Skip to content
Case Law · Gerechtshof Amsterdam ·ECLI:NL:GHAMS:2026:2280 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Amsterdam, 18-08-2026 (23-001797-25)

Gerechtshof Amsterdam
Summary

Onbeperkt appel. Het hof verklaart de verdachte N-O in het hoger beroep t.a.v. de partiële vrijspraken in eerste aanleg bij de impliciet cumulatief tenlastegelegde feiten 4, 7 en 9. Het hof vernietigt het vonnis voor zover aan zijn oordeel onderworpen en komt tot een deels andere bewezenverklaring t.a.v. de pleegperiodes bij feiten 1, 2, 4 en 7. Voor het overige neemt het hof de overwegingen van de rechtbank over, met dien verstande dat het hof de verwijzingen naar de bewijsmiddelen verbetert opneemt. Veroordeling voor diverse feiten in de periode 2017-2024, waaronder heling en verspreiding van geheelde niet-openbare gegevens, het voorhanden hebben van phishingpanels, computervredebreuk, medeplegen van oplichting en diefstal met valse sleutels, ticketfraude, Opiumwet- en WVW-feiten en (gewoonte)witwassen van een bedrag van in totaal € 277.758,16. Bij de phishing gerelateerde feiten is op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van persoonsgegevens van (hoog)bejaarde slachtoffers; daarnaast zijn samen met anderen babbeltrucs toegepast. Gelet op o.m. de ernst, aard, omvang en lange pleegperiodes ziet het hof geen aanleiding voor strafvermindering. Het hof ziet gelet op de gewijzigde proceshouding van verdachte en de voordelen in het kader van de v.i.-regeling wel aanleiding tot oplegging van een enigszins andere straf. GS van 48 maanden m.a. Beslissingen over beslag en de vorderingen van benadeelde partijen. Benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk t.a.v. de feiten waarvan verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken; voor het overige toegewezen. Het hof gelast de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke GS 1 maand en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde OBM af.

Full text

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001797-25 datum uitspraak: 18 augustus 2026 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-110054-24 en 96-143996-24, 96-059055-21 (TUL) en 13-698552-18 (TUL) tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, adres: [adres 1] , thans gedetineerd in [detentieadres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht. Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep Partiële vrijspraken ten aanzien van feit 4, 7 en 9 (zaak A) De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van wat aan hem in zaak A onder feit 4, 7 en 9 ten laste gelegd is, te weten (respectievelijk) van het medeplegen van oplichting van aangeefster [slachtoffer 1] op 18 mei 2024, het medeplegen van ticketfraude ten aanzien van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 12 en 18 juli 2024 en het witwassen van een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] en een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] . Het hoger beroep is door de verdachte niet beperkt ingesteld en is daarmee gericht tegen de in eerste aanleg gegeven partiële vrijspraken. Het hof ziet de tenlastelegging van feit 4, 7 en 9 als een impliciet cumulatieve waarin meerdere strafbare feiten zijn opgenomen, in die zin dat de diverse locaties en momenten waarop de verdachte zich (samen met anderen) schuldig zou hebben gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van oplichting, ticketfraude en witwassen, tezamen in één feit zijn tenlastegelegd. Het hof is daarom van oordeel dat deze partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd, waartegen voor de verdachte ingevolge artikel 404, vijfde lid Sv geen hoger beroep openstaat. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de hiervoor genoemde partiële vrijspraken. Dit betekent dat deze feiten in hoger beroep niet meer aan de orde zijn. Tenlasteleggingen De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit arrest gehecht. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep – voor zover in hoger beroep aan de orde – zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Het hof neemt over wat in zaak A ten aanzien van feit 2, 3, 6, 7, 8 en 9 en in zaak B is overwogen onder respectievelijk ‘4.1 tot en met 4.2.6 feiten en omstandigheden’ en ‘4.4. oordeel van de rechtbank’ in het vonnis waarvan beroep. De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van deze feiten in hoger beroep uitdrukkelijk geen verweer gevoerd. De verdediging berust ten aanzien van deze feiten in de bewezenverklaring van de rechtbank. In hoger beroep zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorts geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die het hof tot een ander oordeel brengen. Het hof zal ten aanzien van deze feiten (met uitzondering van de in zaak A ten aanzien van feit 2 en 7 bewezenverklaarde pleegperiodes), zoals gevorderd door de advocaat-generaal, beslissen conform het vonnis waarvan beroep. Het hof overweegt ten aanzien van zaak A onder feit 1, 2, 4, 5 en 7 als volgt. Zaak A, feit 1 (medeplegen van heling van niet-openbare gegevens, verwerven of voorhanden hebben ) Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar aan het hof overgelegde pleitnotities ten aanzien van feit 1 gerefereerd met uitzondering van de ingangsdatum van de tenlastegelegde pleegperiode vanaf 1 maart 2019. De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal dat de ingangsdatum van de pleegperiode 20 december 2020 dient te zijn. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich – kort samengevat – in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte in de periode van 20 december 2020 tot en met 12 november 2024 niet-openbare gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad. De advocaat-generaal heeft daartoe onder meer aangevoerd dat uit het dossier volgt dat 20 december 2020 de eerste creatiedatum is van een bestand dat een relatie met de verdachte heeft. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat feit 2 voor het overige conform het vonnis waarvan beroep bewezenverklaard zal worden. Oordeel van het hof Met de raadsvrouw en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het dossier en de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte de onder feit 1 tenlastegelegde lijsten vanaf 1 maart 2019 heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Daartoe acht het hof van belang dat uit het proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse Excelbestanden uit iPhone 13’ van 15 januari 2025 inclusief bijlagen (Excellijst) volgt dat de bestanden die een relatie hebben met de verdachte zijn aangemaakt van 2020 tot en met 2024. De politie heeft ten aanzien van deze lijsten geverbaliseerd dat het jaartal waarop een document ofwel lijst is gecreëerd een indicatie geeft over hoe lang de verdachte de betreffende lijst in zijn bezit heeft. Uit bijlage 2 op pagina ZD03 02 0080 volgt dat de op de telefoon van de verdachte aangetroffen lijst met bestandsnaam ‘ [bestandsnaam 1] ’ is gemaakt op 20 december 2020 door ‘gebruiker’. Hoewel er naast deze lijst ook lijsten zijn aangetroffen die eerder dan 20 december 2020 zijn gecreëerd kunnen deze lijsten gelet op de bestandskenmerken zoals naam en geregistreerde auteur niet in relatie worden gebracht met de verdachte vanaf de creatiedatum. