Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 26-06-2026 (C/02/442382 / FA RK 25-6109)
Internationale bevoegdheid. Verzoek ex artikel 1:253a BW. Nederlandse rechter geen bevoegdheid. Gewone verblijfplaats van de minderjarige is niet in Nederland gelegen. Artikel 7 Brussel II-ter. Artikel 9 Brussel II-ter.
Full text
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/442382 / FA RK 25-6109 datum uitspraak: 26 juni 2026 beschikking over een geschil ex artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats 1] , advocaat: mr. W.H.P. de Jong in Roosendaal, tegen [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats 2] (Hongarije), advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers in Breda, over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2010, hierna: [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - het op 20 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen; - de op 8 december 2025 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - de brieven van de griffier aan de advocaat van de vrouw van 16 december 2025 en 20 januari 2026; - het F4-formulier van de advocaat van de vrouw van 31 december 2025; - de op 22 januari 2026 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlage; - de brieven van de griffier aan de advocaat van de vrouw van 27 januari 2026 en 6 maart 2026; - het op 6 maart 2026 ontvangen bericht van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - de brief van de griffier van 17 maart 2026 aan de advocaat van de vrouw; - het op 31 maart 2026 ontvangen F9-bericht van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - het op 18 mei 2026 ontvangen bericht van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - het op 22 mei 2026 ontvangen F9-bericht van de advocaat van de man met bijlagen; - het op 26 mei 2026 ontvangen F9-bericht van de advocaat van de vrouw; - het op 27 mei 2026 ontvangen F9-bericht van de advocaat van de vrouw met bijlagen; - het op 29 mei 2026 ontvangen F9-bericht van de advocaat van de vrouw met bijlage. 1.2 De zaak is mondeling behandeld op 29 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. De vrouw was aanwezig met een videoverbinding. 1.3 Voor deze mondelinge behandeling heeft de rechter met [minderjarige] gesproken over het verzoek. De rechter heeft een samenvatting gegeven van dit gesprek en daar hebben partijen op kunnen reageren. 2 De feiten 2.1 Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: De man en de vrouw zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is [minderjarige] geboren. Bij beschikking van [datum 1] 2017 is de echtscheiding uit gesproken. Deze echtscheiding is op [datum 2] 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. De vrouw en [minderjarige] zijn per 14 december 2017 uitgeschreven uit Nederland. Nadat zij een periode in België hebben gewoond zijn zij in 2022 geëmigreerd naar Hongarije. De man, de vrouw en [minderjarige] hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Er is lange tijd geen contact geweest tussen [minderjarige] en de man. Dit contact is in 2025 hersteld, eerst door middel van videobellen. [minderjarige] is in het weekend van 8 en 9 november 2025 op verzoek van [minderjarige] door de man opgehaald in Hongarije. [minderjarige] verblijft sinds 10 november 2025 bij de man in Nederland. Er loopt een procedure bij de rechtbank van Pápa in Hongarije omtrent het gezag over [minderjarige] onder zaaknummer P.20430/2025. Op 31 maart 2025 heeft er een zitting tussen partijen plaatsgevonden bij de Hongaarse rechtbank. De Hongaarse rechter heeft op 10 april 2026 de verzoeken van de vrouw over het gezag aangehouden. Daarbij heeft de Hongaarse rechter geoordeeld dat tot de definitieve afhandeling van de zaak in Nederland gezorgd moet worden voor deelname van [minderjarige] aan het voortgezet onderwijs. De behandeling van de zaak bij de Hongaarse rechtbank wordt voortgezet op 1 juni 2026. 3 Het verzoek 3.1 De man verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf voortaan bij de man heeft; II. te bepalen dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend in plaats van de toestemming van de vrouw ten behoeve van de aanvraag van een Nederlandse identiteitsbewijs voor [minderjarige] en de inschrijving van [minderjarige] op een Nederlandse middelbare school in de buurt van de woonplaats van de man. 3.2 De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man. 4 De standpunten 4.1 De man stelt dat [minderjarige] haar feitelijke verblijfplaats heeft bij de man en dat de Nederlandse rechter daarom bevoegd is. 4.2 De vrouw stelt zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Hongarije heeft. [minderjarige] is op onrechtmatige wijze door de man overgebracht naar Nederland. Er is volgens haar sprake van internationale kinderontvoering in het licht van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. 4.3 Op vragen van de rechtbank heeft de man aangegeven dat de vrouw in 2022 zonder zijn toestemming met [minderjarige] is vertrokken naar Hongarije. Vanwege zijn persoonlijke omstandigheden op dat moment heeft de man daar verder geen actie op ondernomen. Nu heeft hij zijn leven op de rit en is hij al meerdere jaren vrij van middelengebruik. De man heeft eerst contact gehad met [minderjarige] toen zijn nog in Hongarije woonde. Toen [minderjarige] aangaf dat zij niet langer bij haar moeder wilde blijven, heeft hij haar opgehaald in Hongarije. 4.4 De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat de man haar destijds geen toestemming heeft gegeven om met [minderjarige] naar Hongarije te emigreren. Toen de toestemming van de man uitbleef, is zij wel met [minderjarige] vertrokken. De man heeft jarenlang geen interesse getoond in [minderjarige] . De vrouw is het er niet mee eens dat [minderjarige] bij de man verblijft. Zij is van mening dat [minderjarige] moet terugkeren naar Hongarije om daar haar school af te maken. De vrouw stelt dat [minderjarige] alleen bij de man wil wonen vanwege haar vriendje. Er zijn verder volgens de vrouw geen problemen met [minderjarige] bij haar in de thuissituatie. 4.5 Ten aanzien van de internationale bevoegdheid is door de advocaat van de man betoogd dat [minderjarige] in Nederland verblijft. Het verzoek aan de Nederlandse rechter is eerder ingediend dan aan de Hongaarse rechter. [minderjarige] heeft altijd haar hoofdverblijf gehad in Nederland. Daar is in 2022 verandering in gekomen zonder instemming van de man. Op basis van artikel 7 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) is de Nederlandse rechter daarom volgens de advocaat bevoegd om over de verzoeken van de man te oordelen. 4.6 De advocaat van de vrouw heeft aangevoerd dat [minderjarige] op de datum van de indiening van haar verzoek haar gewone verblijfplaats had in Hongarije en de Hongaarse rechter in deze dan ook bij uitsluiting bevoegd is. De reden dat door de vrouw geen teruggeleidingsprocedure is gestart, is omdat de ervaring is dat de centrale autoriteit in Nederland geen actie onderneemt ten aanzien van een minderjarige in de leeftijd die [minderjarige] heeft. Dit is een uitdrukkelijke keuze geweest. De vrouw berust niet in de overbrenging van [minderjarige] naar Nederland en er is dan ook sprake van een ongeoorloofde overbrenging door de man. De Nederlandse rechter is derhalve onbevoegd om de verzoeken in behandeling te nemen. 4.7 De vertegenwoordigster van de Raad vraagt partijen tijdens de mondelinge behandeling of er een opening is voor crossborder mediation en of dit in overweging is genomen door partijen. Aangezien [minderjarige] heel graag bij de man wil blijven en de vrouw wil dat zij terugkomt, zal er iets moeten gebeuren in de communicatie van partijen, aldus de Raad. Dit geldt in de situatie als [minderjarige] bij de man blijft, maar ook als zij tegen haar zin in terug zal moeten keren naar de vrouw. De Raad heeft zorgen over deze situatie en vreest dat het verder zal escaleren. Crossborder mediation zou in deze zaak mogelijk tot een oplossing kunnen leiden. Ook dient er op korte termijn duidelijkheid te komen over de school van [minderjarige] . 5 De beoordeling Internationaal privaatrecht (IPR) 5.1 In deze zaak staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ter discussie. De rechtbank dient eerst vast te stellen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek. Internationale bevoegdheid 5.2 Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter, is de Nederlandse rechter bevoegd een verzoek aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid te beoordelen, als een kind op het moment van de indiening van het verzoek zijn of haar gewone verblijfplaats had in Nederland. 