Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:7024 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30-06-2026 (C/02/441997 FA RK 25-5908)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Erkenning vaderschap en kinderalimentatie.

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/441997 FA RK 25-5908 Datum uitspraak: 30 juni 2026 beschikking over (gerechtelijke) vaststelling ouderschap en levensonderhoud in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. C. Simmelink te Maarssen. en [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 2] , Verenigde Staten van Amerika. Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] , Verenigde Staten, op [geboortedag] 2020, hierna te noemen: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. A. Koop-van Vliet in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Als belanghebbende in deze zaak ten aanzien van het verzoek tot inschrijving van de geboorteakte wordt aangemerkt: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag (hierna: de ABS). 1 Het verdere procesverloop 1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 25 februari 2026 en alle daarin vermelde stukken; een afschrift van de geboorteakte over [minderjarige] ; het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ; de brief van de griffier van de rechtbank aan de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Den Haag van 24 februari 2026; de oproep aan de man van de zitting per email van 25 februari 2026; de oproep van de man door de griffier van deze rechtbank in de Staatscourant van 26 februari 2026; de op 24 maart 2026 ontvangen brief van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Den Haag; het op 8 mei 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator; het F9-formulier van mr. Simmelink van 15 mei 2026 met bijlagen; de op 21 mei 2026 ontvangen verweerschrift van de Ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Den Haag; de brief van mr. Simmelink van 22 mei 2026 tevens houdende aanvullend (subsidiair) verzoek. 1.2. De verzoeken zijn mondeling behandeld op 26 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw met haar advocaat. Ook was aanwezig de bijzondere curator. 1.3. De man is juist opgeroepen, maar is niet gekomen. 1.4. Tijdens de zitting zijn door de vrouw documenten getoond, die zij dezelfde dag, op verzoek van de rechtbank heeft ingediend. Deze zijn door de rechtbank verzonden aan de man. 2 De nadere beoordeling 2.1. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. A. Koop-van Vliet benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het afstammingsverzoek in te nemen. 2.2. Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken van de vrouw nog voor: I. het ouderschap vast te stellen van [de man] ten aanzien van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , Verenigde Staten; II. de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vast te stellen op € 900,- per maand, dan wel een door de rechtbank te bepalen maandelijkse bijdrage, telkens voor de eerste van de nieuwe maand te voldoen, ingaande per 22 augustus 2025, dan wel per datum indiening van dit verzoekschrift, dan wel een door de rechtbank te bepalen datum. III. op grond van artikel 1:25 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de geboorteakte van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , Verenigde Staten in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand. IV. het niet-ontvankelijk verklaren van de gemeente Den Haag in haar verweerschrift, subsidiair een verklaring voor recht af te geven dat het ouderschap is vastgesteld van [minderjarige] . 2.3. Tevens ligt aan de rechtbank het – voorwaardelijk en zelfstandig – verzoek van de bijzondere curator voor, indien en voor zover de vrouw in haar verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man niet-ontvankelijk wordt verklaard, verzoekt zij als bijzondere curator namens [minderjarige] , over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] . 2.4. Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: - De moeder is op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , Verenigde Staten bevallen van [minderjarige] . - Op de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] staat de vrouw als moeder en de man als vader genoemd. - Op het uittreksel uit de Basis Registratie Personen (hierna BRP) staat de man als vader van [minderjarige] genoemd. De moeder heeft het gezag over [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en de man is Amerikaans burger. De moeder en [minderjarige] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. De man heeft zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten. Verzoek gerechtelijke vaststelling vaderschap 2.5. