Rechtbank Midden-Nederland, 11-08-2026 (UTR 25/6414)
Beroep, Woo, gegrond, zelf in de zaak voorzien, vw heeft document voor de hoorzitting al aan eiser verstrekt en ziet ook geen gronden om openbaarmaking te weigeren.
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/6414 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Gideonse), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest (gemachtigden: C.C. de Kruijf en mr. W.L. Heijden). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afhandeling van het verzoek dat eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) bij het college heeft ingediend. Het college heeft naar aanleiding van dat verzoek documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat zij zelf in de zaak zal voorzien. Het beroep van eiser gaat alleen nog over de weigering om bijlage 3 bij het Onderzoeksrapport afstudeeronderzoek: “Handhaving van niet-recreatief gebruik van recreatiewoningen op vakantieparken” van 23 augustus 2024 (bijlage 3 bij het onderzoeksrapport) openbaar te maken, Vaststaat dat eiser dit document in ongelakte vorm voorafgaand aan de hoorzitting van het college heeft ontvangen. Het college erkent dat er verder geen gronden zijn om openbaarmaking van dit document te weigeren. De rechtbank gaat ervan uit dat het college het document met de verstrekking daarvan aan eiser in bezwaar al openbaar heeft gemaakt. Dit had vervolgens moeten leiden tot een gegrond bezwaar en herroeping van het primaire besluit. Dat is ten onrechte niet gedaan en de rechtbank zal daarom alsnog doen wat het college had moeten doen door het primaire besluit op dit punt te herroepen. 1.2. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 13 december 2024 verzocht om openbaarmaking van documenten die zien op de voortgang van de bestuursrechtelijke handhaving van onrechtmatige bewoning van recreatieparken binnen de gemeente Soest. Eiser heeft verzocht om alle documenten die dateren van na 23 november 2023. 3. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2025 gedeeltelijk ingewilligd. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij het eerdere besluit gebleven en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank 6. Het college heeft in het primaire besluit besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van de gevraagde documenten. Deze documenten heeft hij ongelakt aan de rechtbank toegestuurd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft kennisgenomen van deze documenten. 7. Deze procedure gaat alleen over bijlage 3 bij het onderzoeksrapport. Dit is in het primaire besluit in gelakte vorm aan eiser verstrekt, omdat de weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder aanhef, en onder d, van de Woo van toepassing zou zijn. De gemachtigde van het college heeft het document voor de hoorzitting echter in ongelakte vorm aan eiser verstrekt. De bezwaarschriftencommissie heeft desondanks geadviseerd om het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten, waarin dit document dus niet geheel openbaar is gemaakt. Het college heeft advies geheel overgenomen en openbaarmaking geweigerd. 8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat het document dat hij heeft ontvangen in bezwaar een ander document is dan het document dat het college in gelakte vorm aan eiser heeft verstrekt bij het primaire besluit. Dat er een ander paginanummer op het document in bezwaar staat, betekent niet dat de inhoud van het document ook anders is. Het college heeft in het verweerschrift voldoende toegelicht dat het veranderen van de paginanummering te maken heeft met de toepassing van het programma Data Mask waarmee in het kader van de Woo gegevens kunnen worden weggelakt. Eiser heeft geen argumenten aangedragen waarom aan deze uitleg getwijfeld moet worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. 9. De rechtbank gaat er dus van uit dat eiser in bezwaar bijlage 3 bij het onderzoeksrapport ongelakt heeft ontvangen. Het college heeft vervolgens op advies van de bezwaarschriftencommissie openbaarmaking van dat document alsnog geweigerd. Dit besluit van het college is naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk. Het is onduidelijk hoe het advies van de bezwaarschriftencommissie om openbaarmaking van een document te weigeren, zich verhoudt tot de feitelijke verstrekking van datzelfde document aan eiser. Het is de rechtbank ook niet duidelijk hoe de verstrekking van het document op de hoorzitting met eiser is besproken, omdat een verslag van de hoorzitting in strijd met artikel 7:13, zesde lid, van de Awb niet bij het advies is gevoegd. 10. Het college heeft op de zitting in reactie op vragen van de rechtbank toegegeven dat de weigeringsgrond van artikel 5.1, eerste lid, onder aanhef, en onder d, van de Woo niet op het document van toepassing kan zijn, omdat het geen (bijzondere) persoonsgegevens bevat. Ook heeft het college erkend dat er geen andere weigeringsgrond van de Woo is aan te wijzen die in de weg staat aan openbaarmaking van het document. Dit leidt ertoe dat de rechtbank ervan uitgaat dat bijlage 3 bij het onderzoeksrapport in bezwaar door verstrekking van dat document aan eiser openbaar is gemaakt en dat dit niet op een fout berust. Deze gang van zaken had ertoe moeten leiden dat het bezwaar van eiser gegrond werd verklaard en dat het college het primaire besluit op dit punt had moeten worden herroepen. Het komt daarmee immers terug van het eerder genomen besluit. Het beroep is om die reden gegrond. 11. De rechtbank zal doen wat het college had moeten doen door zelf in de zaak te voorzien. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond (onder meer) omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij geweigerd is om bijlage 3 bij het onderzoeksrapport openbaar te maken. De rechtbank zal doen wat het college had moeten doen en zal het primaire besluit op dit punt herroepen, omdat het college feitelijk het document in bezwaar alsnog openbaar heeft gemaakt. 12.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 13 oktober 2025 voor zover daarin is beslist dat bijlage 3 bij het Onderzoeksrapport afstudeeronderzoek: “Handhaving van niet-recreatief gebruik van recreatiewoningen op vakantieparken” van 23 augustus 2024 geweigerd is openbaar te maken; - herroept het besluit van 18 februari 2025 in zoverre; - bepaalt dat dit document met de verstrekking daarvan aan eiser in bezwaar openbaar is gemaakt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.