# Rechtbank Amsterdam, 27-08-2026 (13-094759-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8540
- Date: 2026-08-27
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8540
- Canonical: https://overview.legal/posts/353727

## Summary

Vervolgings-EAB uit Griekenland. Na tussenuitspraak om de uitvaardigende jusitiële autoriteit vragen te stellen ten aanzien van de detentie-instelling in Chios. Algmeen gevaar voor Chios vastgesteld. Onderzoek heropend en geschorst om na te gaan of voor de opgeëiste persoon dit algemene gevaar door een individuele garantie kan worden weggenomen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-094759-26 Datum uitspraak: 27 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 8 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2026 door de Public Prosecution Office of the Court of Appeal of North Aegean, Griekenland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] (NH), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 1 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. De tussenuitspraak van 15 juli 2026 In de tussenuitspraak van 15 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen, die zien op de detentie-omstandigheden voor de opgeëiste persoon, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 13 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M.S. Jumelet. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 15 juli 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van het EAB, de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, de strafbaarheid van het feit en de garantie als bedoeld in artikel 6 OLW. Daarnaast heeft de rechtbank een overweging opgenomen over de rechterlijke autoriteit en de effectieve rechtsbescherming. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: Griekse detentieomstandigheden Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 15 juli 2026 over de omstandigheden in de gevangenis van Chios. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 15 juli 2026 zijn door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 16 juli 2026 de door de rechtbank in de tussenuitspraak geformuleerde vragen aan de Griekse uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld, te weten: “1. What is the current occupancy rate of the Chios Penitentiary? Furthermore, what is the specific, current occupancy rate in the particular ward or prison-section in which Mr. [de opgeëiste persoon] is most likely to be detained following his surrender to Greece? 2. How much personal space (excluding sanitary facilities) do detainees in the Chios Penitentiary, have at their disposal in single-occupancy cells and multi-occupancy cells, respectively, in the different wards of the facility? Are the sanitary facilities in the cells adequately separated or partitioned to ensure sufficient privacy? 3. If the available personal space amounts between 3 m2 and 4 m2 excluding sanitary facilities, I would like to request you to answer the following questions regarding the Chios Penitentiary as well (in light of the Dorobantu-judgement, ECLI:EU:C:2019:857, paragraph 75): a. How many hours per day do detainees spend in their cells? b. What opportunities do detainees have for outdoor exercise, work, sports, education, and other activities outside their cells? c. Are these opportunities, as meant in question 3b, accessible to all detainees? d. How many hours per day can detainees participate in these activities, assuming they choose to take part in the available options? e. Does the Chios Penitentiary generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions? 4. If the detainees in Chios Penitentiary have less than 3 m2 of personal space excluding sanitary facilities, keeping in mind the judgement of the Court of Justice of the European Union ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu, para. 73), please also answer the following questions: a. Are these reductions in the required minimum personal space of 3 m2 short, occasional and minor? b. Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities? c. Does the Chios Penitentiary generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions? 5. Do all detainees at the Chios Penitentiary have access to their own bed, including a mattress and bedding? 6. Could you provide an overview of the current situation regarding the maintenance and hygiene of cells and communal areas at the Chios Penitentiary, and could you give an overview of the measures that have yet been taken and their effectiveness? 7. How many doctors and nurses are employed at the Chios Penitentiary? 8. The court has taken note of the response provided by the Greek authorities to the report of 30 January 2026, following the findings set out in the CPT report of 4 March 2026 concerning conditions in Greek detention facilities. The court understands from this response that the Greek authorities have announced measures and has paid particular attention to the measures relating to: a. Overcrowding; b. interpersonal violence among detainees; c. the culture of impunity; d. the significant influence of power groups; e. the lack of supervision and staffing; f. the shortage of medical personnel; g. the absence of complaint procedures for detainees. Could you provide clarification regarding these specific topics on the situation at Chios, including which concrete improvements have already been implemented at the detention facility on Chios following the CPT report, and which measures are still planned?” Bij brief van 27 juli 2026 heeft de directeur van de gevangenis in Chios aan the Hellenic Republic, Ministery of Citizens Protection, Chios Penitentiary establishment, de volgende informatie verstrekt. “ The capacity of our Establishment is for eighty-two (82) inmates, while at this moment one hundred and thirty (130) inmates are being detained. In our Establishment, there are nine (9) wards in which the detainees reside, and there are no individual cells. The term "capacity" means the maximum number of inmates that our Establishment can accommodate, in accordance with the provisions of the European Committees regarding the respect for Human Rights. In detail, the breakdown of the inmates is as fellows:  Ward 1 has an area of 47.50 sq.m., including the equipment. Currently, 18 inmates are held there, corresponding to 2.6 sq.m. per inmate.  