Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-08-2026 (BRE 25/6407)
verzet
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/6407 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2026 op het verzet van [opposant] , uit [woonplaats] , opposant , en uitspraak in de beroepszaak tussen opposant, tevens eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, het college Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 13 mei 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposant wegens niet tijdig beslissen door het college niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De uitspraak gaat in dit geval ook over het beroep van opposant. 1.2. Opposant en het college hebben desgevraagd laten weten geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank van het verzet 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 13 mei 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is. 2.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De uitspraak van 13 mei 2026 3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant geen procesbelang meer had bij beoordeling van zijn beroep. Motivering en gevolgen van het oordeel in verzet 4. Opposant voert aan dat hij wel procesbelang heeft, onder meer vanwege zijn verzoek om vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wegens het uitblijven van een besluit. Deze verzetsgrond slaagt. Opposant had namelijk nog procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Weliswaar is met het besluit van 7 januari 2026 inmiddels een reëel besluit genomen (naar aanleiding waarvan overigens inmiddels ook al een bezwaarprocedure is doorlopen), maar opposant heeft een belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, reeds omdat voor toekenning van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb een gegrond beroep noodzakelijk is. 4.1. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 13 mei 2026 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was wegens ontbreken van procesbelang. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Beoordeling door de rechtbank van het beroep 5. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld op een zitting te worden gehoord en heeft gewezen op haar bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep. Zij hebben aangegeven niet van die gelegenheid gebruik te willen maken. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk. 5.1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. 5.2. Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Is het beroep ontvankelijk? 6. Eiser heeft op 5 mei 2025 zijn verzoek via de e-mail ingediend bij het e-mailadres [e-mailadres 1] . De beslistermijn op het verzoek bedraagt in ieder geval één maand. Eiser heeft op 5 juni 2025 een ingebrekestelling verzonden naar hetzelfde e-mailadres. Op 6 juni 2025 heeft eiser (vanuit hetzelfde e-mailadres) een korte reactie ontvangen: “ Beste [opposant] , alle gegevens zijn verwijderd! Prettig weekend!” . Nadat eiser nog vier keer heeft gevraagd om een besluit, heeft hij op 10 december 2025 een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend. Op 7 januari 2026 heeft het college alsnog een besluit genomen. 6.1. Het college heeft in het verweerschrift van 12 januari 2026 gesteld dat er geen sprake is van een overschreden beslistermijn, omdat eiser een onjuist e-mailadres heeft gebruikt. Het e-mailadres [e-mailadres 1] is van de gemeentelijke griffier. Op de website staat dat bij een vraag of een klacht contact kan worden opgenomen met de functionaris gegevensbescherming via het mailadres [e-mailadres 2] . Eisers verzoek is daarom niet volgens de formele procedure in behandeling genomen. Verder voert het college aan dat de reactie van 6 juni 2025 kan worden aangemerkt als een (onvolledig) besluit en dat het geen ingebrekestelling heeft ontvangen. 6.2. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dat eiser zijn verzoek en ingebrekestelling niet naar het juiste e-mailadres heeft verzonden, waardoor het bij een verkeerde afdeling van de gemeente is terechtgekomen, kan in dit geval niet voor rekening en risico van eiser komen. Zijn verzoek en de ingebrekestelling zijn dermate duidelijk dat de griffier van de gemeenteraad de berichten had moeten doorsturen naar het college als het bevoegde bestuursorgaan of de berichten zo spoedig mogelijk diende terug te sturen naar eiser. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser ook op 6 juni 2025 een (inhoudelijke) reactie op zijn verzoek heeft gekregen, van hetzelfde e-mailadres [e-mailadres 1] . Bovendien heeft het college in het besluit van 7 januari 2026 de datum van 5 mei 2026 erkend als datum van het indienen van het verzoek. In dit besluit legt het college uit waarom het besluit vertraging heeft opgelopen en doet zij het verzoek dat eiser zich met toekomstige AVG-gerelateerde vragen zich richt tot [e-mailadres 2] . 6.3. De rechtbank oordeelt dat de reactie die eiser op 6 juni 2025 heeft ontvangen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De e-mail met enkel de inhoud “alle gegevens zijn verwijderd” betreft namelijk slechts een mededeling van een feitelijke handeling en geen besluit waar rechtsgevolgen uit voortvloeien. Overigens was die mededeling, zo blijkt uit het besluit van 7 januari 2026, inhoudelijk niet juist. 6.4. Het college stelt in het verweerschrift nog dat er geen ingebrekestelling bekend is, maar het college heeft een kopie van de e-mails van eiser overgelegd aan de rechtbank. Daartoe behoort ook de e-mail van 5 juni 2025 met als bijlage een ingebrekestelling. Na de ontvangst van de ingebrekestelling zijn twee weken voorbijgegaan. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Is het beroep gegrond? 6.5. Inmiddels is er een besluit genomen op zijn aanvraag. Eiser heeft kenbaar gemaakt het beroep te willen doorzetten en heeft op 9 februari 2026 inhoudelijke gronden ingediend. In de uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit verwezen naar het college ter behandeling als bezwaar. Op 16 juli 2026 heeft de rechtbank stukken ontvangen van het college waaruit blijkt dat het college op 17 juni 2026 reeds een beslissing op bezwaar heeft afgegeven. 6.6. In artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb is bepaald dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond kan worden verklaard indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. De rechtbank overweegt dat het vaststellen van verbeurde bestuurlijke dwangsommen een relevant procesbelang is en zal het beroep gegrond verklaren. Bestuurlijke dwangsom 7. Eiser heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. 7.1. Het college heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De rechtbank constateert dat uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 5 juni 2025 is ontvangen en dat sinds twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling meer dan 42 dagen zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dan ook dat de bestuurlijke dwangsom het maximale bedrag van € 1.442,- bedraagt. Conclusie over het beroep 8. Het beroep is gegrond. 8.1. Omdat de uitspraak van 13 mei 2026 met de verzetuitspraak is komen te vervallen, zal de rechtbank opnieuw vaststellen dat het college het betaalde griffierecht aan eiser dient te vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het verzet gegrond; verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond en vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; stelt de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-; bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van I. Ambachtsheer, griffier, op 18 augustus 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen de uitspraak voor zover betrekking hebbend op het verzet, staat geen rechtsmiddel open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo volgt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2430. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit staat in artikel 12, derde lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dit staat in artikel 2:3 van de Awb. Dit staat in artikel 6:20, vierde lid, van de Awb.