Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-07-2026 (C/02/446621/ FA RK 26-1653)
Vervangende toestemming wijziging school verleend - afwijzing verzoek wijziging zorgregeling.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/446621/ FA RK 26-1653 Datum uitspraak: 16 juli 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming en wijziging zorgregeling in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats 1], hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.P.M. Hendrix-Heeren in Breda, en [de man] wonende in [woonplaats 2], hierna te noemen: de man, advocaat: mr. J.B. de Bree in [woonplaats 2], over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018, hierna: [minderjarige 1]; - [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022, hierna: [minderjarige 2]. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1. Het verloop van het geding 1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 30 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - de F9-formulier (met bijlage) van mr. De Bree van 21 april 2026, 10 juni 2026 en 23 juni 2026; - de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. Hendrikx-Heeren van 8 mei 2026, 9 juni 2026 en 23 juni 2026; - het op 9 juni 2026 ontvangen verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek. 1.2. Op 16 juni 2026 heeft de rechtbank het verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord partijen en hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen) geboren. 2.2. De man heeft de kinderen erkend. Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen. 2.3. De kinderen verblijven bij de vrouw. 2.4. De man en de vrouw hebben samen een hulpverleningstraject gevolgd via het Uniform Hulpaanbod. Dit heeft geresulteerd in een ouderschapsplan. In de beschikking van de rechtbank van 13 maart 2026 zijn de regelingen zoals opgenomen in het ouderschapsplan vastgesteld, doordat het ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van deze beschikking. 2.5. Op grond van het ouderschapsplan verblijven de kinderen bij de man om de week van vrijdagochtend naar school/8.30 uur tot dinsdagochtend naar school/opvang. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te mogen schrijven op [basisschool] te [woonplaats 1] en de (buitenschoolse) opvang die daaraan gekoppeld is. 3.2. De man heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de zorgregeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan te wijzigen naar een regeling waarbij de kinderen de ene week bij de man verblijven en de andere week bij de vrouw, althans een zodanige regeling te bepalen als de rechtbank in het belang van de kinderen juist acht. 4 De standpunten 4.1. De vrouw legt aan haar verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. De vrouw is vorig jaar met de kinderen verhuisd naar [woonplaats 1]. De kinderen verblijven het grootste deel van de tijd bij haar. Door de verhuizing is de reistijd naar de huidige school in [woonplaats 2] aanzienlijk toegenomen. [minderjarige 1] heeft inmiddels haar sociale leven voornamelijk in [woonplaats 1] opgebouwd. Er vinden nauwelijks speelafspraakjes in [woonplaats 2] plaats. Zij zal volgend jaar in groep 5 starten, maar gelet op het feit dat er op haar huidige school regelmatig een wisseling van de klassensamenstelling plaats vindt, zal dat volgens de vrouw voor [minderjarige 1] geen probleem opleveren. [minderjarige 2] zal volgend schooljaar in groep 1 starten. De vrouw heeft geprobeerd met de man tot overeenstemming te komen over de inschrijving van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op de basisschool in [woonplaats 1]. Tot op heden heeft de man deze toestemming niet willen geven. De vrouw acht de weigering onredelijk en niet in het belang van de kinderen. In de onderhavige situatie is de reistijd van de kinderen fors toegenomen, is hun sociale binding met [woonplaats 1] sterker geworden en is het belang van rust, stabiliteit en aansluiting bij de nieuwe sociale omgeving evident. 