Ward 2 has an area of 48.50 sq.m. including the equipment; 17 inmates reside there, corresponding to 2.8 sq.m. per inmate.  Wards 3 &amp; 4 have an area of 21.80 sq.m. including the equipment, and accommodate 8 inmates respectively. This corresponds to 2.7 sq.m. per inmate.  Wards 5 and 7 have an area of 42.30 sq.m. including the equipment; 16 inmates reside there, corresponding to 2.6 sq.m. per inmate.  Wards 6 &amp; 8 have an area of 54.60 sq.m. including the equipment; 19 inmates reside there, corresponding to 2.8 sq.m. per inmate.  Ward 9 has an area of 28.50 sq.m. including the equipment; 9 inmates reside there, corresponding to 3.2 sq.m. per inmate. This specific Ward is used as a reception ward for newly arrived inmates, who are subsequently placed in some of the remaining wards. In each Ward, there are three windows for ventilation and natural lighting, while artificial lighting is provided by energy-saving light bulbs. Heating in all wards is provided via radiators connected to an oil burner, whereas cooling is ensured through natural ventilation, as well as ceiling and floor fans. In each Ward, there are separate toilets and showers ensuring the privacy of the residents, while hot water is provided daily and throughout the day via electric water heaters. Personal hygiene items are distributed to all inmates upon request. Specifically, shampoo, shower gel, soap, toothpaste, toothbrush, toilet paper, razors, and shaving foam are provided.” Deze informatie is op grote lijnen gelijkluidend aan de aanvullende informatie zoals die op 3 juni 2026 werd verstrekt en die in de tussenuitspraak is opgenomen. Op 28 juli 2026 heeft het IRC de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom nogmaals verzocht om de door de rechtbank geformuleerde vragen te beantwoorden en er daarbij op gewezen dat de eerder verstrekte informatie door de rechtbank onvoldoende geacht werd. Bij brief van 29 juli 2026 heeft de directeur van de gevangenis in Chioas aan the Hellenic Republic, Ministery of Citizens Protection, Chios Penitentiary establishmen t, de volgende informatie verstrekt. “1. The current occupancy rate for the entire Facility stands at 159%. In accordance with our document No. 2290/27-7-2026, it has been answered that the number of inmates held in each ward exceeds the desired limit (3-4 sq.m. per inmate), as it is lower for everyone. 2. Single-occupancy cells do not exist in our Facility, only multi-person wards. Document No. 2290/27-7-2026 has provided a detailed response regarding the occupancy of each one of the m. 3. a. The reductions are not brief, occasional, or of minor importance. b. There is freedom of movement outside the cell; specifically, the Facility features a gym, a mini basketball court, and a mini soccer field in the courtyard. c. We consider the detention conditions to be decent. 4. All inmates have their own bed with a mattress and bedding. 5. Disinfestation and deratization are carried out every month in all areas of the prison, as well as in the wards. Maintenance of all areas is annual, while any emergency problem that may arise is addressed as quickly as possible. 6. One (1) rural doctor and one (1) nurse serve at the Facility.” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Op 16 juli 2026 heeft het IRC de door de rechtbank geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. De op 27 juli 2026 ontvangen aanvullende informatie lijkt qua inhoud hetzelfde als de informatie die was verstrekt in de brief gedateerd op 3 juni 2026. Er zijn verschillen, te weten a) ten tijde van de brief van 3 juni jl. zaten er in Ward 2 (cel 2) 19 personen, ten tijde van de brief van 27 juli waren dat er 17 en b) in cel 6 en 8 zijn blijkbaar thans 19 mensen geplaatst, dat waren er 18 op 3 juni jl. De conclusie is dat de persoonlijke leefruimte in cellen 6 en 8 nu ook is gedaald onder de minimumgrens van 3m2 naar 2,8 m2. Alleen in cel 9 is de persoonlijke leefruimte net boven de 3m2, maar die cel wordt gebruikt voor gevangenen die net arriveren. Zij worden daarna doorgeplaatst naar andere cellen. In de aanvullende informatie van 27 juli 2026 wordt de bezettingsgraad en het aantal vierkante meters per gedetineerde bevestigd. Uit deze aanvullende informatie blijkt bovendien dat de beperking niet enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate is. Daarnaast zijn niet alle door de rechtbank geformuleerde vragen beantwoord of voldoende beantwoord. Door het IRC is tweemaal een deadline gesteld voor de beantwoording van de vragen. De uitvaardigende staat is verplicht om die informatie aan te leveren binnen de termijn die gesteld is. Met de ontvangen informatie is het gevaar voor de opgeëiste persoon op schending van zijn grondrechten niet weggenomen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat daarin verandering komt door een wijziging van omstandigheden, laat staan dat dat binnen een redelijk termijn zo zal zijn. De problemen in het Griekse