# Rechtbank Den Haag, 17-07-2026 (C/09/683730 / HA RK 25-182)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:22989
- Date: 2026-07-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A22989
- Canonical: https://overview.legal/posts/353694

## Summary

vaststelling staatloosheid - relevante landen Koeweit (Bidoon) en Griekenland; betrouwbaarheid verklaringen asielprocedure; registratie in Griekenland met onjuiste persoonsgegevens

## Full text

Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 25-182 Zaaknummer: C/09/683730 Datum beschikking: 17 juli 2026 Vaststelling van staatloosheid Beschikking op het op 15 april 2025 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] , verzoekster, mede namens de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , Koeweit, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats] , Koeweit, [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te Griekenland, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S.J. Koolen in Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat, zetelende in ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door mr. J. Laros. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 7 juli 2025 van de Staat; - de brief van 30 juli 2025 van de zijde van verzoekster; - de brief van 20 november 2025 van de Staat; - de brief van 29 april 2026 van de zijde van verzoekster. Op 18 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en A. Fawzy als tolk. Namens de Staat is verschenen J. Laros. Feiten Het volgende blijkt uit het dossier: - Aan verzoekster en de minderjarigen is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 3 mei 2022 tot 3 mei 2027. Verzoek en het advies van de Staat Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen. De Staat heeft in diens schriftelijke advies geadviseerd het verzoek af te wijzen. Beoordeling Vaststelling staatloosheid Juridisch kader Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs). Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat verzoekster en de minderjarigen in Nederland wonen. Verder is niet in geschil dat verzoekster en de minderjarigen onmiddellijk belang hebben bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Relevante landen Gelet op de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, zal de rechtbank Koeweit bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen betrekken. Ten aanzien van [minderjarige 3] ziet de rechtbank aanleiding om ook Griekenland te betrekken bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van haar staatloosheid. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster of de minderjarigen een andere nationaliteit kunnen hebben verkregen. Worden verzoekster en de minderjarigen als onderdaan van Koeweit beschouwd? Verzoekster voert aan dat zij en de minderjarigen zijn geboren in Koeweit en dat zij tot de Bidoon behoren. Tot hun vertrek naar Nederland hebben zij altijd in Koeweit gewoond. Door de Staat is in eerste instantie aangevoerd dat verzoekster onvoldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit alsmede de identiteit van de minderjarigen. Ter zitting heeft de Staat dit standpunt onder verwijzing naar recente uitspraken van deze rechtbank verlaten en aangevoerd dat onduidelijk is welke pogingen verzoekster heeft gedaan om zich te laten registreren als onderdaan van Koeweit. De Staat is daarom van oordeel dat er te weinig bekend is om een advies te kunnen geven. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan de door de vrouw gestelde identiteit van haarzelf en de minderjarigen. Op de zitting is door de Staat bevestigd dat in de asielprocedure het relaas over de identiteit en herkomst van verzoekster geloofwaardig is geacht. Gelet hierop en omdat geen concrete feiten en omstandigheden zijn gebleken die voor de rechtbank aanleiding zouden zijn om te twijfelen aan de identiteit van verzoekster en de minderjarigen, gaat de rechtbank uit van de opgegeven persoonsgegevens. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verzoekster consequent heeft verklaard tot de Bidoon te behoren en in Koeweit niet erkend te worden. Zo heeft verzoekster op 3 mei 2022 bij de AIVM (Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel) verklaard: “ Wij worden niet erkend in Koeweit. (…) Mijn overgrootvader kreeg de kans om zich te laten bedocumenteren, maar dit had hij niet gedaan ”. In het gehoor van 11 juni 2022 heeft zij verklaard: “ Men zegt: wij hebben ons niet laten inschrijven bij de telling in het land in het verleden. Ik kom uit een stam van veehouders die op het platteland woont. Men heeft daar geen TV en geen mobiel. Men weet niet wat er in de stad gebeurt. Daarom ging men niet naar die telling. Maar wij hadden nooit gedacht dat wij daardoor niet de nationaliteit zouden krijgen ondanks dat wij al lang in het land wonen. ” Ook op dit punt is in de asielprocedure het relaas van verzoekster geloofwaardig geacht. Het relaas van verzoekster komt bovendien overeen met de informatie die volgt uit het algemeen ambtsbericht over Koeweit van april 2002, namelijk dat de Bidoon een grotendeels staatloze Arabische minderheid is in onder meer Koeweit. Zij werden over het algemeen niet als staatsburger erkend ten tijde van de onafhankelijkheid van Koeweit in 1961 of kort daarna. Gelet hierop, in combinatie met de consistente verklaringen van verzoekster, is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat verzoekster en de minderjarigen niet de Koeweitse nationaliteit hebben verkregen. [minderjarige 3] Ten aanzien van [minderjarige 3] voert de Staat aan dat zij mogelijk de Griekse nationaliteit heeft verkregen. Zij is immers in Griekenland geboren en op grond van de Griekse nationaliteitswetgeving krijgt een kind de Griekse nationaliteit door geboorte op Grieks grondgebied als het kind geen andere nationaliteit bezit of als die nationaliteit onzeker is. Verzoekster heeft eerder aangegeven dat zij en haar toenmalige echtgenoot in Griekenland geregistreerd stonden met nationaliteit onbekend. Het is daarom aannemelijk dat [minderjarige 3] de Griekse nationaliteit heeft verkregen, aldus de staat. Verzoekster voert aan dat als geboorte in Griekenland in dit geval al de Griekse nationaliteit heeft meegebracht, dit geen betrekking heeft [minderjarige 3] . [minderjarige 3] is in Griekenland namelijk geregistreerd met valse gegevens, zodat een niet bestaand persoon met die valse gegevens de nationaliteit heeft verkregen en dus niet [minderjarige 3] . De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat [minderjarige 3] in Griekenland niet onder haar werkelijke persoonsgegevens is geregistreerd. Naar deze stand van zaken is [minderjarige 3] dus niet met de persoonsgegevens zoals die in Nederland zijn vastgesteld, bekend bij de Griekse autoriteiten. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat [minderjarige 3] de Griekse nationaliteit heeft verkregen. Conclusie De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoekster en de minderjarigen door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan worden beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoekster en de minderjarigen kan worden vastgesteld. De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoekster. Beslissing De rechtbank: * stelt vast dat verzoekster en de minderjarigen staatloos zijn. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.G. Nuboer, A.M. Brakel en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is de beschikking ondertekend door de oudste rechter en uitgesproken op de openbare zitting van 17 juli 2026. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina 42.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353694 · 2026-09-03
