heeft de selectiefunctionaris – namens de minister – besloten om [eiser] te plaatsen op de AIT van de PI [plaats 1] voor de duur van 12 maanden. Tegen de beslissing van de minister tot plaatsing van een gedetineerde op een AIT kan worden opgekomen bij de RSJ (artikel 72 lid 1 in samenhang met artikel 17 lid 1 Pbw) en hangende het beroep kan om schorsing van de beslissing tot plaatsing worden verzocht (artikel 73 lid 4 jo. artikel 66 Pbw). Uit de ‘Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico’ (hierna: de Circulaire), die per 1 november 2025 in werking is getreden, volgt dat een gedetineerde die voldoet aan de criteria voor plaatsing op een AIT wordt aangemerkt als HRG. Daaruit lijkt te volgen dat, zoals de Staat aanvoert, de AIT-plaatsing en de HRG-status onlosmakelijk zijn verbonden en dat een beroep tegen een AIT-plaatsing dus automatisch een beroep tegen de HRG-status inhoudt. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat [eiser] de bezwaren die hij in dit geding aanvoert tegen de toekenning van een HRG-status kan voorleggen aan de RSJ. 4.5. [eiser] heeft ook gebruik gemaakt van deze met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de RSJ. [eiser] heeft tot tweemaal een verzoek tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van beslissing tot plaatsing op de AIT gedaan bij de RSJ, welke verzoeken zijn afgewezen. Uit vaste rechtspraak volgt dat de beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is die de gang naar de burgerlijke rechter afsluit. [eiser] kan langs die weg een vergelijkbaar resultaat bereiken als hij in deze procedure nastreeft. Het uiteindelijke doel is immers een lichter regime en om die reden vordert [eiser] primair verwijdering van zijn GVM-status en subsidiair afschaling van zijn status (van HRG naar RG). Nu de HRG-status is verbonden aan de AIT-plaatsing, kan dit resultaat worden bereikt door de AIT-plaatsing aan te vechten en dat kan bij de RSJ. 4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] niet ontvankelijk is in de vorderingen onder a. en b. Vorderingen e. tot en met l., q. en s. – verwijderen c.q. rectificeren GRIP-rapport en andere informatie, horen van anonieme TCI-informant althans verwijderen TCI-rapporten, aanstellen onafhankelijk gedragsdeskundige 4.7. Met de vorderingen onder e. en f. wil [eiser] bewerkstelligen de Staat het GRIP-rapport van 1 augustus 2025, dat kennelijk (mede) ten grondslag ligt aan de beslissing hem in de AIT te plaatsen, verwijdert dan wel rectificeert en de aan dit rapport ten grondslag liggende stukken aan hem verstrekt. De vorderingen g. tot en met l. strekken ertoe dat de Staat informatie over, kort gezegd, zijn moeder, vrouw en broertje en zijn hongerstaking, intenties met betrekking tot het vragen van faciliteiten en betrokkenheid in de organisatie van [naam 3] verwijdert dan wel rectificeert. Verder vordert [eiser] onder q. dat de Staat wordt opgedragen om een anonieme TCI-informant te mogen horen inzake het TCI-rapport 0731/2020 en het TCI-rapport pvb 25ZC-38603, althans dat deze rapportages worden verwijderd. Daarnaast vordert [eiser] onder s. dat een onafhankelijk gedragsdeskundige wordt aangesteld, zodat kan worden beoordeeld of de informatie die ten grondslag ligt aan zijn plaatsing op de AIT en HRG-status daadwerkelijk actueel, betrouwbaar en concreet genoeg is om die plaatsing te rechtvaardigen. 4.8. Voor al deze vorderingen is in de dagvaarding geen grondslag aangevoerd. Pas ter zitting heeft [eiser] gesteld dat de hiervoor omschreven informatie kwalificeert als justitiële of strafvorderlijke gegevens waarvan hij op grond van artikel 22 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) een verzoek tot vernietiging althans afscherming kan indienen. Naar eigen zeggen heeft hij in de periode van augustus 2025 tot en met januari 2026 dergelijke verzoeken bij de minister ingediend, maar heeft hij nooit een reactie van de minister ontvangen. De volgens [eiser] op grond van de Awb geldende beslistermijn is zes weken en die