gevangeniswezen zijn immers langdurig en structureel van aard, zoals blijkt uit het rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (hierna: CPT) uit 2025. Uit dat rapport blijkt dat sprake is van “long-standing systemic and structural problems”, die door het CPT al in 2011 werden vastgesteld en vervolgens opnieuw werden beschreven in de rapporten van 2015, 2019, 2021 en 2022. Het CPT constateert bovendien dat de twee kernproblemen — overbevolking en chronische personeelstekorten — in 2025 nog steeds bestaan. Op 1 april 2026 heeft een Duitse rechter een overleveringsverzoek geweigerd op grond van, onder andere, de detentieomstandigheden in de gevangenis van Chios. Uit die beslissing blijkt dat er op dat moment 127 mensen gedetineerd zaten in de gevangenis en dat er daarmee 2,85m2 persoonlijke leefruimte was in de gevangenis. Het Oberlandesgericht Dresden achtte dat onvoldoende en de overlevering werd geweigerd. De omstandigheden zijn vergelijkbaar met de zaak van de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak voor een termijn van drie weken aan te houden om de antwoorden op de gestelde en nog niet beantwoorde vragen af te wachten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank een algemeen gevaar voor de detentie-instelling in Chios kan aannemen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om te bezien of door het stellen van vragen aan de Griekse autoriteiten het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. De Griekse autoriteiten moeten de gelegenheid krijgen voor de opgeëiste persoon een individuele garantie te geven die het gevaar wegneemt. Hiervoor zou een termijn van een maand gegeven moeten worden. Subsidiair heeft de officier van justitie gesteld dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden als bedoeld in artikel 11 OLW. Oordeel van de rechtbank Op basis van de op dit moment voorhanden zijnde informatie over de detentie-instelling in Chios, komt de rechtbank tot het aannemen van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), voor gedetineerden in de detentie-instelling in Chios. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar ziet in de eerste plaats op het feit dat sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden in Chios in een meerpersoonscel over minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte kunnen beschikken en dat de beperking van de persoonlijke leefruimte niet enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate is. Het algemene gevaar ziet daarnaast op de aspecten waarover door de rechtbank bij tussenuitspraak van 15 juli 2026 vragen zijn geformuleerd en die vervolgens door het IRC aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld, maar welke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Daarbij merkt de rechtbank op dat antwoorden op de door de rechtbank gestelde vragen 1-4 niet meer relevant zijn, nu deze zien op de persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel waar het algemeen gevaar in de gevangenis in Chios in ieder geval op ziet. De vragen 5-7 zijn inmiddels beantwoord. Het gaat de rechtbank met name om antwoorden op vraag 8, waarin de rechtbank, in het licht van het CPT rapport, vragen heeft gesteld over de maatregelen van de Griekse autoriteiten in het kader van: a. a) de overbevolking, b) het interpersoonlijk geweld onder gedetineerden, c) de cultuur van straffeloosheid, d) de sterke invloed van machtsgroepen, e) het gebrek aan toezicht en personeel, f) het tekort aan medisch personeel, g) het ontbreken van klachtenprocedures voor gedetineerden. Meer specifiek is gevraagd om toe te lichten ten aanzien van deze specifieke onderwerpen hoe de situatie is in Chios, welke concrete verbeteringen inmiddels zijn doorgevoerd in de detentie- instelling in Chios naar aanleiding van het CPT-rapport, en welke maatregelen nog staan gepland. Nu op deze vraag ondanks het feit dat tot tweemaal toe om een antwoord is gevraagd, geen enkele antwoord is gekomen, neemt de rechtbank tegen de achtergrond van het CPT-rapport aan dat gedetineerden in Chios ook een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden lopen vanwege deze aspecten. Het gevolg daarvan is dat een eventuele individuele detentiegarantie ook dit reële gevaar zal moeten wegnemen. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in de detentie-instelling in Chios, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in deze detentie-instelling, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Griekenland een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in de detentie-instelling van Chios waar hij zal worden gedetineerd. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om na te gaan of voor de opgeëiste persoon dit algemene gevaar door een individuele garantie kan worden weggenomen. Verlenging van de beslistermijn De beslistermijn die in de tussenuitspraak van 15 juli 2026 is verlengd, verstrijkt op 1 september 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW verlengt zij de beslistermijn met dertig dagen, tot 1 oktober 2026, op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na te gaan of voor de opgeëiste persoon dit algemene gevaar door een individuele garantie kan worden weggenomen. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen , onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEPAALT dat de zaak in de periode van 15 september 2026 tot uiterlijk 17 september 2026 (zijnde veertien dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG7131267136031È G713126713603 ECLI:NL:RBAMS:2026:7211 Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1995 en Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353727 · 2026-09-03
