Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:5408 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 19-02-2026 (UTR 25/2063)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

Beroep gegrond. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen twee afzonderlijke primaire besluiten. Het college heeft die bezwaren in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een advies van de bezwaarcommissie, ongegrond verklaard. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank voorziet zelf in deze zaak en doet wat het college had moeten doen en verklaart de bezwaren van eisers alsnog niet-ontvankelijk.

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/2063 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen [eiser 1] (eiser 1) en [eiser 2] (eiser 2), uit [plaats] , eisers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein (gemachtigde: mr. M.A. Verhoef-Murray). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit op bezwaar van 30 januari 2025 (het bestreden besluit). Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen twee afzonderlijke primaire besluiten. Het college heeft die bezwaren in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een advies van de bezwaarcommissie, ongegrond verklaard. De rechtbank komt echter tot de conclusie dat de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk zijn. De rechtbank voorziet zelf in deze zaak en doet wat het college had moeten doen en verklaart de bezwaren van eisers alsnog niet-ontvankelijk. De rechtbank zal hierna toelichten hoe zij tot dit oordeel komt. Procesverloop 2. Eisers hebben op 26 november 2024 bezwaar gemaakt tegen verschillende besluiten. Onderdeel C richt zich tegen twee besluiten, waarvan de kenmerken worden genoemd. Het eerste besluit is een besluit van 17 oktober 2024 en is gericht aan eiser 1. In dat besluit heeft het college een ingebrekestelling van eiser 1 van 7 oktober 2024 (ontvangen op 10 oktober 2024) afgewezen. 3. Het tweede besluit is een besluit van 16 oktober 2024 gericht aan eiser 2. In dat besluit heeft het college aan eiser 2, in reactie op zijn ingebrekestelling van 7 november 2023, dwangsommen toegekend, omdat het college niet op tijd op zijn bezwaar van 28 september 2022 tegen een besluit van 21 september 2022 heeft beslist. 4. In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie van 23 januari 2025, ongegrond verklaard. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van het college en [A] , [functie] van de gemeente Nieuwegein deelgenomen. Eisers zijn zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen. Beoordeling door de rechtbank Beroep namens [B] 6. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van eisers is ingediend namens henzelf en namens hun moeder [B] . Ook haar bezwaar tegen een besluit van 16 oktober 2024 is namelijk in het bestreden besluit ongegrond verklaard. Dit besluit is een reactie op haar ingebrekestelling van 7 november 2023. Het college heeft aan haar dwangsommen toegekend, omdat niet op tijd is beslist op haar bezwaar van 28 september 2022 gericht tegen een besluit van 21 september 2022, dat gaat over haar verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het college heeft vervolgens alsnog op dat bezwaar beslist in een besluit van 5 november 2024. Hiertegen heeft [B] beroep ingesteld. Gelet op artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank het geschil over haar ingebrekestelling niet in deze beroepsprocedure maar in de beroepsprocedure behandelen die gaat over haar AVG-verzoek. Als [B] het daarmee niet eens is, kan zij beroep instellen tegen de uitspraak in die beroepsprocedure. Het beroep van [B] maakt daarmee dus geen onderdeel uit van deze beroepsprocedure. Beroep namens eiser 1 7. Het bezwaar van eiser 1 van 26 november 2024 (onderdeel C) is gericht tegen een besluit van 17 oktober 2024, waarin het college een ingebrekestelling van 7 oktober 2024, ontvangen door het college op 10 oktober 2024, afwijst. De rechtbank heeft deze ingebrekestelling, ondanks dat er om is verzocht, niet van het college ontvangen. Het college heeft wel een ingebrekestelling van diezelfde datum van eisers moeder overgelegd, maar daarin wordt niet verzocht om ook te beslissen op een aanvraag of bezwaar van eiser 1. Dat eiser, zoals het college stelt, het college op 7 oktober 2024 in gebreke heeft gesteld om te beslissen op een inzageverzoek op grond van de Basisregistratie personen (Brp) is dus niet concreet gebleken. 