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de eerste (onder feit 1 genoemde) Telegramgroep blijkens bijlage I tot en met III van het proces-verbaal van bevindingen inzake ‘restinformatie verdachte [verdachte] ’ van 24 juni 2024 pas is aangemaakt op 31 oktober 2023 kan ten aanzien van de laatstgenoemde lijsten niet bewezen worden dat de verdachte die lijsten eerder dan 31 oktober 2023 heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte ten aanzien van feit 1 dan ook partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen van heling van niet-openbare gegevens in de periode van 1 maart 2019 tot en met 19 december 2020. Het hof verenigt zich voor het overige met wat de rechtbank met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 1 heeft overwogen onder ‘4.2.1. heling van gegevens (feit 1)’ van het vonnis en neemt deze overwegingen over. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde – met inachtneming van wat ten aanzien van de pleegperiode zojuist is overwogen – wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de in bijlage II opgesomde bewijsmiddelen. Zaak A, feit 2 (verspreiding van geheelde gegevens) Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich – kort samengevat – in hoger beroep op het standpunt gesteld dat 31 oktober 2023 uit het dossier volgt als concrete eerste datum van de chatgesprekken waarin de verdachte geheelde gegevens heeft gedeeld, zodat die datum als ingangsdatum van de pleegperiode dient te worden bepaald. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat dit feit voor het overige conform het vonnis waarvan beroep bewezenverklaard zal worden. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat uit het dossier volgt dat 31 oktober 2023 als ingangsdatum van de pleegperiode heeft te gelden gelet op de omstandigheid dat de eerste Telegramgroep waarin de onder feit 2 genoemde gegevens werden gedeeld blijkens bijlage I tot en met III van het proces-verbaal van bevindingen inzake ‘restinformatie verdachte [verdachte] ’, pas is aangemaakt op 31 oktober 2023. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte ten aanzien van feit 2 om die reden partieel te worden vrijgesproken van de verspreiding van geheelde gegevens in de periode van 1 mei 2021 tot en met 30 oktober 2023. Zaak A, feit 4 en 5 (medeplegen van oplichting en diefstal met een valse sleutel) Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep overeenkomstig haar aan het hof overgelegde pleitnotities ten aanzien van feit 4 bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van oplichting ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en ten aanzien van feit 5 van de diefstal met een valse sleutel ten aanzien van de aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] . Daartoe heeft zij – kort samengevat – aangevoerd dat het voor medeplegen vereiste bewijs van betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten ontbreekt. Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich ten aanzien van feit 4 en 5 in hoger beroep op het standpunt gesteld dat 1 augustus 2024 als ingangsdatum van de pleegperiode dient te worden bepaald, vanwege de vrijspraak ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer 1] van 18 mei 2024, en omdat uit het dossier volgt dat de eerste handelingen ten aanzien van de slachtoffers waarvoor een bewezenverklaring kan volgen, plaats hebben gevonden in augustus 2024. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de feiten voor het overige conform het vonnis waarvan beroep bewezenverklaard zullen worden. Oordeel van het hof Het hof verenigt zich, met uitzondering van de ingangsdatum van de bewezenverklaarde pleegperiode ten aanzien van feit 4, met wat de rechtbank met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 4 en 5 heeft overwogen onder ‘4.2.3. Oplichting (feit 4), diefstal met valse sleutel (feit 5) en de computervredebreuk (feit 6)’ en ‘4.4. Oordeel van de rechtbank’ van het vonnis en neemt deze overwegingen over. Hetgeen in hoger beroep door of namens de verdachte is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het hof is met betrekking tot de ingangsdatum van de pleegperiode ten aanzien van feit 4 met het openbaar ministerie van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de eerste handelingen ten aanzien van de slachtoffers, waarvoor in eerste aanleg een bewezenverklaring is gevolgd, hebben plaatsgevonden in augustus 2024. Het hof is van oordeel dat 7 augustus 2024 daarbij geldt als concrete eerste datum waarop de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting. Uit het proces-verbaal van bevindingen ‘Telegram groep chat ‘ [chat] ’ van 23 december 2024 op pagina ZD03 02 0088 tot ZD03 02 00 90 volgt onder meer dat de verdachte op 7 augustus 2024 een Telegram chatconversatie met de groepsnaam ‘ [chat] ’ op zijn telefoon heeft aangemaakt, waarin door middel van een door de verdachte uitgenodigde Telegram Bot automatisch gegevens werden gedeeld die via de door de verdachte gedeelde phishingpanels door slachtoffers werden ingevuld. Op 7 augustus 2024 is op die wijze de (inlog)gegevens van onder meer aangever [slachtoffer 6] in de Telegram chatgroep verkregen en gedeeld. Vervolgens is in de hierop volgende dagen op naam van aangever [slachtoffer 6] een creditcard aangevraagd. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen inzake ‘video creditcard’ van 21 februari 2025 is tenslotte op 12 september 2024 een geldbedrag met de creditcard weggenomen. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van feit 4 partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen van oplichting in de periode van 18 mei 2024 tot en met 6 augustus 2024. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onder 4 en 5 ten laste gelegde – met inachtneming van wat ten aanzien van de pleegperiode van feit 4 zojuist is overwogen – wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de in bijlage II opgesomde bewijsmiddelen. Zaak A, feit 7 (medeplegen van ticketfraude, fraude met online handel) Standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich ten aanzien van feit 7 in hoger beroep op het standpunt gesteld dat 19 juli 2024 als ingangsdatum van de pleegperiode dient te worden bepaald, vanwege de vrijspraak ten aanzien van de aangifte van [slachtoffer 2] van 12 juli 2024, en omdat uit het dossier volgt dat de eerste handelingen ten aanzien van de slachtoffers waarvoor een bewezenverklaring kan volgen, plaats hebben gevonden op 19 juli 2024. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de feiten voor het overige conform het vonnis waarvan beroep bewezenverklaard zullen worden. Oordeel van het hof Het hof is met betrekking tot de ingangsdatum van de pleegperiode ten aanzien van feit 7 gelet op de in eerste aanleg gegeven vrijspraken van oordeel dat onder meer uit de aangifte van [slachtoffer 8] blijkt dat de eerste handelingen waarvoor een bewezenverklaring kan volgen hebben plaatsgevonden op 19 juli 2024. Uit de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen inzake ‘aanvullende analyse eerste bevindingen iPhone [verdachte] ’ van 19 juni 2024 volgt dat aangeefster [slachtoffer 8] op deze datum contact heeft gehad over de festivalkaarten via het instagramaccount [account] en vervolgens op dezelfde datum een geldbedrag heeft overgemaakt naar een bankrekeningnummer dat in verband met de verdachte kan worden gebracht. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte daarom ten aanzien van feit 7 partieel te worden vrijgesproken van het medeplegen van ticketfraude in de periode van 12 juli 2024 tot en met 18 juli 2024. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het onder feit 7 ten laste gelegde – met inachtneming van wat ten aanzien van de pleegperiode zojuist is overwogen – wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de in bijlage II opgesomde bewijsmiddelen. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: Zaak A 1. hij in de periode van 20 december 2020 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging met anderen niet-openbare gegevens, te weten 81 lijsten en meerdere sets, onder meer " [bestandsnaam 2] " en " [bestandsnaam 3] " en " [bestandsnaam 4] " en " [bestandsnaam 5] " en " [bestandsnaam 6] " en andere lijsten zoals opgesomd vanaf p. 79 van ZD03 02 ‘Phishing/Oplichting’’, met daarop de naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens (straatnaam en/of postcode en/of woonplaats) en/of e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of bankrekeningnummer van een zeer grote hoeveelheid althans meerdere personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) via de Telegramgroepen " [groep 1] " en " [groep 2] " en " [groep 3] " en andere Telegramgroepen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wisten dat deze door misdrijf waren verkregen; 2. hij in de periode van 31 oktober 2023 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere in gegevens, te weten: - adresgegevens ten behoeve van SumUp en/of - één of meerdere lijsten en meerdere sets met daarop de naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens (straatnaam en/of postcode en/of woonplaats) en/of e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of bankrekeningnummer van een zeer grote hoeveelheid althans meerdere personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) al dan niet met een begeleidend schrijven met daarin een nadere toelichting, heeft overgedragen heeft verspreid en anderszins ter beschikking heeft gesteld, waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht) terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaal instrument; 3. hij op tijdstippen in de periode van 23 juli 2024 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt en ontworpen is tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab eerste lid, 138b of 139c Wetboek van Strafrecht, heeft vervaardigd, ontvangen, zich verschaft, overgedragen, verworven, verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een van die misdrijven werd gepleegd, immers heeft verdachte 5 phishingsites (panels) en software ten behoeve van het geautomatiseerd doorgeven van gegevens welke zijn verkregen middels voornoemde phishing panels voorhanden gehad, telkens met de bedoeling om inloggegevens waaronder gebruikersnaam en wachtwoord af te vangen en te verkrijgen die toegang geven tot een of meerdere bankrekeningen; 4. hij in de periode van 7 augustus 2024 tot en met 5 september 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels meerdere personen, te weten - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 9] en - [slachtoffer 6] , heeft bewogen tot - ter beschikking stellen van inloggegevens voor internetbankieren en - afgifte van zijn/haar legitimatiebewijs, door valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven: - via een phishing link en/of phishing website de inloggegevens voor internetbankieren in laten vullen (gebruikersnaam en wachtwoord) en/of - nadat de inloggegevens via de phishing panel zijn ontvangen bij de voordeur aan te bellen en zich daarbij voor te doen als postbezorger en/of - met een envelop in de hand te zeggen dat hij een (aangetekende) brief heeft en/of - te vragen om een legitimatiebewijs om de brief af te geven en/of - het overhandigde legitimatiebewijs te scannen en/of een foto van het legitimatiebewijs te maken waarmee vervolgens toegang tot de internetbankierenomgeving kon worden verschaft en/of - het legitimatiebewijs terug te geven en/of daarmee de envelop te overhandigen waar geen echte brief in zat; 5. hij in de periode van 30 augustus 2024 tot en met 15 september 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, meermalen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, welke geldbedragen, geheel of ten dele toebehoorden aan een of meerdere rekeninghouders, te weten van - [slachtoffer 7] en - [slachtoffer 4] en - [slachtoffer 5] en - [slachtoffer 9] en - [slachtoffer 6] , waarbij hij, verdachte en zijn mededaders het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, te weten - wachtwoorden en inloggegevens voor het inloggen op internetbankieren en/of Applepay gekoppeld aan de rekeningen van die rekeninghouders en - meermalen gebruik te maken van creditcards van [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] en hierbij pintransacties heeft verricht bij meerdere Geldmaten/of supermarkten en coffeeshop; 6. hij in de periode van 9 augustus 2024 tot en met 3 oktober 2024 te Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een gedeelte van een geautomatiseerd werk, te weten servers van de beveiligde internetbankieren omgeving van de ING bank, is binnengedrongen, waarbij verdachte en zijn mededaders telkens de toegang tot de geautomatiseerde werken hebben verworven - met behulp van een valse sleutel, te weten de inloggegevens van het internetbankieren te weten de gebruikersnaam en het wachtwoord en scan van het legitimatiebewijs van de ING bank en - door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde geautoriseerde ING