termijn is volgens hem ruimschoots overschreden. [eiser] stelt dat hij over de informatie van zijn moeder, vrouw en broertje en over het GRIP-rapportages en de TCI-informatie alleen beroep niet-tijdig beslissen heeft kunnen instellen bij de rechtbank Arnhem en de rechtbank Den Haag maar dat, zolang de minister geen besluit heeft genomen, hij geen schorsingsverzoek kan indienen. Volgens [eiser] is het van groot belang dat de informatie zo snel mogelijk wordt gerectificeerd, verwijderd of wordt afgeschermd zolang de minister nog niet op de verzoeken heeft beslist. Deze informatie is steeds cruciaal geweest voor het opleggen van een status in de PI en de plaatsing op de AIT, welke status direct van invloed is op de eigen verdediging die [eiser] in zijn strafzaak wenst te voeren, aldus [eiser] . In dit verband beroept [eiser] zich ook op artikel 16 lid 2 en 3 van de Richtlijn (EU) 2016/680. 4.9. De vorderingen van [eiser] zijn niet toewijsbaar. Voorzover het GRIP-rapport, de informatie zoals genoemd in de vorderingen g. tot en met l. en de informatie in de TCI-rapporten inderdaad ten grondslag liggen aan de plaatsing van [eiser] op de AIT, kan hij de gestelde onjuistheid daarvan aankaarten in de met voldoende waarborgen omklede beroepsprocedure bij de RSJ (zie ook hiervoor bij 4.4). Het is dan aan de RSJ om te beoordelen of die informatie terzijde moet worden geschoven, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt. [eiser] zal dan wel, beter dan hij in deze procedure heeft gedaan, moeten toelichten en onderbouwen waarom er volgens hem sprake is van onjuiste informatie. [eiser] heeft de (juistheid van de) inhoud van het GRIP-rapport, de informatie zoals genoemd in de vorderingen g. tot en met l. en de informatie in de TCI-rapporten in dit kort geding niet of nauwelijks, laat staan gemotiveerd, betwist. Hij heeft slechts gesteld dat die informatie onjuist is, maar waaruit zou blijken dat die informatie niet klopt of en wat er tijdens de betreffende incidenten in zijn visie dan wel zou zijn gebeurd, heeft [eiser] niet geconcretiseerd. Ook gelet daarop bestaat er geen grond voor het in dit verband onder e. tot en met l. en q. gevorderde ingrijpen in kort geding. Daar komt nog bij dat de Staat gemotiveerd heeft toegelicht dat [eiser] desgewenst op grond van artikel 28 Wet Politiegegevens een verzoek tot rectificatie van het bestreden GRIP-rapport kan vragen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] deze openstaande rechtsgang heeft benut. Verder geldt dat ook als [eiser] zou kunnen worden gevolgd in zijn ter zitting ingenomen stelling dat het in dit geval gaat om strafvorderlijke en justitiële gegevens en dat hij op grond van artikel 22 Wjsg een verzoek tot rectificatie of vernietiging dan wel afscherming kan indienen bij de minister en dat hij dit tot op heden tevergeefs heeft geprobeerd, hij onvoldoende heeft onderbouwd dat hij deze openstaande rechtsgang daadwerkelijk heeft benut en dat hij daarmee niets is opgeschoten. [eiser] heeft ter zitting slechts gesteld dat hij dergelijke verzoeken bij de minister heeft ingediend en vervolgens beroep niet-tijdig beslissen heeft ingesteld bij de rechtbank Arnhem en Den Haag, maar die stellingen heeft hij niet met stukken onderbouwd terwijl de Staat deze (bij gebrek aan wetenschap) heeft betwist, zodat van de juistheid daarvan niet kan worden uitgegaan. Het is de voorzieningenrechter daardoor niet duidelijk welke verzoeken [eiser] beweerdelijk tot de minister heeft gericht, laat staan dat kan worden overzien of, zoals [eiser] stelt en de Staat betwist, deze rechtsgang onvoldoende recht doet aan de belangen van [eiser] . 4.10. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] onder e. tot en met l. en q. (voor zover het de verwijdering van de TCI-rapportages betreft). Ook voor het horen van een anonieme TCI-informant bestaat geen grond, nog daargelaten dat niet is toegelicht en ook niet valt in te zien waarom dit verzoek – dat in feite neerkomt op een verzoek om een (voorlopig) getuigenverhoor – niet op de daartoe geëinde weg kan worden ingediend. Daarvoor bestaat immers een aparte verzoekschriftprocedure. De vordering onder q. zal daarom ook op dit punt worden afgewezen. Tot slot bestaat voor het aanstellen van een onafhankelijk gedragskundige om de hiervoor genoemde reden ook geen ruimte, waarbij het de voorzieningenrechter ook overigens volstrekt onduidelijk is op welke (wettelijke) grondslag die vordering berust en welk belang [eiser] bij deze vordering heeft. De vordering onder s. wordt daarom ook afgewezen. Vordering m – wijzigen fictieve einddatum 4.11. [eiser] vordert daarnaast dat de Staat wordt opgedragen om de zogenoemde ‘fictieve einddatum’ van zijn detentie van 5 november 2048 te wijzigen naar 7 april 2026 (vordering m.). Ter onderbouwing stelt [eiser] dat zijn voorlopige hechtenis enkel is gebaseerd op onderzoek Buizerd, zodat de einddatum van zijn detentie behoort te liggen op 6 april 2026. De Staat berekent de (fictieve) einddatum over de gehele opgelegde gevangenisstraf en komt dan uit op 5 november 2028, maar dat is onjuist volgens [eiser] , omdat hij zit ten titel van voorlopige hechtenis. [eiser] stelt belang te hebben bij het vaststellen van de volgens hem juiste einddatum omdat gedetineerden de laatste zes maanden van hun detentie niet op de AIT mogen verblijven. Voorts heeft dit volgens [eiser] invloed op de mogelijkheid van detentiefasering en de beoordeling voor het voortduren van de voorlopige hechtenis in hoger beroep. Ter zitting heeft [eiser] nader toegelicht dat deze vordering ertoe strekt dat de administratieve fout in de systemen (de foute fictieve einddatum) wordt hersteld zodat hij de selectiefunctionaris kan vragen om herbeoordeling van zijn plaatsing op de AIT in een ander feitelijk kader. Het gaat [eiser] er naar eigen zeggen niet om te bewerkstelligen dat hij (vervoegd) in vrijheid wordt gesteld. 4.12. Deze vordering kan niet worden toegewezen. Daartoe is allereerst van belang dat de Staat ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de “fictieve einddatum” die [eiser] bedoelt een datum is die door de DJI wordt gehanteerd op basis van door het Openbaar Ministerie verstrekte gegevens en die uitgaat van de volledige tenuitvoerlegging van de aan [eiser] niet onherroepelijk opgelegde straf(fen). Deze datum is, anders dan [eiser] stelt en wenst, dus niet gebaseerd op de duur van ondergane voorlopige hechtenis in afwachting van hoger beroep. De Staat heeft er bovendien terecht op gewezen dat de beslissing om gedetineerden te plaatsen op een AIT met ingang van 1 november 2025 op grond van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG) wordt genomen door (de selectiefunctionaris namens) de minister voor rechtsbescherming. Artikel 25 RSPOG geeft voorschriften voor de selectie en plaatsing van al dan niet onherroepelijk veroordeelden, zoals [eiser] . In aanvulling daarop geeft artikel 26 RSPOG nadere voorschriften voor de plaatsing op een AIT. Artikel 26 geldt dus eveneens voor al dan niet onherroepelijk veroordeelden. Lid 6 van dat artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat een in een AIT verblijvende gedetineerde wiens strafrestant nog slechts 6 maanden of minder bedraagt uit de AIT wordt geplaatst, tenzij sprake is van een aantal uitzonderingsgronden. 4.13. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser] van mening is dat deze bepaling op hem van toepassing is omdat hij gedetineerd zit ten titel van voorlopige hechtenis die, tot nog toe, telkens met drie maanden wordt verlengd. Dit standpunt kan hij naar voren brengen in het kader van beroep bij RSJ tegen de beslissing tot (verlenging van de) plaatsing op de AIT. De voorzieningenrechter gaat er voorshands vanuit dat de RSJ, zoals de Staat heeft gesteld, zelfstandig toetst en beoordeelt of sprake is van het in artikel 26 lid 6 RSPOG bedoelde strafrestant. [eiser] kan dus bij de RSJ opkomen tegen de beslissing tot plaatsing in de AIT (zie hiervoor bij 4.4) en in dat verband naar voren brengen waarom hij vindt dat de gehanteerde fictieve einddatum onjuist is en waartoe dat volgens hem moet leiden. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering onder m. zal worden afgewezen. Vordering n – procederen in kort geding zonder tussenkomst advocaat 4.14. Met vordering n. wil [eiser] bewerkstelligen dat, zolang hij op de AIT verblijft, hij kan procederen in kort geding zonder tussenkomst van een advocaat en dat de daartoe strekkende wettelijke bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tijdelijk buiten werking worden gesteld. Volgens [eiser] heeft de AIT een zodanig beperkend karakter om een advocaat te kunnen raadplegen c.q. bijstand van een advocaat te kunnen vragen in civiele procedures dat daarmee sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de wettelijke bepalingen uit Rv en de toepassing ervan op [eiser] moeten worden opgeschort of tijdelijk buiten werking moeten worden gesteld zolang [eiser] op de AIT is geplaatst, zodat hij zonder bijstand van een advocaat bij de civiele rechter (in kort geding) kan procederen. 4.15. Met deze vordering stelt [eiser] in wezen zijn recht op vrije en onbelemmerde toegang tot een advocaat ter discussie. In zoverre hangt deze vordering samen met die onder o. en p. Op zitting heeft hij toegelicht dat het hem vanuit de AIT niet lukt om een civiele advocaat te zoeken of binnen zes weken toegewezen te krijgen en dat dit strijd oplevert met artikel 6 EVRM. Zoals hierna bij 4.17 zal worden toegelicht, staat voor [eiser] – ook vanuit de AIT – een met waarborgen omklede procedure open om bijstand te vragen van een (extra) advocaat en zo te kunnen procederen in kort geding, zoals hij overigens nu ook al doet. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat door plaatsing op de AIT het recht van [eiser] op een eerlijk proces wordt geschonden in de door hem gestelde zin. Alleen daarom al dient de vordering onder n. te worden afgewezen. Daarnaast heeft de Staat er terecht op gewezen dat gesteld noch gebleken is dat artikel 79 lid 2 Rv, dat verplichte procesvertegenwoordiging voorschrijft, onmiskenbaar onverbindend is. Vorderingen o, p en w – aanstellen advocaten en procedure mogelijk maken voor toewijzing advocaat 4.16. Met zijn vorderingen onder o., p. en w. wil [eiser] – samengevat – bereiken dat (i) de Staat hem van een advocaat bestuursrecht en civiel recht voorziet of hem in de gelegenheid stelt om zelf een advocaat te zoeken en te mogen blijven raadplegen zonder gebonden te zijn aan de beperkingen die gelden in de AIT, (ii) de Staat ervoor moet zorgen dat [naam 7] als extra rechtsbijstandsverlener mag worden aangewezen en (iii) de Staat een procedure mogelijk maakt die voldoet aan de eisen van de Orde van Advocaten om een advocaat toegewezen te kunnen krijgen voor gedetineerden in een AIT en in een Extra Beveiligde Inrichting (hierna: EBI). 4.17. De vorderingen onder o. en w. kunnen niet worden toegewezen. Daarvoor is het volgende van belang. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, geeft artikel 13 van de Advocatenwet rechtszoekenden die geen advocaat kunnen vinden de mogelijkheid om zich te wenden tot de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. [eiser] heeft niet weersproken dat deze procedure voor hem openstaat. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met de deken, dat de deken hem heeft laten weten dat hij zijn aanvraag via een digitaal formulier moet doen, maar dat de directeur van de PI hem vervolgens de toegang zou hebben geweigerd tot het zogenoemde re-integratiecentrum waar [eiser] een dergelijk digitaal formulier kan invullen. De Staat heeft daarop ter zitting gereageerd dat hij navraag heeft gedaan bij de directeur van de PI en dat deze heeft verklaard er geen probleem mee te hebben dat een dergelijk schriftelijk verzoek wordt gedaan. Ook heeft de advocaat van de Staat verklaard dat als er op dit punt een kink in de kabel zit, hij dat graag van de advocaat van [eiser] verneemt zodat dit met de directeur van PI kan worden besproken om te bezien of er een oplossing mogelijk is. Bij die stand van zaken is onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] de geëigende route van artikel 13 van de Advocatenwet niet zou kunnen volgen om binnen afzienbare termijn een advocaat toegewezen te krijgen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het treffen van een ordemaatregel, strekkende tot een bevel aan de Staat om een bestuursrechtadvocaat en een civielrechtelijke advocaat aan te stellen of [eiser] in staat te stellen een advocaat te zoeken zonder de beperkingen die gelden in de AIT (vordering o.). Hetzelfde geldt de vordering van [eiser] om de Staat op te dragen een procedure mogelijk te maken voor gedetineerden in een AIT en een EBI om een advocaat toegewezen te krijgen (vordering w.), nu een dergelijke procedure al bestaat. 4.18. Verder heeft de Staat terecht aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering p., strekkende tot aanwijzing van [naam 7] als extra rechtsbijstandverlener voor het instellen van EHRM-zaken. [eiser] heeft immers al een dergelijk verzoek ingediend op grond van artikel 40a lid 6 Pbw (zie hiervoor bij 2.10 en 2.11) en dat verzoek is op 6 februari 2026 afgewezen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en vervolgens beroep bij de RSJ open. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom [eiser] deze met waarborgen omklede procedure niet kan doorlopen. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering onder p. Vordering r – oplegging dwangsom aan de Staat voor zaken RSJ en CvT Arnhem waarin nog geen uitspraak is gewezen 4.19. Met zijn vordering onder r. wenst [eiser] te bewerkstelligen dat aan de Staat een dwangsom wordt opgelegd van € 200,- per zaak die momenteel bij de RSJ en de Commissie van Toezicht bij de PI Arnhem (hierna: CvT Arnhem) aanhangig is en waarin nog geen uitspraak is gedaan. [eiser] stelt dat hij een fors aantal beroepszaken bij de RSJ en de CvT in Arnhem heeft lopen en al heel lang wacht op uitspraken in deze zaken. [eiser] heeft echter in het geheel niet toegelicht om welke procedures bij de RSJ en de CvT Arnhem het gaat, laat staan dat hij heeft toegelicht waaruit blijkt dat in deze procedures niet tijdig wordt beslist. Alleen al daarom bestaat geen grond voor het gevorderde ingrijpen door de voorzieningenrechter, nog daargelaten of voor [eiser] geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat waarmee hij hetzelfde resultaat kan bereiken. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] onder r. afwijzen. Vordering t en u – ter beschikking stellen faciliteiten 4.20. Verder vordert [eiser] dat de Staat hem de boeken van Tekst &amp; Commentaar Bestuursrecht en Civielrecht verstrekt (vordering t.) en hem een printer verschaft dan wel dat de Staat wordt opgedragen alsnog te beslissen naar aanleiding van de gegrondverklaring van het beklag van [eiser] in de zaak met kenmerk AR-2025-947 (vordering u.). 4.21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan worden ontvangen in zijn vordering tot het verstrekken van de boeken van Tekst &amp; Commentaar. Nog daargelaten dat [eiser] deze vordering in het geheel niet heeft onderbouwd, heeft de Staat er terecht op gewezen dat [eiser] zich met zijn verzoek tot de directeur van de PI kan wenden. Tegen de beslissing van de directeur staan beklag bij de beklagcommissie en daarna beroep bij de RSJ open. [eiser] zal zich voor een beslissing op zijn verzoek dus moeten wenden tot de directeur van de PI en, als hij het met diens beslissing niet eens is, staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open tegen die beslissing. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering onder t. 4.22. Ook is [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering onder u. Vast staat dat [eiser] reeds een verzoek heeft ingediend bij de directeur van de PI tot het verschaffen van een printer en vervolgens een klacht heeft ingediend bij de beklagcommissie. Ter zitting heeft [eiser] een uitspraak van de beklagcommissie van 12 februari 2026 overgelegd, waarin de beklagcommissie de klacht met betrekking tot de printer gegrond heeft verklaard en de directeur heeft opgedragen om binnen twee weken na ontvangst van de beschikking een nieuwe, goed gemotiveerde beslissing te nemen. Tegen het uitblijven een tijdige beslissing van de directeur van de PI kan [eiser] op grond van artikel 60 Pbw een klacht indienen bij de beklagcommissie en staat vervolgens beroep open bij de RSJ. Niet gebleken is dat [eiser] deze met waarborgen omklede procedure al heeft doorlopen. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering onder u. Vordering v – aanpassing dagprogramma 4.23. Tot slot vordert [eiser] onder v. dat de Staat wordt opgedragen om het dagprogramma op de AIT aan te passen conform de uitspraak van de beklagcommissie in de zaken AR-2025-836/893/895. Deze vordering is voor het eerst ter zitting toegelicht. De uitspraak waarop [eiser] zich beroept, is door hem eerst na afloop van de zitting aan de voorzieningenrechter toegezonden. De Staat beschikte ter zitting al wel over de uitspraak. Volgens [eiser] voldoet het dagprogramma op de AIT niet aan de gestelde eisen en dat is volgens hem bevestigd in voornoemde uitspraak van de beklagcommissie, waarin de tegen het dagprogramma gerichte klacht gegrond is verklaard. De directeur van de PI heeft het dagprogramma echter nog niet aangepast en daarom moet de Staat daartoe worden veroordeeld op straffe van een dwangsom, aldus [eiser] . 4.24. Deze vordering is niet toewijsbaar. De Staat heeft terecht opgemerkt dat de hiervoor genoemde uitspraak geen betrekking heeft op een door [eiser] ingediende klacht en de Staat heeft er bovendien op gewezen dat tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld. Indien [eiser] wenst dat de directeur van de PI het dagprogramma aanpast, zal hij zich met een dergelijk verzoek tot de directeur van de PI moeten wenden. Tegen de beslissing van de directeur staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open, te weten beklag bij de beklagcommissie, die op grond van artikel 68 lid 2 en 3 Pbw de beslissing van de directeur geheel of gedeeltelijk kan vernietigen, en de directeur kan opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak of kan bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing. Vervolgens staat beroep open bij de RSJ. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering onder v. Slotsom en proceskosten 4.25. Slotsom is dat [eiser] niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen onder a., b., p., t., u. en v. en [eiser] zal ten aanzien van die vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor toewijzing van de overige vorderingen (onder e. tot en met l., m., n., o., q., r., s. en w.) bestaat geen grond en de voorzieningenrechter zal deze vorderingen daarom afwijzen. 4.26. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor afwijking van die hoofdregel ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 735,- - salaris advocaat € 1.177,- - nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,- 4.27. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen a., b., p., t., u. en v.; 5.2. wijst de overige vorderingen van [eiser] af; 5.3. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.4. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.5. verklaart de kostenveroordelingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026. fjs Rechtbank Amsterdam 15 maart 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:1406). Rechtbank Overijssel 15 april 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:2048). Rechtbank Den Haag (vzr.) 8 november 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:16653). Gerechtshof Den Haag 21 mei 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:780). Rechtbank Den Haag (vzr.) 10 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1150). Rechtbank Den Haag (vzr.) 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:18230). Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353690 · 2026-09-03
