Skip to content
Case Law · Rechtbank Midden-Nederland ·ECLI:NL:RBMNE:2026:5325 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Midden-Nederland, 06-08-2026 (UTR 26/6254)

Rechtbank Midden-Nederland
Summary

Woningsluiting gemeente Lelystad. Verzoek om een voorlopige voorziening. De burgemeester heeft de woning van verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van zes maanden gesloten. Omdat er twijfels bestaan over de evenwichtigheid van de woningsluiting, heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter laat het belang van verzoeker om te kunnen wonen in zijn woning zwaarder wegen dan het belang van de burgemeester om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit tot aan de beslissing op het bezwaar en veroordeelt de burgemeester in de proceskosten en het griffierecht.

Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/6254 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. R.S. Pot), en de burgemeester van de gemeente Lelystad (de burgemeester), verweerder, (gemachtigde: mr. M. Adamsar). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Woningcorporatie Centrada uit Lelystad, (gemachtigde: mr. L. Wanders). Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het bestreden besluit van de burgemeester om de woning aan de [adres] te [plaats] met ingang van 1 juli 2026 om 13:00 uur te sluiten voor de duur van 6 maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het bezwaar heeft een redelijke kans van slagen. Daarom ziet de voorzieningenrechter in dit geval aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker, op grond van artikel 13b van de Opiumwet onder verwijzing naar het Damoclesbeleid van de gemeente Lelystad 2025, per 1 juli 2026 voor de duur van 6 maanden gesloten. 2.1. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester, de gemachtigde van de derde-partij bijgestaan door [A] . Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure te bezien of het treffen van een voorlopige maatregel nodig is. De voorzieningenrechter beoordeelt dan ook of het door verzoekster gemaakte bezwaar kans van slagen heeft. Vervolgens zal de voorzieningenrechter nog een belangenafweging verrichten. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Totstandkoming van het bestreden besluit en relevante feiten en omstandigheden 4. Op 15 april 2026 heeft de politie-eenheid Midden Nederland, districtsrecherche Flevoland een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Deze bestuurlijke rapportage ligt ten grondslag aan het bestreden besluit. 4.1. In de bestuurlijke rapportage is, voor zover van belang, het volgende vermeld. Op 5 januari 2026 ontving de politie informatie dat er vanuit de woning aan de [adres] te [plaats] grote hoeveelheden drugs zouden worden bezorgd. Er zouden veel jongeren met fietsen en auto’s langkomen. In de woning zou onder andere cocaïne worden opgeslagen en gedeald. Hierop heeft de politie een onderzoek ingesteld. Op 20 maart 2026 ontving de politie informatie dat verzoeker op dat moment (sinds 6 maart 2026) gedetineerd zat (voor een periode van 4 weken) en dat zijn woning gebruikt zou worden als crimineel honk voor diverse criminelen. Een van deze personen (hierna: deze persoon), zou verzoeker betaald hebben om gebruik te maken van zijn woning. De politie heeft geconstateerd dat deze persoon met een huissleutel toegang heeft tot de woning, en de politie heeft ook andere personen de woning kort zien binnengaan en weer zien vertrekken. Op 23 maart 2026 heeft de politie tijdens een observatie in de omgeving van de woning vastgesteld dat deze persoon contact heeft gemaakt met een bekende drugsgebruiker (nr. 1) en dat er een overdracht plaatsvond. Ook maakte deze persoon contact met een andere bekende drugsgebruiker (nr. 2). Deze persoon en drugsgebruiker nr. 2 zijn kort daarna gearresteerd op verdenking van drugshandel. 4.2. Na de aanhouding heeft de politie de woning van verzoeker betreden en onderzocht. Hierbij werden verdovende middelen in beslag genomen. De politie trof het volgende aan: 5,22 gram cocaïne, 10 gram hennep, 41,1 gram hasj, 10,8 gram hennepgruis en 1 tank lachgas. Ook heeft de politie een laptop aangetroffen met lijsten met duizenden persoonsgegevens die vermoedelijk worden gebruikt voor heldeskfraude. 4.3. Drugsgebruiker nr. 1 heeft een verklaring afgelegd en heeft verklaard dat er vanuit de woning van verzoeker wordt gedeald en heeft daarbij ook de naam van verzoeker genoemd. Verder volgt uit de bestuurlijk rapportage dat de wijkagent heeft geconstateerd dat er voor de woning en op de parkeerplaats naast de woning veel aanloop is, dat personen zich daar ophouden en dat er meldingen zijn van overlast van bezoek van jongeren en jongvolwassenen. Ook zijn er lege lachgasflessen aangetroffen op de parkeerplaats. Verder volgt uit de politiesystemen dat verzoeker in de afgelopen 5 jaar diverse politieregistraties heeft met betrekking tot overlast van alcohol/drugs en mobiel controleren. Ook is verzoeker regelmatig gecontroleerd in voertuigen in het bijzijn van bij de politie bekende personen. Verder volgt uit de registraties dat er in 2022 en 2026 Meld Misdaad Anoniem meldingen zijn binnengekomen over drugshandel op het adres van verzoeker. De politie heeft in 2025 een aandachtvestiging op de woning gemaakt in verband met een lopend conflict tussen verzoeker en een ander persoon. In 2026 heeft de politie diverse observaties gedaan bij de woning en gezien dat er personen waren bij de woning die de politie kent als drugsgebruikers of betrokken zijn bij de handel in drugs. 