klanten; 7. hij in de periode van 19 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024, te Amsterdam en/of Almere, tezamen en in vereniging met anderen een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen (via Instagram en/of Whatsapp), met het oogmerk om zonder volledige levering zich en een ander van de betaling van die goederen te verzekeren teneinde zich wederrechtelijk te bevoordelen door - [slachtoffer 8] uit Diemen op 19 juli 2024 heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag van 120 euro ten behoeve van twee ( [naam 1] ) festival tickets en - [slachtoffer 10] uit Rotterdam op 4 augustus 2024 heeft bewogen tot betaling van een geldbedrag van 45 euro ten behoeve van een festival ticket en/of in elk geval genoemde personen telkens heeft bewogen tot de betaling/afgifte van een geldbedrag, telkens zonder het goed te leveren dat tussen verdachte en genoemde personen was overeengekomen; 8. hij op 26 november 2023 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad meerdere tanks distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II: 9. hij in de periode van 19 juni 2017 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, geldbedragen van in totaal € 276.758,16 en een geldbedrag van € 1.000 heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en gebruik heeft gemaakt van die geldbedragen terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt; Zaak B hij op 18 april 2023 te Amsterdam, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Zeldenruststraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorieën waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd. Hetgeen in de zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in de zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Voor zover in de tenlastelegging taal- en of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. Bewijsmiddelen Voor wat betreft de bewijsmiddelen verwijst het hof naar de inhoud van de bewijsmiddelen zoals deze zijn weergegeven (in de voetnoten) in het vonnis van 22 juli 2025, telkens onder de rubrieken ‘feiten en omstandigheden’ en ‘oordeel van de rechtbank’, die tezamen opleveren de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat de verdachte het in zaak A onder feit 1 tot en met 9 en in zaak B bewezen verklaarde heeft begaan. Het hof neemt over de bewijsmiddelen zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep in zaak A ten aanzien van de feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en zaak B, met dien verstande dat het hof de verwijzingen naar de (paginanummers van de) bewijsmiddelen verbeterd zal opnemen in de opsomming van de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit arrest is vervat. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Zaak A Het onder 1 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: gegevens vervaardigen en ontvangen en overdragen en verwerven en verspreiden en anderszins ter beschikking stellen en voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een in artikel 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf voor zover het feit betrekking heeft op de verkrijging van een niet-contant betaalinstrument Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigen en ontvangen en zich verschaffen en overdragen en verwerven of anderzins ter beschikking stellen en voorhanden hebben Het onder 4 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 5 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Het onder 6 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van computervredebreuk, gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatiewerk, terwijl de dader vervolgens met het oogmerk zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk. Het onder 7 bewezenverklaarde levert op: medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren Het onder 8 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Het onder 9 bewezenverklaarde levert op: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Zaak B Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in zaak B bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straffen De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 tot en met 9 en zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met daarbij de in het over de verdachte in eerste aanleg opgemaakte reclasseringsrapport geadviseerde bijzondere voorwaarden. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het aan hem in zaak A en zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft bij haar strafeis in het voordeel van de verdachte uitdrukkelijk rekening gehouden met de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.). Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft het hof verzocht om aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de gevangenisstraf te matigen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de verdachte bij de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan profiteren van de in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op te leggen voorwaarden en de mogelijkheden om op een goede manier terug te keren naar de maatschappij. De verdediging verzoekt het hof om de gevangenisstraf te matigen gezien onder meer de leeftijd van de verdachte, de omstandigheid dat een gedeelte van de feiten oud is, de verdachte voor het eerst detentie ondergaat en dat hij zich (in detentie) positief inzet. Oordeel van het hof Het hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de strafoplegging ten aanzien van de in zaak A en B bewezenverklaarde feiten heeft overwogen in paragraaf 8.3 van het vonnis (tot en met ‘de persoon van de verdachte’) en neemt deze overwegingen over. Het hof vult de overwegingen als volgt aan. In hoger beroep is bewezenverklaard dat de verdachte zich alleen en samen met anderen in de periode van 2017 tot en met 2024 schuldig heeft gemaakt aan verschillende strafbare feiten. Het zwaartepunt van de bewezenverklaring in deze zaak wordt gevormd door feiten die zijn gerelateerd aan computervredebreuk en phishing, waarbij doelgericht en op geraffineerde wijze onder meer misbruik is gemaakt van de persoonlijke gegevens van (hoog)bejaarde slachtoffers. Ook heeft de verdachte samen met anderen op schaamteloze wijze babbeltrucs uitgevoerd bij een aantal van deze slachtoffers. Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en hoven dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Voor dergelijke feiten bestaan als zodanig geen landelijke oriëntatiepunten voor de rechtspraak. Gelet op wat door de rechtbank in paragraaf 8.3 van het vonnis onder de ‘ernst van de feiten’ is overwogen over de aard en de omvang van het handelen van de verdachte en de impact daarvan op de slachtoffers, lenen de oriëntatiepunten die zijn opgesteld voor fraude in het algemeen zich naar het oordeel van het hof niet voor één op één toepassing in zaken als deze. Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof daarom ook acht geslagen op de straffen die voor soortgelijke feiten en in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Bij de vergelijking met soortgelijke zaken heeft het hof betrokken dat de verdachte zich in dit geval niet alleen schuldig heeft gemaakt aan phishing-gerelateerde feiten gedurende een periode van vier jaar, maar ook aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag, ticketfraude, overtreding van de Opiumwet en de Wegenverkeerswet 1994. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof in hoger beroep gelet op de inhoud van het strafblad van de verdachte van 21 juli 2026, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld vanwege soortgelijke feiten en dat hij de feiten in dit onderzoek heeft gepleegd in twee lopende proeftijden. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om de bewezenverklaarde feiten te plegen en dat rekent het hof hem zwaar aan. Het hof heeft tevens kennisgenomen van een reclasseringsadvies (detentie en re-integratieplan) over de verdachte van 18 maart 2026, waaruit volgt dat de reclassering adviseert om de verdachte bij een veroordeling in aanmerking te laten komen voor detentie- en re-integratieactiviteiten. De verdachte lijkt een mentaliteitsverandering te hebben meegemaakt en hij is zich nu naar eigen zegen meer bewust van de gevolgen van zijn daden. Het recidiverisico wordt door de Reclassering als laag ingeschat, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte zich gemotiveerd toont voor gedragsverandering. Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die zijn beschreven in zijn persoonlijke brief aan het hof van 3 augustus 2026 en zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn besproken. Hoewel het hof de naar voren gebrachte ontwikkelingen in het leven van de verdachte positief vindt, ziet het hof, gelet op de ernst, aard, hoeveelheid en (lange) pleegperiode van de gepleegde feiten, geen reden om de duur van de gevangenisstraf – zoals bepleit door de raadsvrouw – te matigen. Gelet op het strafblad van de verdachte en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, kan naar het oordeel van het hof met geen andere straf worden volstaan dan met het opleggen van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In beginsel acht het hof de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf dan ook passend en geboden. Het hof heeft in verdachtes voordeel meegewogen dat hij tijdens de behandeling in hoger beroep heeft besloten openheid van zaken te geven en de feiten (deels) heeft bekend. De verdachte heeft laten weten er spijt van te hebben en heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn sturende rol in de uitvoering van een deel van de bewezenverklaarde feiten. Gezien deze gewijzigde proceshouding in combinatie met de positieve kentering die de verdachte volgens het reclasseringsadvies in detentie doormaakt, is het hof van oordeel dat aan de verdachte – gelet ook op de voordelen in het kader van v.i. – een gevangenisstraf dient te worden opgelegd zoals gevorderd door de advocaat-generaal. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is. Beslissingen ten aanzien van het beslag Onder de verdachte zijn, gezien de – als bijlage III bij dit arrest vervatte – beslaglijst van 3 juli 2025, in zaak A onder 1 tot en met 9 verscheidene voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van het beslag wordt beslist conform het vonnis van de rechtbank. Standpunt van de verdediging De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep mondeling afstand gedaan ten aanzien van de inbeslaggenomen kleding, schoeisel, sieraden en stickers met nummer 1 tot en met 38, 41, 42 en 44. De verdachte heeft het hof verzocht om teruggave van de inbeslaggenomen en niet teruggeven computer (nummer 50) en het fototoestel (nummer 39). Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 4 augustus 2026 uitdrukkelijk afstand gedaan van de in beslag genomen kledingstukken en stickers (Apple). Hoewel de verdachte ter terechtzitting kenbaar heeft gemaakt dat hij de goederen niet meer terug wil, moet door het hof nog rechtens op het beslag worden beslist. Verbeurdverklaring De op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen te weten kleding, schoeisel, een sieraad, munten en stickers, genummerd 1 t/m 38, 41, 42 en 44 worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien die voorwerpen geheel of grotendeels uit baten van het bewezen geachte zijn verkregen. Onttrekking aan het verkeer Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten telefoontoestellen, genummerd als 43, 47, 59 dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte in zaak A gepleegde feiten aangetroffen en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het in zaak A bewezen geachte is voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan, gelet op de omstandigheden waaronder ze zijn aangetroffen, in strijd is met de wet en het algemeen belang. Teruggave aan de verdachte Het hof zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de overige inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen waaronder het fototoestel (nummer 39), de computer (nummer 50) en de sleutel (nummer 66). Deze voorwerpen zijn onder hem in beslag genomen en niet is komen vast te staan dat een relatie bestaat tussen deze voorwerpen en de bewezenverklaarde feiten. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (Zaak A – feit 4) De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.450,00, bestaande uit € 1.000,00 ter compensatie van materiële schade en € 450,00 ter compensatie van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. De raadsvrouw heeft het hof gelet op de in eerste aanleg gegeven vrijspraak verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof overweegt als volgt. De verdachte is ten aanzien van het in zaak A onder feit 4 tenlastegelegde feit, waarop de vordering van [slachtoffer 1] betrekking heeft, vrijgesproken. Aangezien dit feit op grond van artikel 404 lid 5 Sv in hoger beroep niet langer aan de orde is, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (Zaak A – feit 5) De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 90,75 ter compensatie van materiële schade in verband met de aanvraag van een nieuw rijbewijs, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de bepleitte vrijspraak. Het hof overweegt als volgt. Hoewel de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd, volgt uit artikel 421, tweede lid, Sv dat de voeging die in eerste aanleg plaats heeft gehad voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voortduurt in hoger beroep. De vordering is door de rechtbank in eerste aanleg volledig toegewezen. Het is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak A onder 4 en 5 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Immers blijkt uit het dossier dat de daders op enig moment met een babbeltruc het rijbewijs van de verdachte hebben gescand en gebruikt om in de online bankierenomgeving van zijn bank te komen. De vordering is voldoende onderbouwd met onder meer een bon van de gemeente Edam-Volendam in verband met de aanvraag van een nieuw rijbewijs. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (zaak A – feit 7) De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 180,00, bestaande uit € 80,00 euro ter compensatie van materiële schade en € 100,00 ter compensatie van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof overweegt als volgt. Nu de benadeelde partij [slachtoffer 2] in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vordering en niet is gebleken dat hij zich op grond van het bepaalde van artikel 421, derde lid Sv in hoger beroep wederom als benadeelde partij in dit strafproces heeft gevoegd, is zijn vordering in hoger beroep niet aan de orde. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 63, 138ab, 139d, 139g, 234, 311, 326, 326e en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994. Vordering tenuitvoerlegging 13-698552-18 Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in Amsterdam van 7 februari 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft het hof om toewijzing van de vordering verzocht. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Vordering tenuitvoerlegging 96-059055-21 Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 17 november 2022 opgelegde voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht om te beslissen conform het vonnis van de rechtbank en de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen. De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal. Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarden niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in deze strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Met de rechtbank is het hof echter toch van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, na een detentie van aanzienlijke duur, niet meer opportuun is met het oog op de re-integratie van de verdachte op de arbeidsmarkt. Het hof acht het wenselijk dat de verdachte in dat opzicht na detentie met een schone lei kan beginnen. Het hof zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-110054-24 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in de zaak met parketnummer 96-143996-24 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-110054-24 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 en in de zaak met parketnummer 96-143996-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de goederen met de nummers 1 t/m 38, 41, 42 en 44, zoals genummerd en nader omschreven op de als bijlage II gevoegde lijst van inbeslaggenomen goederen. Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de goederen met de nummers 43, 47 en 59, zoals genummerd en nader omschreven op de als bijlage II gevoegde lijst van inbeslaggenomen goederen. Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de goederen met de nummers 39, 50 en 66, zoals genummerd en nader omschreven op de als bijlage II gevoegde lijst van inbeslaggenomen goederen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-110054-24 onder 4 en 5 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 90,75 (negentig euro en vijfenzeventig cent) ter zake van materiële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-110054-24 onder 4 en 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 90,75 (negentig euro en vijfenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 23 augustus 2024. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 13-698552-18 Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2023, parketnummer 13-698552-18, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 96-059055-21 Wijst af de vordering van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam van 11 september 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 17 november 2022, parketnummer 96-059055-21, voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.T.C. de Vries en mr. L.M.G. de Weerd, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 augustus 2026. Mr. L.M.G. de Weerd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Bijlage I: Tenlastelegging Aan de verdachte [verdachte] , is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat: 1. hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen niet-openbare gegevens, te weten 81, althans één of meerdere lijsten en/of één of meerdere set(s), onder meer " [bestandsnaam 2] " en/of " [bestandsnaam 3] " en/of " [bestandsnaam 4] " en/of " [bestandsnaam 5] [bestandsnaam 5] " en/of " [bestandsnaam 6] " en/of (andere) lijsten en/of sets zoals opgesomd vanaf p. 79 van ZD03 02 ''Phishing/Oplichting'', met daarop de naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens (straatnaam en/of postcode en/of woonplaats) en/6f e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of bankrekeningnummer van een zeer grote hoeveelheid althans meerdere personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) via de Telegramgroep(en)" [groep 1] " en/of " [groep 2] " en/of " [groep 3] " en/of andere Telegramgroep(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist(en) of redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen; 2. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2021 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland een of meer stoffen, voorwerpen en/of gegevens, te weten: - adresgegevens ten behoeve van SumUp en/of - één of meerdere lijsten en/of één of meerdere set(s) met daarop de naam en/of geboortedatum en/of adresgegevens (straatnaam en/of postcode en/of woonplaats) en/of e-mailadres en/of telefoonnummer(s) en/of bankrekeningnummer van een zeer grote hoeveelheid althans meerdere personen (al dan niet geselecteerd op geboortedatum en/of postcode en/of woonplaats) al dan niet met een begeleidend schrijven met daarin een nadere toelichting, heeft overgedragen en/of heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, waarvan hij, verdachte, wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) en/of diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht), in elk geval een der in de artikelen 226, eerste lid, onderdelen 2° tot en met 5°, 231, eerste lid, 231a, eerste lid, 231b en 232, eerste lid, omschreven misdrijven dan wel een der misdrijven omschreven in de artikelen 310, 311,312, 317, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht terwijl dit feit betrekking had op de verkrijging van een niet-contant betaal instrument; 3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juli 2024 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt en/of ontworpen is tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab eerste lid, 138b of 139c Wetboek van Strafrecht, heeft vervaardigd, ontvangen, zich verschaft, overgedragen, verkocht, verworven, vervoerd, ingevoerd, uitgevoerd, verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een van die misdrijven werd gepleegd, immers heeft verdachte, - 5, althans een of meer, server(s) en/of phishingsite(s) (panels) en/of een programma's/software ten behoeve van het geautomatiseerd doorgeven van gegevens welke zijn verkregen middels voornoemde phishing panels voorhanden gehad, (telkens) met de bedoeling om (inlog)gegevens (waaronder gebruikersnaam en/of wachtwoord) af te vangen en/of te verkrijgen die toegang geven tot een of meerdere bankrekeningen; 4. hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2024 tot en met 5 september 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere personen, te weten - [slachtoffer 7] en/of - [slachtoffer 4] en/of - [slachtoffer 5] en/of - [slachtoffer 9] en/of - [slachtoffer 6] , heeft bewogen tot - ter beschikking stellen van (inlog)gegevens voor internetbankieren en/of - afgifte van zijn/haar legitimatiebewijs, in elk geval enig goed door valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - via een phishing link en/of phishing website de inloggegevens voor internetbankieren in laten vullen (gebruikersnaam en/of wachtwoord) en/of - (nadat de inloggegevens via de phishing panel zijn ontvangen) bij de voordeur aan te bellen en zich daarbij voor te doen als postbezorger en/of - met een envelop in de hand te zeggen dat hij een (aangetekende) brief heeft en/of - te vragen om een legitimatiebewijs om de brief af te geven en/of - het overhandigde legitimatiebewijs te scannen en/of een foto van het legitimatiebewijs te maken waarmee vervolgens toegang tot de internetbankierenomgeving kon worden verschaft en/of - het legitimatiebewijs terug te geven en/of daarmee de envelop te overhandigen waar geen echte brief in zat ; 5. hij in of omstreeks de periode 30 augustus 2024 tot en met 15 september 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehoorde(n) aan een of meerdere rekeninghouder(s), te weten van - [slachtoffer 7] en/of - [slachtoffer 4] en/of - [slachtoffer 5] en/of - [slachtoffer 9] en/of - [slachtoffer 6] , en/of een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten - een wachtwoord(en) en/of (inlog)gegevens voor het inloggen op internetbankieren en/of Applepay gekoppeld aan de rekeningen van die rekeninghouders, in elk geval (een) sleutel(s) tot het gebruik waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren en/of - eenmaal of meermalen gebruik te maken van creditcards van [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 6] , en hierbij eenmaal of meermalen pintransacties heeft verricht bij meerdere Geldmaten/of supermarkt(en) en/of coffeeshop; 6. hij in de periode van 9 augustus 2024 tot en met 3 oktober 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten server(s) van de (beveiligde) internetbankieren omgeving van de (ING) bank, is binnengedrongen, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) de toegang tot de geautomatiseerde werken heeft/hebben verworven - met behulp van een valse sleutel, te weten de (inlog)gegevens van het internetbankieren (te weten de gebruikersnaam en/of het wachtwoord en/of scan van het legitimatiebewijs) van/bij de (ING) bank en/of - door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten als zijnde geautoriseerde (ING) klanten; 7. hij in of omstreeks de periode 12 juli 2024 tot en met 4 augustus 2024, te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen (via Instagram en/of Whatsapp), met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen te verzekeren teneinde zich wederrechtelijk te bevoordelen door - [slachtoffer 8] uit Diemen op of omstreeks 19 juli 2024 heeft bewogen tot betaling/afgifte van een geldbedrag van 120 euro (ten behoeve van twee ( [naam 1] ) festival tickets) en/of - [slachtoffer 10] uit Rotterdam op of omstreeks 4 augustus 2024 heeft bewogen tot betaling/afgifte van een geldbedrag van 45 euro (ten behoeve van een (Dekmantel) festival ticket); feit 8. hij, op of omstreeks 26 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 141, althans meerdere tank(s), distikstofmonoxide (lachgas) met een totaalgewicht van 282 kg, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II feit 9. hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2017 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland -(een) geldbedrag/geldbedragen van (minstens) € 276.758,16 en/of een geldbedrag van € 1.000 en/of - Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] en/of - Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 2] , althans een of meer voorwerpen, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt van dat/die geldbedrag/geldbedragen en/of voormoemd(e) voertuig/voertuigen, althans een of meer voorwerpen terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt; Zaak B parketnummer 96-143996-24 (gevoegd): hij op of omstreeks 18 april 2023 te Amsterdam, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Zeldenruststraat, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd. Bijlage II: Bewijsmiddelen De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. Zaak A Feit 1 en 2 – heling van niet-openbare gegevens en verspreiding van geheelde gegevens: 1. Een proces-verbaal van bevindingen, restinformatie verdachte [verdachte] , van 24 juni 2024 (documentcode 289), opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0001 - ZD 03 02 0008 (met bijlagen I, II en III die chats bevatten uit de genoemde Telegramgroepen). 2. Een-proces-verbaal van bevindingen, analyse Excel bestanden uit iPhone 13, van 15 januari 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0072 - ZD03 02 0078 , met als bijlage een Excelsheet van de onderzochte Exceldocumenten. Feit 3 – voorhanden hebben van phishingpanels 3. Een proces-verbaal van bevindingen, onderzoek panels, van 24 december 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0052 - ZD 03 02 0066. 4. Een proces-verbaal van bevindingen, bevindingen Telegram chat tussen verdachte [verdachte] en “ [naam 2] ”, van 12 december 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0067 -ZD 03 02 0071. Feit 4 en 5 – medeplegen van oplichting en medeplegen van diefstal met een valse sleutel T.a.v. aangevers [slachtoffer 7] en [slachtoffer 4] ; 5. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 17 oktober 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0001 - ZD03 01 0004. 6. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 24 september 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] , doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0005 - ZD 03 01 0008. 7. Een proces-verbaal van bevindingen, bevindingen Telegram chat tussen verdachte en “ [naam 3] ”, van 21 november 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s ZD 03 02 097 - ZD 03 02 0103. 8. Een proces-verbaal van bevindingen, aangifte [slachtoffer 7] , van 14 januari 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s ZD 03 02 0222 - ZD 03 02 0224. T.a.v. aangever [slachtoffer 5] en [slachtoffer 9] ; 9. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9] , van 19 december 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0017 - DZD03 01 0018A. 10. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 17 september 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8] , doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0014 - ZD03 01 0016. 11. Een Proces-verbaal van bevindingen, Telegram Chat tussen [verdachte] en Telegram ID nummer [nummer] , van 6 januari 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0231 - pagina ZD03 02 0238. T.a.v. aangever [slachtoffer 6] ; 12. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , van 2 januari 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s ZD 03 01 0019 - ZD03 01 0021. 13. Een proces-verbaal van bevindingen, bevindingen Telegram groep chat “ [chat] ”, van 23 december 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s ZD 03 02 088 - ZD 03 02 0096. 14. Een proces-verbaal van bevindingen, video creditcard, van 21 februari 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] , doorgenummerde pagina’s ZD03 02 0306 -ZD 03 02 0308. 15. Een proces-verbaal van bevindingen, IPhone SE, van 27 maart 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] , doorgenummerde pagina’s ZD 03 02 0326 - ZD 03 02 0330. Feit 6 – computervredebreuk (hacking) 16 Een geschrift zijnde een aangifte van [verbalisant 11] namens de ING van 24 januari 2025, doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0024 - ZD03 01 0055 . 17. Een geschrift zijnde een tabel die is opgenomen in de aangifte van de ING van 24 januari 2025, doorgenummerde pagina’s ZD03 01 0053 - ZDD03 01 054. Feit 7 – ticketfraude (fraude met online handel) T.a.v. aangevers [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] ; 18. Een proces-verbaal van bevindingen, korte analyse iPhone 13, van 14 november 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s ZD04 02 0001 - ZD04 02 0004. 19. Een geschrift zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 8] , van 22 juli 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] , doorgenummerde pagina’s ZD04 01 0001 - ZD04 01 0003. 20. Een geschrift zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 10] , van 6 augustus 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 13] , doorgenummerde pagina’s ZD04 01 0004 - ZD04 01 0008. 21. Een proces-verbaal van bevindingen, aanvullende analyse eerste bevindingen iPhone 13 [verdachte] , van 19 november 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s ZD04 02 0005 - ZD 04 02 0008. Feit 8 – voorhanden hebben lachgas 22. Een proces-verbaal van bevindingen, aantreffen lachgas in garagebox, van 26 november 2023, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 14] en [verbalisant 15] , doorgenummerde pagina’s ZD02 01 0001 - ZD 02 01 0003. 23. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 26 november 2023, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 16] , doorgenummerde pagina’s ZD02 01 0012 - ZD02 01 0014. 24. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een rijbewijs op naam van verdachte [verdachte] , doorgenummerde pagina ZD02 01 0021. 25. Een geschrift, zijnde een op 4 september 2023 afgesloten huurovereenkomst [adres 2] , doorgenummerde pagina’s ZD02 01 0015 –ZD02 01 0021. 26. Een geschrift, zijnde een ABN-AMRO-bank uitdraai van de betaalrekening van [getuige] . doorgenummerde pagina ZD02 01 0020. 27. Een proces-verbaal van bevindingen, aantreffen lachgas in garagebox, van 26 november 2023, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 15] , [verbalisant 14] en [verbalisant 17] , doorgenummerde pagina’s ZD 02 01 0007- ZD02 01 0009 . Feit 9 – (gewoonte)witwassen geldbedragen 28. Een proces-verbaal van bevindingen, verstrekking & analyse gegevens ICOV – [verdachte] (met bijlagen), van 24 maart 2022, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 18] , doorgenummerde pagina’s ZD01 01 0070 - ZD01 01 072 en als bijlage doorgenummerde pagina ZD01 02 051 (iCOV 91.2 FIU transactie omschrijving) ; in combinatie met 29. Een proces-verbaal van bevindingen, rectificatie op pv verdenking [verdachte] , van 23 juli 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 19] , doorgenummerde pagina ZD01 02 0517 . 30. Een geschrift, zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van verdenking [verdachte] van 13 maart 2024, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 19] , doorgenummerde pagina’s ZD01 02 0503 - ZD01 02 0516. bewijsmiddelen in de bewijsoverwegingen (in reactie op de gevoerde verweren) t.a.v. feit 9 ; 31. Een proces-verbaal van bevindingen witwassen van 31 maart 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s ZD01 02 0498 en ZD 01 02 0500. 32. Een proces-verbaal van bevindingen, analyse Binance account verdachte [verdachte] , van 12 november 2024, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 20] , doorgenummerde pagina’s ZD01 02 0454 - ZD01 02 0467. 33. Een proces-verbaal van bevindingen, resultaat ByBit/Satos van 13 maart 2025, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] , doorgenummerde pagina’s ZD01 02 0468 - ZD01 02 0469. 34. Een proces-verbaal van bevindingen, transacties van ABN-AMRO bankrekening van verdachte [verdachte] , van 11 maart 2022 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 18] , doorgenummerde pagina ZD01 01 0104. Zaak B Feit 1 – rijden zonder geldig rijbewijs: 1. Een proces-verbaal van bevindingen artikel 9 Wegenverkeerswet 1994, PL1300-2023085826-1, van 18 april 2023, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 21] , zaaksdossier B, digitale pagina’s 7 – 9. 2. Een geschrift, zijnde een Besluit rijgeschiktheid van 27 januari 2023, zaaksdossier B. CBR-stukken, digitale pagina’s 7 – 10. 3. Een geschrift, zijnde een akte van uitreiking in persoon van 21 februari 2023, van het Besluit mededeling rijgeschiktheid van 27 januari 2023, digitale pagina 3. 4. Een geschrift, zijnde een uitdraai van de RDW, zaaksdossier B, digitale pagina 11. 5. Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , PL1300-2023085826-2, van 18 april 2023, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 22] , digitale pagina’s 2 -4. Bijlage III: Beslaglijst 3 juli 2025