5.3 Artikel 9 Brussel II-ter bepaalt dat, onverminderd artikel 10, in het geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind, de gerechten van de lidstaat waar een kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en: a. a) enige persoon, of instantie die of ander orgaan dat gezagsrecht bezit, in de overbrenging of niet-terugkeer heeft berust; of b) het kind gedurende ten minste een jaar nadat de persoon, de instantie of het orgaan met gezagsrecht kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind, in die andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving geworteld is, en aan minstens één van de volgende voorwaarden is voldaan: i. i) er is bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarnaar het kind is overgebracht of waar het wordt vastgehouden, geen verzoek tot terugkeer ingediend binnen een jaar nadat de persoon die gezagsrecht bezit, kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfplaats van het kind; ii) een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer is ingetrokken en binnen de onder i) gestelde termijn is geen nieuw verzoek ingediend; iii) een door de persoon met gezagsrecht ingediend verzoek tot terugkeer werd door een gerecht van een lidstaat geweigerd op andere gronden dan artikel 13, lid 1, onder b), of artikel 13, lid 2, van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980, en tegen die beslissing kan geen gewoon rechtsmiddel meer worden aangewend; iv) er werd geen zaak bij een gerecht aanhangig gemaakt als bedoeld in artikel 29, leden 3 en 5, in de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer; v) een beslissing over het gezagsrecht die niet de terugkeer van het kind met zich brengt, is uitgesproken door de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had. 5.4 Het uitgangspunt van artikel 9 Brussel II-ter is dat de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had direct voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging, bevoegd blijft om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter. De ongeoorloofde overbrenging van het kind brengt derhalve in beginsel geen wijziging in deze bevoegdheid mee. Het tweede gedeelte van artikel 9 bepaalt echter de omstandigheden waaronder de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat van de gewone verblijfplaats van het kind eindigt en overgaat naar de rechter van de lidstaat waar het kind ongeoorloofd naar is overgebracht. 5.5 Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling komt de rechtbank tot het oordeel dat [minderjarige] op de datum van de indiening van het verzoekschrift, 20 november 2025, niet haar gewone verblijfplaats had in Nederland. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. [minderjarige] woont sinds 2022 met haar moeder in Hongarije. Partijen hebben openlijk verteld over hoe dat is verlopen. De vrouw heeft ter zitting op daartoe strekkende vragen van de rechtbank erkend dat zij [minderjarige] indertijd zelf zonder toestemming van de man heeft meegenomen naar Hongarije. Voor zover aan de zijde van de man wordt gesteld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] daardoor in Nederland is gebleven, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet slaagt omdat de man om hem moverende redenen niet binnen één jaar na de overbrenging een verzoek tot terugkeer heeft ingediend. Daarmee is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Hongarije komen te liggen (artikel 9 sub b Brussel II-ter). 5.6 De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak de gewone verblijfplaats van een kind wordt bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan de voorliggende zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechtbank overweegt verder dat [minderjarige] slechts tien dagen bij de man verbleef op het moment dat het verzoek door de man is ingediend. [minderjarige] woonde en leefde inmiddels enkele jaren in Hongarije in het gezin van haar moeder en stiefvader. Het centrum van het familiale, sociale en maatschappelijke leven van [minderjarige] was op het moment dat de man zijn verzoek bij de rechtbank indiende in Hongarije. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het voor de bevoegdheidstoetsing relevante tijdstip – namelijk 20 november 2025 – in Hongarije was gelegen. 5.7 Verder kan als onbetwist worden vastgesteld dat de man [minderjarige] zonder toestemming van de vrouw op 10 november 2025 meegenomen heeft naar Nederland. 5.8 Op grond van artikel 9 Brussel II-ter blijven, in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind, de gerechten van een lidstaat waar een kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging of niet terugkeer zijn of haar gewone verblijfplaats heeft, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft gekregen en aan de voorwaarden onder sub a dan wel sub b is voldaan. De rechtbank concludeert dat op 10 november 2025 sprake is geweest van een ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige] naar Nederland. De man en de vrouw hebben gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Dat het initiatief tot het vertrek naar Nederland lag bij [minderjarige] zelf en de rechtbank aanneemt dat de man het beste met [minderjarige] voor heeft, maakt het voorgaande juridisch niet anders. 5.9 Naar het oordeel van de rechtbank kan niet staande worden gehouden dat [minderjarige] inmiddels een nieuwe gewone verblijfplaats in Nederland heeft gekregen. [minderjarige] verblijft nu ongeveer een half jaar in Nederland. De vrouw heeft weliswaar (vooralsnog) geen verzoek ingediend tot teruggeleiding - volgens de raadsman van de vrouw omdat een dergelijk verzoek geen kans van slagen zou hebben gezien de leeftijd van [minderjarige] - maar niet kan worden gezegd dat de vrouw heeft berust in het verblijf van [minderjarige] bij de man in Nederland. Dit blijkt overduidelijk uit de procedure die de vrouw in Hongarije aanhangig heeft gemaakt. Dat betekent dat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats nog steeds heeft in Hongarije omdat aan de hiervoor beschreven voorwaarden in artikel 9 Brussel II-ter niet is voldaan. 5.10 Dit betekent dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken van de man. Kindbrief aan [minderjarige] 5.9 Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige] aangegeven dat zij de uitkomst van de mondelinge behandeling wilde horen van rechter. De rechter zal daarom een brief aan [minderjarige] sturen met daarin de uitleg van zijn beslissing. De rechter zal een brief met de volgende tekst aan [minderjarige] sturen: Beste [minderjarige] , Ik heb op 27 mei 2026 met jou gesproken. Jij hebt mij toen verteld dat jij bij jouw vader wil blijven wonen in Nederland en dat jij niet terug wil naar jouw moeder in Hongarije. Je hebt ook gezegd dat je graag in Nederland naar school wil gaan en een identiteitsbewijs nodig hebt. Ik heb tijdens dit gesprek goed naar jou geluisterd. Ik heb jou ook uitgelegd dat er Europese regels zijn waar ik mij aan moet houden en dat mogelijk niet ik, maar de Hongaarse rechter, een beslissing moet nemen over deze zaak. Ik heb tijdens de zitting bij de rechtbank op 29 mei 2026 met jouw mama en papa, hun advocaten en een mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming gepraat. Jouw mama was erbij via een videoverbinding via Teams. Ik heb geluisterd naar wat iedereen van de zaak vond. Jouw mama en papa vinden het allebei belangrijk dat het goed met jou gaat. Ik heb ook goed naar alle Europese regels gekeken en naar jouw zaak en ik kom tot de conclusie dat jij formeel nog woont in Hongarije waardoor ik als rechter in Nederland niet bevoegd ben om een beslissing te nemen. Dat betekent dat ik geen inhoudelijke beslissing mag nemen op de verzoeken die je vader heeft ingediend bij mij. Ik hoop dat ik met deze brief heb kunnen uitleggen waarom ik deze beslissing heb genomen. Ik wens je het allerbeste toe. Met vriendelijke groeten, Mr. Van Gessel, rechter. 5.10 Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist. 6 De beslissing De rechtbank 6.1 verklaart zich onbevoegd om van de verzoeken van de man kennis te nemen. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026, in tegenwoordigheid van Boink, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.