# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-07-2026 (C/02/447442 / FA RK 26-2099)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:7103
- Date: 2026-07-02
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A7103
- Canonical: https://overview.legal/posts/353711

## Summary

Informele rechtsingang

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/447442 / FA RK 26-2099 Datum uitspraak: 2 juli 2026 Beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van de informele rechtsingang [minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] , wonende in [plaats 1] . De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 1] , advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg. [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 1] . De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, is op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren. 1 Het verloop van de zaak 1.1. Op 21 april 2026 heeft de rechtbank in Middelburg een e-mailbericht ontvangen van [minderjarige] . Met het oog op de woonplaats van [minderjarige] in [plaats 1], heeft de rechtbank in Middelburg het e-mailbericht doorgestuurd naar de rechtbank in Breda. 1.2. De kinderrechter in de rechtbank Breda heeft op 27 mei 2026 met [minderjarige] gesproken over zijn e-mailbericht. 1.3. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de ouders en de Raad uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2026. Hierbij zijn verschenen: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; - de vader; - een vertegenwoordiger van de Raad. 1.4. De kinderrechter heeft de volgende stukken in haar beoordeling meegenomen: - het e-mailbericht van [minderjarige] van 21 april 2026; - de brief van mr. Kranenburg van 16 juni 2026 met bijlagen. 2 De feiten 2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2019 is in het huwelijk van de ouders de echtscheiding uitgesproken. 2.2. [minderjarige] is voorafgaand aan het huwelijk van zijn ouders geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend. 2.3. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.4. [minderjarige] woont bij de moeder. 2.5. De ouders zijn in het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte ouderschapsplan van 11 september 2019 overeengekomen dat [minderjarige] (en zijn zusje) in de ene week in het weekend van vrijdag tot en met zondag en in de andere week van donderdag tot en met vrijdag bij de vader verblijven. 3 De vraag van [minderjarige] 3.1. vraagt de kinderrechter om de omgangsregeling tussen hem en zijn vader te veranderen. Hij wil namelijk zelf bepalen wanneer hij naar zijn vader toe gaat. 3.2. [minderjarige] heeft in zijn brief en tijdens het gesprek met de kinderrechter daarover verteld dat er twee dingen bij hem spelen. Ten eerste durft hij bij zijn vader niet zichzelf te zijn, omdat zijn vader snel boos wordt. Hij vindt het moeilijk om met zijn vader hierover te praten. Twee jaar geleden heeft er al eens een gesprek plaatsgevonden met zijn vader, maar de houding van zijn vader is sindsdien niet veranderd. Hij heeft een paar keer met iemand van de GGD gepraat over hoe het bij zijn vader ging, maar dat is gestopt. Hij heeft ook een keer gesproken met zijn mentor van school. Zijn vader heeft hem recent in Disneyland bij zijn nek gegrepen. In overleg met Veilig Thuis heeft hij daarna besloten niet meer naar zijn vader te gaan. Inmiddels is hij al een paar weken niet bij zijn vader geweest. Hij heeft soms via whatsapp nog wel contact met hem. Hij vraagt zich af hoe het moet in de zomervakantie, want hij zou eigenlijk met zijn vader mee op vakantie naar Griekenland gaan. Ten tweede speelt er dat zijn vader heeft aangegeven samen te gaan wonen met zijn vriendin in [plaats 2] . [minderjarige] verbleef al geregeld met zijn zusje en vader bij die vriendin in Zeeland. Zijn vader en zijn vriendin hebben een nieuwbouwwoning in [plaats 2] gekocht. Na de verhuizing zal de omgangsregeling veranderen en zouden hij en zijn zusje alleen om het weekend nog bij de vader verblijven. Hij wil daar niet om het weekend verblijven, omdat hij zijn vrienden en sport in [plaats 1] heeft, hij er geen plek heeft om huiswerk te maken en er niet kan gamen vanwege de kinderen van de vriendin van zijn vader. [minderjarige] wil zijn vader wel zien, maar niet meer structureel op een bepaalde dag en niet meerdere dagen achter elkaar. Hij wil zelf beslissen wanneer hij naar zijn vader gaat. Hij denkt dat dit dan een keer in de twee of drie maanden zal zijn. Zijn moeder heeft opgezocht wat hij hieraan kon doe. Zij heeft hem toen verteld dat hij een brief aan de kinderrechter kan schrijven. 