4.2. De man verzet zich tegen het verzoek van de vrouw. Hij geeft aan dat beide kinderen al veel veranderingen hebben meegemaakt in de afgelopen jaren. Het ouderschapsplan is nog maar recent opgesteld en ondertekend. De man betreurt het dan ook dat de vrouw weer een gerechtelijke procedure is gestart. Tijdens het traject bij De Gezinsmanager heeft de man ingestemd met een verhuizing naar [woonplaats 1]. Er is echter niet gesproken over een inschrijving van de kinderen op een basisschool in [woonplaats 1]. De kinderen verblijven op maandag, dinsdag en donderdag op school en daarna op de buitenschoolse opvang. Op woensdag en vrijdag moeten zij tot 14.00 uur naar school, waarna de kinderen om de week op vrijdag bij de man verblijven. De man meent dat het sociale leven van de kinderen zich daarmee voornamelijk in [woonplaats 2] afspeelt. De man maakt zich zorgen over een wisseling van school voor [minderjarige 1]. Zij heeft het moeilijk gehad met alle veranderingen, maar gaat nu weer met plezier naar school. [minderjarige 1] is aangemeld voor een traject om te onderzoeken of zij dyslexie heeft. Op de huidige school weten zij wat [minderjarige 1] nodig heeft en kunnen zij haar veel bieden. De toegenomen reistijd voor de vrouw is naar de mening van de man niet onoverkomelijk. Wanneer de man de kinderen naar [woonplaats 1] naar school moet brengen, zal hij wellicht voorschoolse opvang moeten regelen, omdat de school in [woonplaats 1] om 8.45 uur start en de school in [woonplaats 2] om 8.30 uur. De man meent dat het in het belang van de kinderen is dat zij in [woonplaats 2] naar school (blijven) gaan. Hij heeft gekeken hoe de reistijd van de kinderen korter zou kunnen worden. Dat zou kunnen wanneer de kinderen meer tijd bij hem verblijven. De man ziet daarom een oplossing in een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de helft van de tijd bij de man verblijven. Zij kunnen dan gewoon op de huidige school in [woonplaats 2] blijven en de reistijd van en naar school daalt aanzienlijk. De man acht deze oplossing in het belang van de kinderen. De man meent dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu het bij hem ten tijde van het ondertekenen van het ouderschapsplan niet bekend was dat de vrouw de kinderen wilde inschrijven op een school in [woonplaats 1]. Daarnaast was de man net begonnen met een nieuwe functie en was het voor hem niet duidelijk of een co-ouderschapsregeling voor hem uitvoerbaar zou zijn. Inmiddels is gebleken dat dit heel goed mogelijk is. De man acht een co-ouderschapsregeling in het belang van de kinderen. Zij hebben dan aanzienlijk minder reistijd naar school en kunnen meer tijd met de man doorbrengen, waardoor de man meer betrokken kan zijn in het leven van de kinderen. 4.3. De Raad heeft tijdens de zitting zijn zorgen uitgesproken over het feit dat de ouders zo kort na het traject bij De Gezinsmanager weer bij de rechtbank zitten. De Raad vraagt zich af wat dit met de kinderen doet. De kinderen hebben al veel veranderingen meegemaakt. Het is voor hen belangrijk dat de ouders eenduidigheid uitstralen. De Raad acht het niet in het belang van de kinderen om de zorg- en contactregeling, die zo kort geleden is vastgesteld, nu weer te wijzigen. Ten aanzien van de schoolgang denkt de Raad dat het goed is dat de kinderen naar school gaan bij de ouder waar zij het meeste verblijven. Er is geen sprake van kindeigenproblematiek die een wijziging van school in de weg staat. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag een geschil tussen de ouders hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 Burgerlijk Wetboek BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. 5.2. Tijdens de zitting hebben beide partijen hun verzoek nader toegelicht. Kort gezegd is de vrouw van mening dat het voor de kinderen beter en praktischer is wanneer zij in [woonplaats 1] naar school gaan, zodat de reistijden aanzienlijk worden bekort. De man heeft duidelijk gemaakt dat hij al langere tijd een co-ouderschap voor ogen heeft, waarbij hij evenveel tijd met de kinderen heeft als de vrouw. Hij ziet het verzoek van de vrouw als een bedreiging van zijn wens om tot een volledig co-ouderschap te komen. Zorg- en contactregeling 5.3. De rechtbank heeft de ouders tijdens de zitting voorgehouden dat de belangen van de kinderen het uitgangspunt moeten zijn bij de afweging van het maken van de juiste beslissing. Evenals de Raad is de rechtbank van oordeel dat het voor de kinderen een te grote stap is om de huidige zorg- en contactregeling die de ouders nog maar kort geleden hebben afgesproken, en die is ingegaan per 3 oktober 2025, op dit moment te wijzigen naar een volledige co-ouderschapsregeling, week op/week af. 5.4. De rechtbank heeft tijdens de zitting met de ouders gesproken over een eventuele mogelijkheid om de contactregeling tussen de man en de kinderen te verruimen. Met de advocaten van de ouders is afgesproken dat zij de rechtbank binnen een week na de zitting zouden berichten over een mogelijke verruiming van de huidige regeling. Ter zitting heeft de rechtbank de optie genoemd om de vrijdagavond waarop de kinderen naar de man toe gaan, te vervroegen naar de donderdagavond. De ouders is de gelegenheid geboden om na te denken over een mogelijke verruiming. 