7.1. Als er al een ingebrekestelling zou zijn ingediend, die samenhangt met een Brp-verzoek, dan geldt verder, dat het college heeft toegelicht in het door eiser 1 bestreden besluit van 17 oktober 2024 dat daarop al is beslist op 16 januari 2024. Een ingebrekestelling van 7 oktober 2024 kan dan ook nooit tot doel hebben om het college aan te sporen om op dat verzoek te beslissen, want dat was op dat moment al ruimschoots gedaan. 8. In het primaire besluit noemt het college ook een procedure op grond van de AVG. In die AVG-procedure is op 16 januari 2024 op het bezwaar van eiser 1 beslist en het beroep daartegen is bij de rechtbank afgerond. De ingebrekestelling van 7 oktober 2024 kan dan ook evenmin samenhangen met deze procedure, waarop al is beslist. 8.1. Daargelaten dat een ingebrekestelling, nadat allang op het bezwaar is beslist, tot niets kan leiden, wijst de rechtbank er ook op dat eiser 1 in een besluit van 16 oktober 2024 gericht aan eiser 1 heeft beslist over een ingebrekestelling van 7 november 2023. Het college heeft daarbij aan eiser de volledige som aan dwangsommen toegekend, omdat het college in de hiervoor genoemde AVG-procedure niet op tijd heeft beslist op het bezwaar. Eiser 1 kan niet twee keer dwangsommen ontvangen voor het te laat beslissen op hetzelfde bezwaar. Met zijn bezwaar van 26 november 2024 kan eiser 1, gelet op wat hiervoor is toegelicht, dus niets bereiken. 9. Het college heeft dat niet onderkend. Het bezwaar van eiser 1 had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, wegens het ontbreken van enig procesbelang. Het beroep voor zover ingediend namens eiser 1 is daarom gegrond en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser 1 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Beroep namens eiser 2 10. Het bezwaar van eiser 2 van 26 november 2024 (onderdeel C) is gericht tegen een besluit van 16 oktober 2024, waarin het college aan hem dwangsommen heeft toegekend, omdat niet op tijd is beslist op zijn bezwaar van 28 september 2022. 10.1. Eiser 2 kan met dat bezwaar echter niets bereiken. Hij heeft immers in het besluit van 16 oktober 2024 de volledige dwangsom van het college ontvangen en dat besluit bevat geen ander besluitonderdeel waartegen het bezwaar gericht zou kunnen zijn. Eiser 2 heeft dus ook geen procesbelang bij zijn bezwaar. Het college heeft dat niet onderkend. Het bezwaar van eiser 2 had ook niet-ontvankelijk verklaard moeten worden in plaats van ongegrond. 11. De rechtbank verklaart ook het beroep van eiser 2 gegrond en zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser 2 niet-ontvankelijk te verklaren. Conclusie en gevolgen 12. Zowel het beroep, voor zover ingediend namens eiser 1 als namens eiser 2, is gegrond. Het college had de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens het ontbreken van enig procesbelang. De rechtbank zal doen wat het college had moeten doen en de bezwaren van eisers alsnog niet-ontvankelijk verklaren. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht terugbetalen dat [B] , mede namens eisers, voor deze procedure heeft betaald. Er zijn verder geen proceskosten die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep van eisers gegrond; - vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de bezwaren van eiser 1 en eiser 2 ongegrond zijn verklaard; - voorziet zelf in deze zaak door de bezwaren van eiser 1 en eiser 2 niet-ontvankelijk te verklaren; - bepaalt dat het college het door [B] betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Besluitnummer 1134849. Besluitnummer 1128519 Besluitnummer 1091603/1091605/1063167 (1225051) Besluitnummer 1091603/1091605/1063167 (1225051) UTR 24/8162 UTR 23/5463 Besluitnummer 1091603/1091604/1063167 (1225051)