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De man staat weliswaar genoemd op de geboorteakte van [minderjarige] , maar naar het recht van de [staat] in de Verenigde Staten is er een verschil in ‘wettig vaderschap’ en ‘vaderschap’. In [staat] betekent dat dat als een man als vader op de geboorteakte staat hij niet ook automatisch de juridisch vader van het kind is. Er is na de geboorte van [minderjarige] een formulier ingevuld door de vrouw en de man, de ‘live birth review sheet’. Dit formulier is op 13 mei 2000 opgemaakt, maar dit is volgens de vrouw niet ondertekend. De akte van geboorte is op 15 mei 2000 ingeschreven in het geboorteregister. De vrouw stelt dat hiermee geen juridisch vaderschap is ontstaan en verzoekt dan ook alsnog het vaderschap vast te stellen. 2.6. De bijzondere curator heeft in haar verslag naar voren gebracht dat de man in de correspondentie met de bijzondere curator heeft verklaard de vader te zijn van [minderjarige] . Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit [minderjarige] is geboren. Nu niet in geschil is dat de man de biologische vader is van [minderjarige] is de bijzondere curator van mening dat met voldoende mate van zekerheid vaststaat dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Zij refereert zich voorts aan het oordeel van de rechtbank of een DNA-onderzoek zou moeten plaatsvinden. Het verzoek is door de vrouw te laat ingediend. Evenmin is gebleken dat de wettelijke termijn van vijf jaar na de geboorte van een kind op een ander moment is gaan lopen. Voor zover de vrouw niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek, heeft de bijzondere curator namens [minderjarige] een zelfstandig verzoek ingediend. Ten aanzien van de vermelding van de man als vader op de akte van geboorte heeft de bijzondere curator verder aangegeven dat niet kan worden uitgesloten dat er iets niet goed is gegaan met de registratie van de geboorte van [minderjarige] in de Verenigde Staten. Zowel de man als de vrouw hebben uitdrukkelijk aangegeven dat de man [minderjarige] niet heeft erkend en hij geen juridisch vader is. Zij hebben hiertoe beiden geen formulier ondertekend. 2.7. De ABS heeft in voormelde brief aangegeven dat uit de door vrouw overgelegde geboorteakte blijkt dat [minderjarige] thuis is geboren (rubriek 7) in aanwezigheid van de bevoegde vroedvrouw/verloskundige die bovendien als “certifier” is aangemerkt (rubrieken 10 t/m 12). Blijkens rubriek 22 heeft de vrouw de akte ondertekend. In de akte is de man als Father/Parent (rubriek 19 t/m 21) opgenomen. [minderjarige] heeft zijn geslachtsnaam gekregen. Uit de brief van de advocaat van de vrouw van 23 februari 2026 maakt de ABS op dat de vrouw en de man beiden een formulier hebben ingevuld en ondertekend, welk formulier vervolgens aan de verloskundige is overhandigd ten behoeve van de registratie van de geboorte. De ABS maakt op dat aangifte is gedaan ingevolge section 382.013 (1) (b), [staat] Statutes’: “If a birth occurs outside a facility and a physician licensed in this state, a certified nurse midwife, a midwife licensed in this state, or a public health nurse employed by the department was in attendance during or immediately after the delivery, that person shall prepare and file the certificate.” Voorts staat onder (e): “The mother or the father of the child shall attest to the accuracy of the personal data entered on the certificate in time to permit the timely registration of the certificate.” Ten aanzien van het vaderschap (Paternity) bepaalt section 382.013 (2) (c) [staat] Statutes: “If the mother is not married at the time of the birth, the name of the father may not be entered on the birth certificate without the execution of an affidavit signed by both the mother and the person to be named as the father. The facility shall give notice orally or through the use of video or audio equipment, and in writing, of the alternatives to, the legal consequences of, and the rights, including, if one parent is a minor, any rights afforded due to minority status, and responsibilities that arise from signing an acknowledgment of paternity, as well as information provided by the Title IV-D agency established pursuant to s. 409.2557, regarding the benefits of voluntary establishment of paternity. Upon request of the mother and the person to be named as the father, the facility