# Rechtbank Den Haag, 10-04-2026 (NL25.17658)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:24896
- Date: 2026-04-10
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A24896
- Canonical: https://overview.legal/posts/353700

## Summary

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Er heeft namelijk geen volledige leeftijdsschouw plaatsgevonden. De minister had daarom uit moeten gaan van de presumptie van minderjarigheid. Omdat de minister dat niet heeft gedaan kan het besluit niet in stand blijven.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17658 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: N.L. Schoonbrood). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de inwilliging van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2004 die de minister aanhoudt en stelt dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 2006. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Er heeft namelijk geen volledige leeftijdsschouw plaatsgevonden. De minister had daarom uit moeten gaan van de presumptie van minderjarigheid. Omdat de minister dat niet heeft gedaan kan het besluit niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 30 oktober 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 2] 2006. 3. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure ingewilligd en aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingewet 2000 (Vw). 4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 5. Op 13 januari 2026 heeft de rechtbank aanvullende vragen gesteld aan de minister. De minister heeft hier niet op gereageerd. 6. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen en eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Totstandkoming van het besluit 7. Eiser heeft bij aankomst in Nederland gesteld dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 2006. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM) heeft op 31 oktober 2023 een leeftijdsschouw gedaan. De AVIM is daarbij tot de conclusie gekomen dat eiser evident meerderjarig is. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) heeft geen leeftijdsschouw verricht. Wel heeft de IND onderzoek gedaan naar de leeftijdsregistratie in Italië. Daar kwam uit dat eiser [geboortedatum 1] 2004 als geboortedatum had opgegeven bij de Italiaanse autoriteiten. 8. Met het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, waarbij de minister heeft aangenomen dat eiser op [geboortedatum 1] 2004 is geboren. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum, dat hij geen objectieve documenten heeft ingediend die zijn geboortedatum aantonen en dat eiser in Italië geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedatum 1] 2004. Over de wisselende verklaringen is in het besluit overwogen dat eiser bij zijn aanmelding op 31 oktober 2023 heeft verklaard dat hij in Italië [geboortedatum 2] 2026 als geboortedatum heeft opgegeven en dat hij in het aanmeldgehoor op 24 juli 2024 heeft verklaard dat hij zich niet herinnert welke geboortedatum hij in Italië heeft opgegeven. Verder heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij in Italië [geboortedatum 1] 2004 als geboortedatum zou hebben opgegeven en dat hij bij zijn aanmelding bang was om toe te geven dat hij in Italië een onjuiste datum had opgegeven. 9. Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van de leeftijdsschouw van de AVIM goed is onderbouwd en dat deze bij de beoordeling van de zaak kan worden betrokken. De leeftijdsschouw door de IND heeft, per abuis, niet plaatsgevonden. Daarom heeft de minister met het nemen van het bestreden besluit aangenomen dat de schouw van de IND geleid zou hebben tot de conclusie “twijfel” of “evident minderjarig”. Daarom was er ook aanleiding om nader onderzoek te doen in Italië. Beoordeling door de rechtbank 10. Eiser voert aan dat de leeftijdsbeoordeling door de minister onzorgvuldig tot stand is gekomen. De minister mag uitgaan van de juistheid van een door buitenlandse autoriteiten geregistreerde geboortedatum, maar dient nog wel zorgvuldig te onderzoeken en deugdelijk te motiveren welk gewicht er aan een dergelijke registratie wordt toegekend en waarom. Daarbij moet de minister toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. De minister heeft nagelaten om zorgvuldig onderzoek te doen naar de wijze waarop de leeftijdsregistratie in Italië tot stand is gekomen, terwijl eiser uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij daar destijds bewust een onjuiste datum heeft opgegeven. 11. De rechtbank overweegt dat een leeftijdsschouw pas volledig is als zowel de AVIM als de IND de schouw hebben gedaan en dat aan beide schouwen evenveel waarde wordt gehecht in de eindconclusie. Als slechts één van beiden een schouw heeft gedaan, zoals in deze zaak, betekent dat dus dat er geen volledige leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden. Dat brengt met zich dat de leeftijdsschouw van de AVIM in deze zaak geen bruikbaar middel is voor de beoordeling van de leeftijd van eiser. De rechtbank zal de leeftijdsschouw van de AVIM dan ook niet bij de beoordeling betrekken. De minister moet in dat geval blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en het is aan hem om de stelling van een vreemdeling over zijn leeftijd te ontzenuwen. 11.1. De minister heeft nader onderzoek verricht door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten naar de leeftijd die eiser in Italië heeft opgegeven. Naar aanleiding van dat onderzoek is de minister uitgegaan van [geboortedatum 1] 2004 als geboortedatum van eiser omdat hij met die geboortedatum in Italië staat geregistreerd. De minister heeft echter niet toegelicht waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. Uit de overgelegde informatie van de Italiaanse autoriteiten blijkt dat ook niet. Daaruit blijkt alleen dat eiser geen documenten heeft overgelegd en er verder geen onderzoek is gedaan naar eisers leeftijd. Eiser heeft over die leeftijdsregistratie bij de Italiaanse autoriteiten verklaard dat hij opzettelijk een verkeerde geboortedatum heeft opgegeven. In het bestreden besluit heeft de minister daarover slechts opgemerkt dat eisers verklaring niet wordt gevolgd omdat hij zelf verantwoordelijk is voor het verschaffen van juiste informatie over zijn persoonsgegevens. Daarnaast wijst de minister op de wisselende verklaringen van eiser over de geboortedatum die hij in Italië heeft opgegeven. De wisselende verklaringen van eiser over de geboortedatum die hij in Italië heeft opgegeven vindt de rechtbank onvoldoende om voorbij te gaan aan de presumptie van minderjarigheid die de minister in acht moet nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser zijn opgegeven leeftijd niet aannemelijk heeft gemaakt. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft eisers vastgestelde geboortedatum. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen over de aan eiser toe te kennen geboortedatum, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft eisers vastgestelde geboortedatum; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de aan eiser toe te kennen geboortedatum; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 april 2026. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:3801, rechtsoverweging 12, en de uitspraak van 13 oktober 2025 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:4893.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353700 · 2026-09-03