5.5. Uit de berichten van de advocaten van 23 juni 2026 blijkt dat het partijen niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over een verruiming van de contactregeling. De man houdt vast aan zijn eerdere verzoek en geeft aan dat hij als tussenoplossing bereid is om de zorgregeling uit te breiden naar een regeling waarbij de kinderen van woensdagavond tot dinsdagochtend bij hem verblijven. Namens de vrouw is aangegeven dat zij persisteert bij haar inleidende verzoeken, maar dat zij in zou kunnen stemmen met een uitbreiding van het contact naar donderdag na school in plaats van vrijdag na school. 5.6. De rechtbank constateert dat de door de man aangevoerde tussenoplossing niet wezenlijk afwijkt van een volledige co-ouderschapsregeling. Zoals hierboven reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke ingrijpende wijziging niet in het belang van de kinderen is. Zij zal het verzoek van de man dan ook afwijzen. Het is voor de rechtbank niet duidelijk of de tussenoplossing die door de vrouw is voorgesteld voor de man een optie is. Het staat partijen vrij om hier eventueel zelf uitvoering aan te geven. Vervangende toestemming school 5.7. Bovenstaande houdt in dat de kinderen het grootste deel van de tijd bij de vrouw verblijven. Het accent bij de verzorging en opvoeding van de kinderen ligt daarmee bij de vrouw. De vrouw heeft duidelijk gemaakt dat het zowel voor haar als ook voor de kinderen zwaar is om het overwegende deel van de dagen dat de kinderen bij de vrouw zijn, de reis van [woonplaats 1] naar [woonplaats 2] vice versa te moeten maken voor schoolgang. De man heeft naast zijn belang bij een toekomstig co-ouderschap naar voren gebracht dat hij moeite heeft met het latere tijdstip waarop de school in [woonplaats 1] start. Dit betreft vijftien minuten, een duur waarvan de rechtbank van oordeel is dat de man dit geregeld zou moeten kunnen krijgen. De man heeft ten slotte nog aangevoerd dat het voor hem met een schoolgang in [woonplaats 1] lastiger is om in te gaan op verzoeken van de kinderen om na schooltijd met vriendjes of vriendinnetjes af te spreken. De rechtbank ziet dat dit een praktisch bezwaar is. Echter, dit geldt omgekeerd ook voor de vrouw wanneer zij de reis naar [woonplaats 2] moet blijven maken. Nu het aantal schooldagen waarop de kinderen bij de man zijn beperkter is dan het aantal waarop zij bij de vrouw zijn, acht de rechtbank het probleem van de zijde van de man niet zo zwaar dat dit doorslaggevend zou moeten zijn voor een behoud van de schoolgang in [woonplaats 2]. Ook het feit dat [minderjarige 1] ondersteuning nodig heeft in verband met dyslexie is voor de rechtbank geen reden voor behoud van de schoolgang in [woonplaats 2]. Zij neemt daarbij in aanmerking dat uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat ook op de school in [woonplaats 1] extra ondersteuning wordt geboden voor de leerlingen die dat nodig hebben. Alles overwegend is de rechtbank, mede gelet op het advies van de Raad, van oordeel dat het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming moet worden toegewezen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.8. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het van belang dat er bij aanvang van het nieuwe schooljaar duidelijkheid is over de schoolkeuze. Proceskosten 5.9. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zoals gebruikelijk is in familierechtelijke procedures. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. verleent aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man – vervangende toestemming om de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven op de [basisschool] te [woonplaats 1] en de (buitenschoolse) opvang die daaraan gekoppeld is; 6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.3. wijst het verzoek van de man af; 6.4. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.