Rechtbank Amsterdam, 27-08-2026 (13-335670-23)
Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW n.v.t. want de opgeëiste persoon was aanwezig bij het proces dat tot de veroordeing heeft geleid. Arikel 6a OLLW Gelijkstellingverweer slaagt niet. Overlevering toestaan.
How it connects
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-335670-23 Datum uitspraak: 27 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 juni 2026, gecorrigeerd op 23 juni 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 september 2023 door the Regional Court in Szczecin , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu (uit anderen hoofde) gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. R. Malewicz, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis, namelijk the final and non-appealable judgement of the District Court Szczecin-Centrum in Szczecin of 12 March 2020, reference: V K 1232/19 . De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 925 dagen (twee jaar, negen maanden en 25 dagen). De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Standpunt van de verdediging en de officier van justitie De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW daarom niet van toepassing is. Oordeel van de rechtbank Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Inleiding De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Verzoek van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, de overlevering te weigeren en te bevelen dat de opgelegde straf door Nederland wordt overgenomen. Ter onderbouwing van het rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon in de jaren 2021 en 2022 heeft de raadsman gewezen op een brief van 29 juli 2026 die is opgesteld door een voormalige huisgenoot van de opgeëiste persoon die verklaart dat de opgeëiste persoon van eind 2020 tot 2022 bij hem op de [straat] in [plaats] woonde en in ruil daarvoor zijn woning renoveerde. Vanaf 2022 tot 2026 heeft de opgeëiste persoon gewoond bij een buurman van deze man (die de brief ook ondertekend heeft), in eerste instantie in ruil voor de zorgtaken die hij voor hem verrichte. Deze periode is de corona periode en dus was het moeilijker een woning en werk te vinden. De raadsman verwijst naar jurisprudentie uit die periode met betrekking tot het aantonen van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf. Vanaf 2022 heeft de opgeëiste persoon een eigen bedrijf dat is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft hij aangifte inkomstenbelasting gedaan. Er zijn geen (definitieve) belastingaanslagen overgelegd, omdat de opgeëiste persoon zijn Digid is kwijtgeraakt en het tot op heden vanuit detentie niet is gelukt een nieuwe te krijgen. Ook is het niet gelukt van de administrateur van de opgeëiste persoon jaaroverzichten en/of belastingaangiftes te verkrijgen. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzochte de behandeling van de zaak aan te houden en de opgeëiste persoon een termijn te gunnen om via een andere weg toch via de Belastingdienst een nieuwe bij Digid te krijgen en de inkomsten vanaf 2022 tot heden aan te tonen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Ter onderbouwing van zijn verblijf in Nederland in de jaren 2020, 2021, 2022 is alleen handgeschreven brief van 2 vrienden overgelegd. Dit is geen concreet en objectief stuk. Dat de buurman bij wie de opgeëiste persoon ingewoond zou hebben hem blijkbaar in juli 2022 gemachtigd heeft om medicijnen op te halen bij de apotheek, maakt dit niet anders. Omdat de Inkomstenverklaring 2022 een word-bestand en geen PDF bestand is en bovendien niet is ondertekend, is ook dit geen concreet en objectief stuk. De opgeëiste persoon heeft bij lange na niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten: de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. In de eerste plaats dient de opgeëiste persoon daartoe te onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar in Nederland heeft verbleven. In dit geval heeft de opgeëiste persoon nooit in Nederland ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen (BRP). Ook heeft hij zijn verblijf niet op een andere manier - door middel van voldoende concrete en objectieve bewijsstukken - onderbouwd. De enkele schriftelijke verklaring dat hij gedurende die jaren bij twee verschillende mensen heeft kunnen inwonen op adressen op de [straat] in [plaats] is onvoldoende objectief. Aan de eerste voorwaarde is dus niet voldaan. De rechtbank wijst het subsidiair door de raadsman geformuleerde verzoek strekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak om hem in de gelegenheid te stellen alsnog te onderbouwen dat de opgeëiste persoon vanaf 2022 als zelfstandig ondernemer inkomen heeft gegenereerd af. Al zou de opgeëiste persoon al met objectieve en concrete stukken aan kunnen tonen dat hij vanaf 2022 in Nederland heeft gewerkt als zelfstandige, dan is daarmee nog niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Over de periode in 2021 missen immers concrete en objectieve gegevens over inkomsten en verblijf. 7 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 8 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 9 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. 10 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Szczecin , Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. de Rooij en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 augustus 2026. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG413126885306%È G413126885306 Zie onderdeel e) van het EAB. Vgl. Rb. Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:RBAMS:2026:5116. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .