# Rechtbank Rotterdam, 12-08-2026 (NL:TZ:2615409:R-RK – NL:TZ:2615397:R-RK)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:10777
- Date: 2026-08-12
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A10777
- Canonical: https://overview.legal/posts/353720

## Summary

Dwangakkoord toegewezen. Belang alle schuldeisers weegt zwaarder dan belang weigerende schuldeisers. Aanbod is het maximaal haalbare

## Full text

Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2] uitspraakdatum: 12 augustus 2026 in de zaak van: [verweerster] , wonende te [straatnaam] , [postcode] [woonplaats] , verzoekster. 1 De procedure Verzoekster heeft op 17 juni 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten: Esso Rotterdam met vier vorderingen, Total Gas &amp; Power B.V. met drie vorderingen, die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. LAVG Tankcollect heeft voorafgaand aan de zitting op 29 juli 2026 een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden waarin zij onder meer hebben aangevoerd dat het verzoek is gericht tegen de verkeerde partijen. LAVG Tankcollect treedt op namens EG Services (Netherlands) B.V en Servauto Nederland B.V. (hierna: verweerders). LAVG TankCollect beschouwt om proceseconomische redenen het verzoekschrift gericht aan verweerders. LAVG TankCollect heeft in het verzoekschrift aangegeven dat er ter zitting niemand namens verweerders aanwezig zal zijn. Ter zitting van 4 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoekster; mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening); De uitspraak is bepaald op heden. 2 Het verzoek Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee preferente schuldeisers en 15 concurrente schuldeisers met 44 vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 19.997,06 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van 1 april 2026 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 11,45 % aan de preferente schuldeisers en 5,72 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar inkomsten uit wezenpensioen en stagevergoeding.. Verzoekster heeft enige jaren geleden een turbulente periode meegemaakt waarin zij verkeerde keuzes heeft gemaakt. Verzoekster is gemotiveerd om haar leven op orde te krijgen. Zij volgt een opleiding die tot de zomer van 2027 duurt. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoekster het traject Jongeren en Schulden doorloopt (hierna: JES-traject). Dit betekent dat door Geldplein in één keer het aangeboden bedrag aan de schuldeisers wordt uitgekeerd en dat verzoekster het saneringskrediet ‘aflost’ door tijdens het JES-traject aan haar prestatiedoelen te werken. Schuldhulpverlening heeft verder verklaard dat het JES-traject is opgezet om jongeren zonder of met een lage afloscapaciteit een kans te bieden om sterk in de maatschappij te komen en om hun schulden af te betalen. Hoewel verzoekster conform de vtlb-berekeningen geen afloscapaciteit heeft, kan men vanuit het JES-traject toch een percentage aan de schuldeisers aanbieden. Schuldhulpverlening stelt zich op het standpunt dat het voortijdig beëindigen van het JES-traject niet in het belang van verzoekster zal zijn. Het is niet de verwachting dat als verzoekster zou gaan werken, de afloscapaciteit binnen afzienbare tijd zal toenemen. Het gaat nu heel goed met verzoekster, maar als zij zou worden verplicht om haar opleiding op te geven om fulltime te gaan werken, zou dit ervoor kunnen zorgen dat alles wat nu is opgebouwd, wordt afgebroken. Mogelijk zal verzoekster zelfs ‘uitvallen’. Stoppen met het JES-traject is niet in het belang van verzoekster, maar het is ook niet in het belang van de schuldeisers. Desgevraagd heeft Schuldhulpverlening aangegeven dat ook bij toelating tot de wettelijke schuldsanering het JES-traject met alle gunstige voorwaarden voor verzoekster en schuldeisers stopt. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. De schulden zijn door diverse omstandigheden in het privéleven van verzoekster relatief recent ontstaan. Verzoekster heeft inmiddels hulp van budgetbeheer en een jongerencoach. Verder heeft verzoekster sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden tijdig door de budgetbeheerder voldaan. Veertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Verweerders stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van in totaal € 849,10 op verzoekster welke 4,3% van de totale schuldenlast beloopt. 3 Het verweer In het verweerschrift hebben verweerders onder meer gesteld dat de vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Verzoekster heeft meerdere keren getankt zonder te betalen, hetgeen in feite diefstal van brandstof is. Bovendien is bij het aanbod geen rekening gehouden met de toekomstperspectieven. Verzoekster is een jong en niet arbeidsongeschikt. Zij dient te solliciteren om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven. Door het volgen van een opleiding wordt verzoekster aan het arbeidsproces onttrokken. Wanneer verzoekster inkomen uit arbeid verwerft, zal zij meer aan haar schuldeisers kunnen aflossen. Verweerders geven de voorkeur aan de wettelijke schuldsaneringsregeling, omdat een bewindvoerder beter toezicht houdt op de verplichtingen, terwijl in een minnelijke regeling slechts eenmaal een hercontrole wordt uitgevoerd. Verweerders stellen zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerders hebben ,zoals in het verweerschrift aangegeven, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten. 4 De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van verweerders bij hun weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of verweerders in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van verweerders een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 4,3%. Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk dertien van de vijftien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk, maar dat zij een fulltime opleiding volgt. Deze opleiding zal in beginsel tot de zomer van 2027 duren. Hoewel verzoekster thans dus geen betaalde baan heeft en niet solliciteert, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat verzoekster in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat haar in staat zal stellen een hoger percentage aan haar schuldeisers aan te bieden dan zij thans heeft gedaan, te weten 11,45% aan de preferente schuldeisers en 5,72% aan de concurrente schuldeisers. Ook tijdens een eventuele wettelijke schuldsaneringsregeling acht de rechtbank dit niet aannemelijk, zelfs niet als de termijn van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd met de periode dat de opleiding van verzoekster duurt. Het JES-traject zal in het geval van toelating tot de wettelijke schuldsanering stoppen en in het gunstigste geval met vertraging door een ander traject worden vervangen. Voorts zal daarmee de bijdrage van de gemeente voor crediteuren vervallen. Tenslotte geldt dat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich zal brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank ondanks de verwijtbaarheid van de schulden aan verweerders dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van verweerders die geweigerd hebben in te stemmen. Het verzoek om verweerders te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te verdelen, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen. 5 De beslissing De rechtbank: - beveelt verweerders om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling; - bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure draagt;; - bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming; - wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353720 · 2026-09-03