shall assist in the execution of the affidavit, a notarized voluntary acknowledgment of paternity, or a voluntary acknowledgment of paternity that is witnessed by two individuals and signed under penalty of perjury as specified by s. 92.525(2). Uit het bovenstaande en gezien de opname van de man op de geboorteakte van [minderjarige] ligt het voor de hand te concluderen dat de vrouw en de man een acknowledgement of paternity (een erkenning van het vaderschap) hebben getekend. Tenzij de acknowledgement wordt betwist vanwege fraude of dwaling, wordt deze na 6o dagen definitief. Het document wat zij ten behoeve van de aangifte hebben ondertekend is evenwel niet overgelegd. Het ligt voor de hand dat de vrouw dit formulier alsnog overlegd. De ABS geeft voorts aan dat het uitgangspunt van artikel 10:100 en 10:101 BW is dat buitenlands tot stand gekomen rechtsfeiten waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld, die zijn neergelegd in een door een daartoe bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in beginsel van rechtswege worden erkend. Dat een erkenning (acknowledgement of paternity dan wel rebuttable presumption’ of paternity) kennelijk niet dezelfde rechten teweegbrengt voor een vader als bij een vader waarvan zijn kind is geboren staande zijn huwelijk, staat op zich de erkenning in Nederland dan ook niet in de weg. Van onverenigbaarheid met de openbare orde is slechts anders indien sprake is van een wettelijke weigeringsgrond. Ten aanzien van de weigeringsgronden moet geconcludeerd worden dat de geboorteakte is opgemaakt door de bevoegde instantie en overeenkomstig de plaatselijke voorschriften. Voor zover de ABS kan beoordelen zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Verder is niet gebleken dat het opnemen van de vadergegevens van de man op de geboorteakte in strijd is met de openbare orde. De conclusie is dan ook dat de familierechtelijke betrekking tussen de man en [minderjarige] in Nederland moet worden erkend. De ABS gaat ervanuit dat ook de BRP ambtenaar tot deze conclusie is gekomen, aangezien de man ook in de BRP als vader staat geregistreerd. Wel moet er sprake zijn van een apostille op de geboorteakte. Zonder de apostille kan niet worden vastgesteld of het document bevoegdelijk is afgegeven, hetgeen vereist is voor een erkenning van dat document in Nederland. 2.8. De rechtbank overweegt als volgt. Internationaal privaatrecht (IPR) 2.9. Vanwege het feit dat [minderjarige] in de Verenigde Staten is geboren, de man in de Verenigde Staten woont en hij Amerikaans burger is, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. Internationale bevoegdheid 2.10. In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Nu de vrouw en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Toepasselijke recht 2.11. In artikel 10:97, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar die persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In het derde lid van dit artikel staat dat voor de toepassing van lid 1 het tijdstip van de indiening van het verzoek bepalend is. 2.12. De moeder en de man hadden ten tijde van de indiening van het verzoek geen gemeenschappelijke nationaliteit en geen gemeenschappelijke gewone verblijfplaats. Dit betekent dat toepasselijk is het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] . Hij heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Dit betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is op het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap. De man staat op de Amerikaanse geboorteakte 2.13. Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek zal eerst moeten worden beoordeeld of de man naar het recht van [staat] niet al reeds aan te merken is als juridische vader. Hij staat namelijk al als vader vermeld op de Amerikaanse geboorteakte van [minderjarige] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 2.14. Namens de vrouw is naar voren gebracht dat er in [staat] een verschil bestaat tussen ‘wettig vaderschap’ en ‘vaderschap’. Het enkele feit dat de man op de geboorteakte als vader staat vermeld, leidt niet automatisch tot juridisch vaderschap. Na de geboorte van [minderjarige] hebben partijen beiden een formulier ingevuld en ondertekend. Dit formulier is vervolgens aan de verloskundige overhandigd ten behoeve van de registratie van de geboorte. Deze wijze van registratie betreft in de [staat] een gebruikelijke en rechtens toegestane manier om een pasgeboren kind aan te geven, aldus de vrouw. 