4 De standpunten 4.1. De vader heeft naar voren gebracht dat hij in januari van dit jaar heeft aangegeven met zijn vriendin samen te gaan wonen. Hij heeft een nieuwbouwwoning gekocht. Hij heeft het op tijd aan [minderjarige] en zijn [zusje] verteld, omdat ze dan nog tijd hebben om aan het idee te wennen. De vader heeft eind januari geprobeerd om contact te zoeken met de moeder om te bespreken hoe de zorgregeling er na de verhuizing uit gaat zien. Ze zijn al geregeld in Zeeland. [minderjarige] houdt van online gamen en kan dit ook vanuit Zeeland. De vader heeft wel eens bij [minderjarige] aangegeven dat het niet uitkwam om bij de handbal in te vallen. Er is echter sprake van een groter plaatje. Sinds de echtscheiding stelt de moeder bij de overdracht van de kinderen vaak voor welke activiteiten zij dat weekend bij de vader willen doen. Hij gaat daarin mee, maar moet ook wel eens ‘nee’ zeggen, omdat het dan niet uitkomt. Door de wijze waarop de moeder dit doet, moet hij het in het bijzijn van de kinderen afwijzen. Dat maakt het moment lastig. De moeder gaat niet vooraf met hem in overleg. De vader merkt dat er door de moeder negatief over hem wordt gesproken. [zusje] heeft tijdens het uitje naar Disneyland aan hem verteld dat zij door de moeder gedwongen is om een brief aan de kinderrechter te schrijven. Na het incident in Disneyland heeft de vader een bericht gekregen dat [minderjarige] niet meer naar hem toekomt. De vader heeft in maart en april vijf keer contact gezocht met de moeder om het gesprek met elkaar te gaan over de situatie met [minderjarige] , maar ook over [zusje] . Uiteindelijk hebben de ouders alleen even met elkaar gesproken op de parkeerplaats voor de handbalwedstrijd. De vader heeft toen vernomen dat [minderjarige] zich niet prettig voelt bij hem. Dit is vorig jaar ook in een gesprek aan de orde gekomen. De vader had toen [minderjarige] aangesproken op een scheldwoord, waarna [minderjarige] naar de moeder wilde. [minderjarige] heeft toen al verteld dat hij het gevoel heeft niet zichzelf te kunnen zijn bij de vader. De vader had de afgelopen maanden juist het idee dat het beter tussen hen ging. Hij heeft regelmatig aan [minderjarige] gevraagd hoe het met hem gaat en of hij ergens over wil praten. [minderjarige] antwoordt altijd dat het goed gaat of dat hij het niet weet. De vader ervaart dat het lastig is om toegang te krijgen tot [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] niet gepusht om naar hem te komen, gezien zijn leeftijd. Hij wil [minderjarige] even de tijd gunnen. Via Surplus zal er hulp komen voor [minderjarige] , heeft de vader vernomen. De vader is bereid om flexibel voor [minderjarige] te zijn, maar vindt wel dat de basis eenmaal per twee weken een weekend moet zijn om het contact te behouden. In overleg kan daar vanaf worden geweken, bijvoorbeeld als [minderjarige] een feest heeft. Dit moet dan wel tijdig worden besproken. Hij wil meedenken in hoe hij tegemoet kan komen aan de wensen van [minderjarige] . De vader denkt dat [minderjarige] veel baat kan hebben bij hulpverlening, zodat hij zich beter kan leren uiten. De vader wil graag structureel contact met [minderjarige] , maar het moet op een voor [minderjarige] veilige en comfortabele manier. De vader denkt dat het onder deze omstandigheden niet goed zou zijn voor [minderjarige] als hij mee moet gaan op vakantie naar Griekenland. 4.2. De moeder heeft aangegeven dat deze brief van [minderjarige] een langer voortraject heeft gehad. Toen de ouders uit elkaar gingen hebben de kinderen KIES gevolgd. De kinderen hebben toen al benoemd bang te zijn voor de vader, omdat de vader boos wordt en slaat. De ouders zijn hiervoor bij de jeugdprofessional op gesprek geweest. Ook Veilig Thuis is betrokken geweest. De vader heeft zich aangemeld voor een traject vanwege trauma’s. Er is ook een traject geweest waarbij [minderjarige] gesprekken met de vader heeft gehad. Vorig jaar heeft er ook een gesprek plaatsgevonden tussen [minderjarige] , de vader en de moeder, maar dit heeft weinig verandering teweeg gebracht. [minderjarige] heeft na de aankondiging van de verhuizing door de vader al zelf gezocht welke actie hij kan ondernemen. De moeder heeft contact gehad met de jeugdprofessional van [zusje] , maar zij gaf aan daar niets voor te kunnen doen. [minderjarige] heeft toen al een brief aan de kinderrechter geschreven, maar deze is nooit verstuurd. [zusje] maakte zich zorgen of zij dan ook niet meer naar vader mag. Zij heeft toen een brief aan de kinderrechter geschreven dat zij geen wijziging van de zorgregeling wil. Deze brief is ook nooit verstuurd. Na het incident in Disneyland is er contact met Veilig Thuis geweest. Veilig Thuis heeft geadviseerd dat [minderjarige] niet meer naar de vader gaat. De moeder heeft contact opgenomen met het CJG. Zij zijn verwezen naar Surplus. Surplus gaf aan niet de hulp voor minderjarigen te doen, dus is de vraag weer teruggelegd bij de jeugdprofessional. De hulpverlening kwam niet van de grond. Daarom heeft [minderjarige] uiteindelijk toch een brief aan de kinderrechter gestuurd. Veilig Thuis heeft de melding doorgezet naar de jeugdprofessional. Daarna is er bij het CJG een intakegesprek met [minderjarige] ingepland op 8 juli. Voor de ouders is nog geen gesprek gepland. [minderjarige] heeft in de afgelopen weken ondersteuning gehad op school. De moeder heeft de hulp dus breed proberen in te zetten. De vader heeft haar gemaild voor een gesprek, maar dit ging over de zorgregeling na zijn verhuizing. De moeder heeft niet een verzoek gedaan aan de rechtbank, omdat het de wens van [minderjarige] betreft. [minderjarige] wil beperkter contact met de vader. Hij wil niet om het weekend naar Zeeland. De moeder denkt dat het contact met de vader kan plaatsvinden op een doordeweekse middag in [plaats 1] . Er moet eerst hulpverlening komen. De moeder is het eens met de vader dat de vakantie met de vader naar Griekenland nu niet in zijn belang is. De advocaat van de moeder heeft geopperd dat de ouders zich tot [persoon] kunnen wenden totdat er hulpverlening via het CJG plaatsvindt, omdat zij direct een gesprek met de ouders en [minderjarige] kan aangaan. 4.3. De Raad heeft aangegeven dat het niet passend is dat de verantwoordelijkheid voor deze procedure bij [minderjarige] ligt. De ouders communiceren niet met elkaar. Er is sprake van oudercommunicatieproblematiek. Zij moeten daaraan gaan werken. Het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft littekens opgelopen. [minderjarige] vindt het moeilijk om zich op zijn gemak te voelen bij de vader. Mogelijk vindt hij het ook lastig als de vader een bepaalde mening heeft of de verschillen in de opvoedsituaties tussen de ouders. Daarnaast speelt de verhuizing, maar dit speelt vaker binnen gezinnen. Als [minderjarige] een probleem heeft met zijn vader, dan moeten als eerste de ouders met elkaar overleggen om op één lijn te komen. Als dat niet lukt, dan moeten de ouders gezamenlijk de hulpverlening zoeken. De Raad denkt dat een traject bij De GezinsManager of [hulpverlening] of een soortgelijke zorgaanbieder passend is, omdat dan binnen een traject gewerkt kan worden aan de oudercommunicatie en het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het gaat om contactherstel op emotioneel vlak tussen [minderjarige] en de vader, dat de vader leert aansluiten bij [minderjarige] en dat [minderjarige] zijn vader accepteert als opvoeder. Daarnaast moeten de ouders psycho-educatie krijgen. Alleen begeleiding door het CJG of Surplus is onvoldoende. [persoon] kan wellicht sneller begeleiding bieden, maar zij is meer gericht op jongere kinderen en situaties dat er al langdurig geen contact is. Dat is hier niet aan de orde en bovendien speelt er veel meer dan alleen een contactbreuk. Het is dus beter om te wachten op passende hulpverlening. 5 De beoordeling door de kinderrechter 5.1. [minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, bijvoorbeeld door een e-mailbericht te sturen, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen. 5.2. Op grond van artikel 1:253a lid 4 en lid 2 sub a in samenhang met artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter ambtshalve een beslissing geven over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, als haar blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt. [minderjarige] kan daarom worden ontvangen in zijn vraag. 5.3. Tijdens de zitting is gebleken dat zowel de ouders als de Raad het nodig vinden dat er nu eerst hulpverlening zal plaatsvinden. De moeder heeft aangegeven dat op 8 juli 2026 een gesprek plaatsvindt tussen [minderjarige] en de jeugdprofessional van het CJG. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de ouders en [minderjarige] door het CJG worden verwezen naar passende hulpverlening. Zoals de Raad heeft aangegeven is de inzet van De GezinsManager of [hulpverlening] of een soortgelijke zorgaanbieder noodzakelijk. De inzet van hulpverlening is namelijk nodig op het gebied van de oudercommunicatie, psycho-educatie aan de ouders, contactherstel op emotioneel vlak tussen [minderjarige] en de vader, dat gekeken wordt wat [minderjarige] nodig heeft om zichzelf te kunnen zijn bij de vader, dat de vader leert hoe hij beter kan aansluiten bij [minderjarige] en dat [minderjarige] zijn vader accepteert als opvoeder. De kinderrechter doet een dringend beroep op de jeugdprofessional van het CJG om deze verwijzing mogelijk te maken. 5.4. De kinderrechter zal niet ambtshalve beslissen dat de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zal worden gewijzigd. De vader heeft aangegeven [minderjarige] de rust te gunnen en hem nu niet te verplichten bij hem te zijn. De moeder zal [minderjarige] vertellen dat er een pauzemoment is, waardoor hij nu niet naar de vader hoeft te gaan. De ouders hebben ter zitting gezamenlijk besloten dat [minderjarige] niet meegaat op zomervakantie met de vader. De kinderrechter ziet daarom geen reden om de zorgregeling al te gaan wijzigen. De kinderrechter merkt daarbij op dat de verantwoordelijkheid voor deze procedure niet bij de [minderjarige] mag worden gelegd nu dit zeer belastend is voor een kind. De ouders moeten hun gezamenlijke verantwoordelijkheid nemen voor de beslissingen over [minderjarige] . Als (uiteindelijk) een beslissing van een rechter nodig is, is het aan één van de ouders om zich tot de rechter te wenden. De kinderrechter zal daarom deze procedure beëindigen met deze eindbeslissing. 6 Brief aan [minderjarige] 6.1. De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief aan [minderjarige] staat het volgende. Beste [minderjarige] , Op 27 mei hebben wij met elkaar gesproken, omdat jij een e-mail aan de rechtbank hebt gestuurd. Je hebt mij verteld dat je wilt dat de omgangsregeling met jouw vader wordt veranderd en dat je voortaan zelf mag kiezen wanneer je naar je vader gaat. Ik heb op 19 juni met jouw ouders gesproken. Daar was ook een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming bij aanwezig. Jouw moeder heeft mij verteld dat jij op 8 juli een gesprek hebt met een jeugdprofessional van het CJG om hulpverlening te krijgen. Ik vind het ook belangrijk dat er hulpverlening komt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft mij daarover advies gegeven. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert dat deze jeugdprofessional jou en jouw ouders zal verwijzen naar een hulpverlenende organisatie. Bij deze organisatie kan je dan vertellen wat jij nodig hebt om je meer op je gemak te voelen bij jouw vader en kan je vader leren hoe hij beter bij jou aan kan sluiten. Ook is nodig dat jouw ouders samen hulpverlening gaan krijgen. Zij moeten namelijk beter leren praten met elkaar. Ik ben het eens met dit advies van de Raad voor de Kinderbescherming en heb dit opgeschreven in mijn uitspraak aan jouw ouders. Jouw ouders kunnen dan deze uitspraak laten zien aan de jeugdprofessional. Jouw vader heeft aangegeven jou niet te dwingen om naar hem te gaan. Hij gunt jou de rust die je nu nodig hebt. De omgangsregeling staat daarmee op pauze totdat de hulpverlening komt. Ook hebben jouw ouders samen besloten dat jij niet met jouw vader meegaat op zomervakantie naar Griekenland. Zij vinden dat allebei het beste nu. Ik zal daarom nu niet beslissen om de omgangsregeling te veranderen, omdat jouw ouders het eens zijn met elkaar dat er hulpverlening moet komen. Ook zijn ze het met elkaar eens dat de omgangsregeling voor nu even op pauze staat. Hiermee is deze procedure afgelopen. Het is op dit moment nog niet duidelijk hoe in de toekomst het contact tussen jou en je vader eruit gaat zien. Jouw ouders zullen dat samen gaan beslissen. Ik wil je nog wel graag vertellen dat het voor jouw ontwikkeling belangrijk is dat je wel geregeld contact houdt met jouw vader. Met vriendelijke groet, mr. Phillips kinderrechter 7 De beslissing van de kinderrechter De kinderrechter neemt geen ambtshalve beslissing op de (aan)vraag van [minderjarige] . Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas, griffier. Mededeling van de griffier: Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof: a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking; d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353711 · 2026-09-03