4.4. Op 27 mei 2026 heeft de burgemeester het voornemen tot sluiting aan verzoeker toegezonden. Dit voornemen strekt tot sluiting van 6 maanden. Verzoeker heeft hier geen zienswijze op ingediend. 4.5. In het bestreden besluit is het volgende vermeld. De burgemeester legt onder verwijzing naar het in dit kader gevoerde Damoclesbeleid, aan de sluiting ten grondslag dat er meer dan een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen en dat kan worden aangenomen dat die deels of geheel bestemd zijn voor verkoop, verstrekking en/of aflevering. De burgemeester wijkt daarbij af van zijn eigen beleid door een zwaardere maatregel te treffen, en de woning niet voor 3 maanden maar voor 6 maanden te sluiten. De burgemeester motiveert dat de volgende indicatoren dat rechtvaardigen: - zeer forse overschrijding van de gebruikershoeveelheid harddrugs (10/11x); - naast harddrugs ook softdrugs en lachgastank aangetroffen; - signalen van beroeps- of bedrijfsmatigheid (handel en aanloop); - verzoeker heeft de woning ter beschikking gesteld voor criminele activiteiten tijdens zijn detentie; - Meld Misdaad Anoniem meldingen over drugshandel en een aandachtvestiging; - daarmee schending van openbare orde en volksgezondheid. 4.6. De burgemeester vindt sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel om de openbare orde te beschermen en herstellen, het woon-en leefklimaat te beschermen, de bekendheid van de woning als drugspand te beëindigen en represailles te voorkomen. Omdat verzoeker volgens de burgemeester verwijtbaar heeft gehandeld en er geen bijzondere omstandigheden bekend zijn die aanleiding geven om af te zien van de sluiting van de woning voor 6 maanden vindt de burgemeester dat de sluiting ook evenwichtig is. Is er sprake van spoedeisend belang? 5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening gedurende de bezwaarperiode moet sprake zijn van spoedeisende belangen. Verzoeker voert aan dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek omdat de sluiting van de woning die hij inmiddels heeft moeten verlaten, voor zowel zijn minderjarige kind als voor hemzelf onevenredige gevolgen heeft. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het sluiten van de woning voor verzoeker zodanig ingrijpende gevolgen heeft dat aan het vereiste van spoed in dit geval is voldaan. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom inhoudelijk beoordelen. Toetsingskader 6. Op grond artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een woning te sluiten als er in deze woning drugs wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) gebruikt hiervoor als uitgangspunt dat als er in de woning meer dan 0,5 gram harddrugs en/of meer dan 5 gram softdrugs aanwezig is, de burgemeester in beginsel ervan mag uitgaan dat de drugs bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan aan verzoeker om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. 6.1. Voor de uitvoering van haar discretionaire handhavingsbevoegdheid heeft de burgemeester beleid opgesteld. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt wat het toetsingskader voor de rechter is in geval van uitoefening van een discretionaire handhavingsbevoegdheid op basis van een beleidsregel, om te beoordelen of de burgemeester binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid is gebleven. Het dient te gaan om een doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig handhavingsbesluit. Daarbij dient de burgemeester ten aanzien van de evenredigheid te bepalen of het besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Gelet op de forse inbreuk die een woningsluiting kan maken op grondrechten van de bewoners, zal de toetsing door de bestuursrechter bij woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet daarom doorgaans indringend zijn. 6.2. Op grond van artikel 4 van het Damoclesbeleid (handhavingsmatrix) wordt een woning in beginsel bij de vondst van harddrugs voor de duur van 3 maanden gesloten wanneer sprake is van een eerste overtreding. Uit het vijfde lid van dat artikel volgt dat verzwarende omstandigheden er toe kunnen leiden dat een zwaardere maatregel wordt toegepast dan aangegeven in de handhavingsmatrix. Daarbij kan het gaan om bijvoorbeeld het aantreffen van een combinatie van middelen als bedoeld op Lijst I, IA of II van de Opiumwet of dat sprake is van overlast zoals zichtbare loop naar het pand of structurele overlastmeldingen die wijzen op handel. Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten? 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester op zichzelf bevoegd was om de woning van verzoeker te sluiten. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij de aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs, 5,0 gram softdrugs of 5 (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de bestuurlijke rapportage van 15 april 2026 blijkt dat er een ruime handelshoeveelheid aan soft- en harddrugs is gevonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht de burgemeester het aannemelijk vinden dat de handelshoeveelheid aangetroffen drugs bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Tussen partijen is de bevoegdheid van de burgemeester ook niet in geschil. Kon de burgemeester in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid? 8. Verzoeker voert aan dat de woningsluiting niet noodzakelijk, geschikt en evenwichtig is. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat de sluiting in dit geval een geschikte en noodzakelijke maatregel is gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop de politie de woning heeft onderzocht (op 20 maart 2026) en het sluiten van de woning op 1 juli 2026. Ook stelt verzoeker dat de woningsluiting niet evenredig is. Niet is gebleken dat de burgemeester heeft betrokken dat verzoeker het co-ouderschap vervuld over zijn minderjarige zoon en zijn zoon de helft van de week bij hem verblijft. Ook ziet de woningstichting nu kans om de huur op te zeggen en de ontruiming van de woning aan te vragen. Ook vindt verzoeker het besluit onzorgvuldig gezien de tijdsduur (6 maanden) van de sluiting. 8.1. Op de zitting is verder het volgende naar voren gebracht. De derde-partij heeft toegelicht dat verzoeker samen met zijn vader in de woning woonde. De vader van verzoeker is echter in december 2025 overleden, waardoor verzoeker op dit moment de hoofdhuurder is. De gemachtigde van verzoeker heeft toegelicht dat sinds het overlijden van verzoekers vader in december 2025 het minder goed gaat met verzoeker en hij kwetsbaar is. Verzoeker heeft op een gegeven moment in februari 2026 contact gezocht met een bewindvoerder om zijn zaken op orde te krijgen. Ook heeft verzoeker toegelicht dat het belangrijk is dat verzoeker de woning behoudt, omdat voor het hebben van co-ouderschap een stabiele woningomgeving een vereiste is. Verder heeft de derde-partij toegelicht dat er een procedure bij de rechtbank loopt om de huurovereenkomst te ontbinden. 9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Ook dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. 9.1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij, gelet op de feiten en omstandigheden zoals deze bekend waren bij de burgemeester ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet op voorhand tot het oordeel komt dat de woningsluiting onrechtmatig is. Op de zitting zijn echter nieuwe feiten en omstandigheden over het persoonlijk leven van verzoeker naar voren gebracht. Verzoekers vader is overleden in december 2025, waarna uit het dossier lijkt te volgen dat de politie daarna vanaf januari 2026 informatie ontving over handel in drugs. Deze persoonlijke omstandigheid is nu geen onderdeel van de afweging van de betrokken belangen in het kader van de evenredigheid van het besluit. Daarnaast is op de zitting naar voren gekomen dat verzoeker naar hulp heeft gezocht, en contact heeft gezocht met een bewindvoerder. Ook dit is een omstandigheid die de burgemeester bij de afweging van de belangen dient te betrekken. Bovendien heeft verzoeker gesteld dat hij een minderjarige zoon heeft, waarover hij co-ouderschap vervuld en dat zijn zoon de helft van de week bij hem verblijft. Dat verzoeker een minderjarige zoon heeft is door de burgemeester op de zitting niet bestreden. Omdat in de woning een minderjarig kind woont, rust op de burgemeester een bijzondere motiveringsplicht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op geen enkele wijze uit het bestreden besluit blijkt dat is meegewogen en op welke manier dat verzoeker een minderjarig kind heeft en dat hij co-ouderschap heeft. Dat geldt ook voor de persoonlijke omstandigheden waarin verzoeker, na het overlijden van zijn vader, is komen te verkeren. 9.2. De voorzieningenrechter overweegt dat sluiting van een woning voor de duur van 6 maanden een bijzonder zware maatregel is. Het is daarom belangrijk dat bij de beslissing hiertoe alle belangen kenbaar worden meegewogen. Zoals hierboven is overwogen, is dat in deze zaak niet gebeurd. Los van de vraag of hier sprake was van een spoedeisende situatie waarin bestuursdwang was toegestaan, moeten dan in ieder geval zo snel mogelijk na deze sluiting de belangen alsnog gewogen worden. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat dit is gebeurd en ook uit wat namens de burgemeester op zitting naar voren is gebracht volgt dit niet. Het belang van verzoeker bij het openblijven van de woning is heel groot. Daartegenover staat het belang van de burgemeester bij bescherming van de openbare orde. De voorzieningenrechter begrijpt dit belang ook. De voorzieningenrechter zegt ook niet dat het geconstateerde gebrek niet kan worden gerepareerd in bezwaar door een betere motivering en door alsnog een belangenafweging te maken. Evenmin zegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester niet meer tot een sluiting van dezelfde duur kan besluiten als dat naar aanleiding van de belangenafweging het juiste besluit is. Hoewel de burgemeester ten tijde van het nemen van het besluit (zoals gesteld tijdens de zitting) mogelijk niet bekend was met de nu genoemde persoonlijke omstandigheden, dient de burgemeester deze belangen wel bij de beslissing op het bezwaar te betrekken en te wegen. De voorzieningenrechter ziet ook in dat verzoeker middels de zienswijze op het voornemen tot sluiting had kunnen reageren, waardoor de burgemeester zijn belangen wel bij het primaire besluit had kunnen betrekken. Het feit dat verzoeker van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt betekent echter niet dat de burgemeester bij de verdere besluitvorming geen rekening hoeft te houden met de aangevoerde omstandigheden en dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Redelijke kans van slagen van het bezwaar 10. Omdat er twijfels zijn over de evenwichtigheid van de sluiting van de woning, heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter laat vervolgens het belang van verzoeker tot het kunnen wonen in zijn woning zwaarder wegen dan het belang van de burgemeester om met de sluiting van de woning niet te wachten tot de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter betrekt in zijn afweging ook het feit dat er sinds het uitbrengen van de bestuurlijke rapportage door de politie geruime tijd (circa twee en een halve maand) is verstreken alvorens de burgemeester heeft besloten tot woningsluiting. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat van urgentie om de woning zo spoedig mogelijk te sluiten geen sprake was en dat de gevolgen niet onoverkomelijk zijn om de woningsluiting op te heffen totdat de burgemeester op grond van alle inmiddels bekend geworden feiten en omstandigheden het besluit kan heroverwegen. In dat verband is ook van belang dat de burgemeester op zitting heeft verklaard dat er geen observaties meer hebben plaatsgevonden na de bestuurlijke rapportage van 15 april 2026 en evenmin heeft verklaard dat er nog klachten zijn binnengekomen over drugsgerelateerde overlast. Dit betekent dat er aanleiding is om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit te schorsen tot aan de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. 11. De voorzieningenrechter overweegt verder dat een woningsluiting in het algemeen een geschikt middel is om een woning aan het drugscircuit te onttrekken, omdat zo herhaling van overtreding van de Opiumwet en de negatieve effecten daarvan voor het woon- en leefklimaat en de verstoring van de openbare orde kunnen worden voorkomen. De burgemeester dient in de beslissing op het bezwaar wel opnieuw in te gaan op de vraag of het sluiten van de woning, gelet op het tijdsverloop tussen de bevindingen van de politie in de bestuurlijke rapportage van 15 april 2026 en de nog te nemen beslissing op het bezwaar, nog kan bijdragen aan de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester dient te motiveren waarom na het constateren van de overtreding het nog geschikt en noodzakelijk is om de woning te sluiten of dat wellicht met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan. Bij die beoordeling dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval, dus ook het tijdsverloop, waar nodig in onderlinge samenhang te beoordelen. Conclusie en gevolgen 12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 26 juni 2026 is geschorst tot aan de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De proceskostenveroordeling is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het bestreden besluit van 26 juni 2026 tot aan de beslissing op het bezwaar; - bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2026. griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3078. Damoclesbeleid gemeente Lelystad 2025. Uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571 (Greenpeace) en de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (Harderwijk). Zie rechtsoverwegingen 7.4, 7.6, 7.8-7.9 van de Harderwijk-uitspraak en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. ECLI:NL:RVS:2025:2922. Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, rechtsoverweging 11 e.v. Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262, rechtsoverweging 6.2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3369, rechtsoverweging 4.2.