2.15. De rechtbank overweegt dat de advocaat en de bijzondere curator de conclusie van de ABS, dat de man reeds als juridisch vader is aan te merken, niet onderschrijven. De vrouw blijft bij haar stelling dat er geen ‘acknowledgement of paternity’ is ondertekend door haar en de man. De rechtbank wil, voordat zij hierover een beslissing zal nemen, nader geïnformeerd worden over het recht van [staat] . Zij acht het dan ook gewenst dat er nader onderzoek wordt gedaan naar de beantwoording van de vraag of er in dit geval naar het recht van [staat] een familierechtelijke betrekking tussen de man en [minderjarige] is ontstaan en de man wel of niet kan worden aangemerkt als juridisch vader van [minderjarige] . De rechtbank zal het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) vragen om hier nader onderzoek naar te doen en deze vragen te beantwoorden. Als het voor de beantwoording van de vragen van de rechtbank noodzakelijk is om processtukken aan het IJI te verstrekken dan zal de rechtbank hieraan gevolg geven op verzoek van het IJI om deze specifieke stukken. 2.16. De rechtbank zal het verzoek om het vaderschap gerechtelijk vast te stellen aanhouden in afwachting van het rapport van het IJI over voornoemde vraag. Inschrijving akte van geboorte 2.17. De vrouw heeft verzocht de geboorteakte van [minderjarige] die is opgemaakt in de Verenigde Staten in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw is eerder weliswaar gestart met deze procedure, maar zij heeft dit traject voortijdig onderbroken, omdat het haar op dat moment te veel werd. Aangezien voor de verwerking van het afstammingsverzoek een geregistreerde geboorteakte bij de gemeente in Den Haag nodig is, is het noodzaak dat de geboorteakte van [minderjarige] aldaar wordt geregistreerd. 2.18. De ABS stelt zich op het standpunt dat bij een Nederlandse gerechtelijke vaststelling van het ouderschap (anders dan bij adoptie) geen wettelijk grondslag bestaat voor de rechter om ambtshalve bij zijn beslissing tevens een last te geven tot het inschrijven van een buitenlandse geboorteakte in de Haagse registers van de burgerlijke stand, dan wel overeenkomstig artikel 1:25e BW de geboortegegevens vast te stellen. Een dergelijke last kan alleen worden gegeven op grond van een gedaan verzoek daartoe (mits aan de voorwaarden van artikel 1:25 BW wordt voldaan). 2.19. De rechtbank overweegt dat in deze zaak geen sprake is van een situatie waarin de rechtbank op grond van artikel 1:25 BW de ambtenaar van de burgerlijke stand opdracht kan geven om de akte van geboorte in te schrijven. Het verzoek mist dan ook een wettelijke grondslag. Dat betekent dat de vrouw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek om deze akte in te schrijven. 2.20. De vrouw kan zelf, zonder tussenkomst van de rechtbank, de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoeken om de akte van geboorte in te schrijven in de registers. De vrouw is, nu de behandeling van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zal worden aangehouden, in de gelegenheid om een dergelijk verzoek bij de ambtenaar van de burgerlijke stand in te dienen. Alsdan kan ook de ambtenaar van de burgerlijke stand beoordelen wat de juridische status is van de man en/of de akte van geboorte al dan niet in strijd is met de openbare orde. De rechtbank verzoekt de vrouw om de rechtbank op de hoogte te houden van deze aanvraag zodat dit, zo nodig, kan worden meegenomen in de uiteindelijke beoordeling van het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Kinderalimentatie 2.21. Nu de minderjarige in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. De rechtbank zal op dezelfde grond Nederlands recht toepassen. 2.22. De vrouw heeft, samengevat, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] van € 900,= per maand vast te stellen, ingaande per 22 augustus 2025. De man heeft geen verweer gevoerd, ondanks dat de bijzondere curator ter zitting heeft verklaard dat zij de man heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van het niet voeren van verweer. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vrouw voor toewijzing gereed ligt mits dit verzoek de rechtbank niet onrechtmatig voorkomt. 2.23. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft de vrouw gesteld dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage, heeft zij financiële gegevens overgelegd van zichzelf en gesteld dat de man destijds een hoog salaris had en ervan uit gaat dat dit niet gewijzigd is. Ter zitting heeft zij nog een door haarzelf opgesteld overzicht overgelegd van kosten die door haar worden gemaakt en die volgens haar aan [minderjarige] kunnen worden toegerekend. De vrouw heeft echter geen enkele berekening gemaakt. Zij heeft nagelaten haar netto besteedbaar inkomen te bereken en bij wege van ontbreken van gegevens van de man een inschatting en berekening te maken van zijn inkomen, zodat er meer uitgangspunten aan haar verzoek ten grondslag hadden gelegen. Deze zeer summiere onderbouwing neemt echter niet weg dat de vrouw terecht heeft gesteld dat de man onderhoudsplichtig is. Gelet op het bepaalde in artikel 1:394 BW is de man onderhoudsplichtig jegens [minderjarige] , nu niet in geschil is dat hij de biologische vader van [minderjarige] is. De rechtbank acht het daarnaast ook in het belang van [minderjarige] dat een onderhoudsbijdrage ten behoeve van hem wordt vastgesteld, zodat de rechtbank hiertoe zal overgaan. Dit betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de zaak op dit punt verder aan te houden. 2.24. De rechtbank zal de, zoals hierna zal blijken, door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] in laten gaan per datum indiening verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment in ieder geval rekening kon houden met een te betalen bijdrage. 2.25. Gelet op de niet betwiste stukken die door de vrouw zijn ingediend en de door haar onweersproken gestelde levensstandaard die partijen hadden voorafgaand aan het moment van uit elkaar gaan, gaat de rechtbank uit van de hoogste tabelbehoefte in 2021 conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, zijnde € 830,=. Rekening houdend met de jaarlijkse indexeringen bedraagt deze behoefte in 2025 € 989,12 per maand en in 2026 € 1.034,62 per maand. De rechtbank ziet geen aanleiding deze behoefte te corrigeren nu uit het door de vrouw zelf opgestelde overzicht van kosten blijkt dat met de aard van deze kosten reeds rekening is gehouden in het tabelbedrag dan wel dat met deze kosten normaliter rekening wordt gehouden aan de zijde van de draagkracht. Verder is de rechtbank niet gebleken van dusdanig bijzondere kosten, dat daarmee het tabelbedrag zou moeten worden verhoogd. Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat de welstand van [minderjarige] tijdens de relatie van partijen hoger was dan de hiervoor genoemde hoogste tabelbehoefte, volgt de rechtbank de vrouw hierin niet, nu zij daarvoor onvoldoende heeft gesteld. De rechtbank leidt voorts uit de stukken en het ter zitting verhandelde af dat de vrouw voorstaat dat iedere ouder de helft van de kosten van [minderjarige] voldoet, nu dat verder niet is weersproken en het voor rekening en risico van de man komt dat hij geen gegevens heeft ingebracht, noch verweer heeft gevoerd, stelt de rechtbank de door de man te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift vast op € 494,56 per maand en per 1 januari 2026 op € 517,31 per maand. 2.26. Dit betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek om de ambtenaar van de burgerlijke stand opdracht te geven om de akte van geboorte van [minderjarige] in te schrijven in de daartoe bedoelde registers; 3.2. doet een verzoek aan het Internationaal Juridisch Instituut (IJI), gevestigd aan de R.J. Schimmelpennincklaan 20-22, 2517 JN Den Haag met een nadere toelichting antwoord te geven op de volgende vraag: - Is naar het recht van [staat] een familierechtelijke betrekking tussen de man en [minderjarige] ontstaan en is de man aan te merken als juridisch vader van [minderjarige] ? 3.3. bepaalt dat het IJI uiterlijk op 4 augustus 2026 schriftelijk aan het de rechtbank antwoord zal geven op de hiervoor onder 3.1 geformuleerde vraag; 3.4. stelt de vrouw, de man en de bijzondere curator twee weken in de gelegenheid om na ontvangst van het rapport van het IJI schriftelijk hierop te reageren; 3.5. stelt de vrouw in de gelegenheid om in deze periode de akte van geboorte van [minderjarige] in te schrijven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag; 3.6. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen: met ingang van 3 november 2025 een bedrag van € 494,56 (vierhonderd vierennegentig euro en zesenvijftig eurocent) per maand; met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 517,31 (vijfhonderd zeventien euro en eenendertig eurocent) per maand; 3.7. houdt iedere verdere beslissing aan tot 4 augustus 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van het IJI; 3.8. behoudt zich iedere verdere beslissing voor. Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Mandemakers, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.