Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-10-2024 (21-005906-23)
Veroordeling voor: bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht, poging tot uitlokking van moord, mishandeling en vernieling. Oplegging onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest en tbs met verpleging (niet gemaximeerd). Toewijzing vordering benadeelde partij en vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling.
Full text
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005906-23 Uitspraak d.d.: 1 oktober 2024 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 18 december 2023 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-332214-22 en 16-157384-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-199805-22, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, ingeschreven en thans gedetineerd in de [P.I.] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 september 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.I. Takens, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft verdachte voor het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 en het in de zaak met parketnummer 16-157384-23 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een niet-gemaximeerde maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel) opgelegd. De rechtbank heeft de teruggave aan verdachte van onder hem in beslag genomen telefoon gelast. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is gedeeltelijk toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [benadeelde 2] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Tot slot is de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-199805-22 toegewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 16-332214-22: 1. hij op of omstreeks 16 december 2022 te [plaats] [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , althans een of meerdere medewerkers van [organisatie] heeft bedreigd met - openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen, - enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond, - verkrachting, - feitelijke aanranding van de eerbaarheid, - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , althans die medewerkers van [organisatie] dreigend de woorden toe te voegen: “ik schiet jullie allemaal neer” en/of “ik neuk jullie moeders”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 december 2022 tot en met 19 december 2022 te [plaats] , althans in Nederland - [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] , althans meerdere medewerkers van [organisatie] , en/of - 2 anoniem gebleven medewerkers van de [instelling] (te weten de getuigen 00005 en/of 00006), (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door - meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] , althans die medewerkers van [organisatie] via WhatsApp berichten te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: - “dan maak ik je helemaal af”, - “als ik hem pak maak ik hem dood”, en/of - “ik schiet jullie kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - die anoniem gebleven medewerker(s) van de [instelling] via Instagram berichten te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: - “je gaat die kogel krijgen”, en/of - “ik pak je sowieso (zoizo)”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 3. primair hij in of omstreeks de periode van 20 december 2022 tot en met 24 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, heeft gepoogd om [naam] en/of een of meer anderen, door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te bewegen om (al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen) [slachtoffer 7] te vermoorden, immers heeft verdachte meerdere brieven geschreven en ter verzending aangeboden waarin hij - meermalen, althans eenmaal opdracht geeft tot het vermoorden en/of afmaken van die [slachtoffer 7] , - een geldbedrag hiervoor in het vooruitzicht stelt, - gedetailleerde informatie verschaft over die [slachtoffer 7] , onder andere diens woonplaats, werkadres, werktijden en/of in welke auto die [slachtoffer 7] rijdt; 3. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 20 december 2022 tot en met 24 februari 2023 te [plaats] [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door brieven gericht aan [naam] en/of een of meer anderen te versturen met daarin de woorden en/of teksten over die [slachtoffer 7] : - “die man moet gepakt”, - “het moet goed gedaan worden geen bewijs”, - “het moet afgelopen zijn met hem” - “dat [slachtoffer 7] afgemaakt moet worden, hij heeft aangifte tegen mij gedaan’, en/of - “ze moeten hun straf krijgen die viezen honden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 4. hij op of omstreeks 19 december 2022 te [plaats] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan; 5. hij op of omstreeks 16 december 2022 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een tafel en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; Zaak met parketnummer 16-157384-23 (gevoegd): hij in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 11 april 2023 te [plaats] [slachtoffer 8] en/of een of meerdere medewerkers van de Penitentiaire Inrichting [plaats] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een brief te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: “ik ga een mes pakken en dan ga ik het personeel van deze afdeling neersteken”, “ik zweer op Allah ik vermoord hun” en/of “ik laat deze personeel bloeden en blijf steken tot ze dood zijn”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft, conform het vonnis van de rechtbank, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en het in de zaak met parketnummer 16-157384-23 ten laste gelegde feit. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft in de zaak met het parketnummer 16-332214-22 vrijspraak bepleit van: de bedreiging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] (feit 1); de bedreiging van [slachtoffer 6] en de anonieme medewerkers van [instelling] (feit 2); de poging tot uitlokking van moord op [slachtoffer 7] dan wel de bedreiging van [slachtoffer 7] (feit 3 primair en subsidiair); en de mishandeling van [benadeelde 1] (feit 4). Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman betoogd dat er geen persoonlijke confrontatie of andere omstandigheid heeft plaatsgevonden waaruit kan worden opgemaakt dat de geuite bedreigingen waren gericht aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] . Verder heeft de raadsman met betrekking tot de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 6] gesteld dat verdachte dacht de berichten aan [slachtoffer 1] te sturen en dat het [slachtoffer 6] duidelijk was dat de bedreigingen niet voor haar bestemd waren, zodat bij haar geen vrees kon ontstaan. Over de anonieme medewerkers zoals ten laste gelegde onder 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet kan worden vastgesteld dat de bedreigingen door verdachte zijn geuit en voorts dat de bedreigingen algemeen gesteld en weinig concreet waren. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de twee brieven weliswaar door verdachte zijn geschreven, maar dat daaruit niet kan worden opgemaakt dat hij [slachtoffer 7] daadwerkelijk heeft willen laten vermoorden. Bovendien is niet vast te stellen dat, en zo ja door wie, de tweede brief in de brievenbus in de P.I. is gedaan. Voor het geval het hof dit verweer verwerpt, heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te (doen) horen. In het licht van de subsidiair ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman naar voren gebracht dat het opzet van verdachte niet op de bedreiging van [slachtoffer 7] was gericht. Verder heeft de raadsman ten aanzien van feit 4 betoogd dat verdachte niet op basis van de herkenningen door de verbalisanten als dader van de mishandeling kan worden aangemerkt. Ook de in zijn telefoon aangetroffen gegevens zijn daarvoor onvoldoende. Tot slot heeft de raadsman zijn twijfel geuit over de bewijsbaarheid van feit 5 als het gaat om vernieling van de tafel. Ten aanzien van de overige in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1 en 2 ten laste gelegde bedreigingen en de onder 5 ten laste gelegde vernieling van de laptop heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. Ook heeft hij zich gerefereerd ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16-157384-23 tenlastegelegde. Oordeel van het hof Parketnummer 16-157384-23 Het feit is door verdachte begaan. Hij heeft het ten laste gelegde feit bekend. Het hof volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 4 december 2023; de bekennende verklaring van verdachte ter zitting van het hof van 17 september 2024; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] van 19 april 2023 met bijlage, genummerd PL0600-2023169267-2, opgemaakt door de politie Midden-Nederland. doorgenummerde pagina 3-7 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2023183533. Parketnummer 16-332214-22, feiten 1 en 5 De feiten zijn door verdachte begaan, met dien verstande dat het hof alleen de onder 1 ten laste gelegde bedreigingen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] en de onder 5 ten laste gelegde vernieling van de laptop bewezen acht. Verdachte heeft de onder 1 en 5 ten laste gelegde feiten in zoverre bekend. Het hof spreekt verdachte dus vrij van de bedreiging van de overige onder feit 1 tenlastegelegde personen en van de vernieling van de onder feit 5 tenlastegelegde tafel. Het hof volstaat onder deze omstandigheden, gelet op artikel 359 lid 3 Sv, met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 4 december 2023; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer 1] van 20 december 2022, genummerd PL0900-2022376480-9, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 9-11 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2022377655; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 3] van 20 december 2022, genummerd PL0900-2022376480-3, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 16-18 van het procesverbaal genummerd PL0900-2022377655; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 5] van 20 december 2022, genummerd PL0900-2022376480-6, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 22-23 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2022377655. Parketnummer 16-332214-22, feit 2 Bewijsmiddelen de verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 4 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Het klopt dat ik [slachtoffer 6] op 19 december 2022 een Whatsapp bericht heb gestuurd. De berichtjes waren bedoeld voor [slachtoffer 1] . Ik had ruzie met hem omdat hij aangifte tegen mij zou gaan doen. Het klopt dat ik in die berichtjes heb gezegd “dan maak ik je helemaal af’ en “ik schiet jullie kapot”. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2022, genummerd PL0900-2022376480-7, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik hoorde getuige [slachtoffer 6] het volgende verklaren: “Op maandag 19 december 2022 omstreeks 12:20 uur, ontving een WhatsApp-bericht op mijn werktelefoon. Ik zag, dat de bericht door voor mij een onbekend nummer werd verzonden. De nummer betrof [telefoonnummer] .” Ik zag het volgende: “Luister vriend. Ik hoop dat je geen aangifte hebt gedaan vriend anders wordt het hele grote probleem voor jouw. Dan maak ik je helemaal af”. Ik reageerde daarop van: “Ik denk dat u de verkeerde nummer heeft”. Reactie daarop was het volgende: “Ben op zoek naar [slachtoffer 1] ben jij dat niet”. Hierop reageerde ik niet. Aantal minuten later zag ik dat ik wederom een bericht had ontvangen van dezelfde nummer. Ik zag het volgende staan: “Zeg maar tegen [slachtoffer 1] is jullie collega. Als ik hem pak maak ik hem dood”. Ook hierop reageerde ik niet op. Kort daarop zag kreeg ik twee (2) berichten. In bericht één (1) stond het volgende: “Ja, tot ziens” en in de tweede (2) bericht stond het volgende: “Schiet jullie kapot, zeg maar tegen [slachtoffer 1] ”. Ik ging ervan uit dat het een client was van het [organisatie] . Ik heb het telefoonnummer vervolgens in het systeem van het [organisatie] gecontroleerd. Ik zag, dat het telefoonnummer in het systeem van het [organisatie] stond onder de naam van een client genaamd [verdachte] . Anders dan de verdediging en met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte met zijn berichten die kennelijk bestemd waren voor [slachtoffer 1] , maar verstuurd zijn naar het nummer in gebruik bij [slachtoffer 6] , ook het (voorwaardelijk) opzet op het bedreigen van die [slachtoffer 6] heeft gehad. De in eerste instantie ongeadresseerde berichten van verdachte hebben [slachtoffer 6] als eerste bereikt. Dat de dreigende berichten, waaronder “ ik schiet jullie kapot ”, volgens verdachte niet voor [slachtoffer 6] maar voor haar collega [slachtoffer 1] bestemd waren, maakt dit niet anders. De berichten zijn door [slachtoffer 6] gelezen en konden bij haar in redelijkheid de vrees opwekken dat verdachte zijn dreigementen tot uitvoer zou brengen. Het hof spreekt verdachte vrij van de bedreiging van de anoniem gebleven medewerkers van [instelling] , in de tenlastelegging aangeduid als de getuigen 00005 en 00006. Het hof kan op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting met onvoldoende zekerheid vaststellen dat het verdachte is geweest die de dreigende berichten heeft verzonden. Parketnummer 16-332214-22, feit 3 Bewijsmiddelen De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht , van 4 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De brieven die op 24 februari 2023 zijn gevonden in de P.I. [plaats] heb ik geschreven. Beide brieven waren gericht aan en bedoeld voor [naam] . Hij is zoiets als mijn neef. De brief die is onderschept in de postkamer van de P.I. [plaats] heb ik ter versturing aangeboden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van dit hof van 17 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U, voorzitter, houdt mij voor dat de brief die met mijn registratienummer ter verzending was aangeboden, was geadresseerd aan [adres] te [plaats] , het adres van de buren van mijn ouders. Ik had de brief naar mijn ouders gestuurd, maar het verkeerde adres opgeschreven. Een bevel gevangenhouding van de raadkamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 5 januari 2023 , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: bevel gevangenhouding van de raadkamer d.d. 05 januari 2023 (artikel 65 en 80 Wetboek van Strafvordering) in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , nu gedetineerd in P.I. [plaats] . Beslissing De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig) dagen. Een proces-verbaal van bevindingen , genummerd PL0900-202306172-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op vrijdag 24 februari 2023 werd mij verteld dat men vanuit de Penitentiaire Inrichting [plaats] , waar de verdachte [verdachte] in bewaring was gesteld, een brief had onderschept bij de uitgaande post: “Hoi met [verdachte] . Luister heel goed. [slachtoffer 7] (het hof begrijpt: [slachtoffer 7] ) heeft aangifte tegen mij gedan. Ga naar die jongs. Je weet wie. Zeg tegen die jongs. Die man moet gepakt worden. Hij woont in [plaats] en werkt jeugdgevangenis [plaats] . Hij rijdt in zwarte Ford. Hij werkt altijd op donderdag ochtend van 7 tot 3. In de ochtend is het beste. Weinig mensen. Het moet goed gedaan worden. Geen bewijs. Mijn neef betaalt jullie. Ik heb jullie hem 1 keer laten zien dus jullie weten wie. Het moet afgelopen zijn met hem. Alle spullen zijn bij mijn neef (...)” . Voorzijde envelop: Retour [adres] [plaats] [postcode] Verzendadres [adres] [plaats] Achterzijde envelop: [nummer] Ik heb ook op de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) gekeken, wie woonachtig is op [adres] en [nummer] te [plaats] . Op [nummer] , daar zijn de ouders van [verdachte] woonachtig. Later had ik ook nog telefonisch contact met een medewerker genaamd [getuige 1] van Ministerie van Justitie Dienst Justitiële Inrichtingen en hoorde hem zeggen dat een tweede brief was aangetroffen. Brief gevonden in zijn cel: “ Hoi met [verdachte] . Zeg tegen [naam] dat [slachtoffer 7] afgemaakt moet worden. Hij heeft aangifte tegen mij gedaan. Door hem zit ik vast. En [naam] moet ook verdwijnen. Ze werken in jeugdgevangenis [plaats] . En [slachtoffer 1] moet ook gepakt worden. Hij werkt bij [organisatie] . Door hun zit ik vast. Het moet snel gebeuren. Geef deze informatie aan [naam] . Het moet snel gebeuren. Alle spullen zijn bij die jong. Die kun je pakken. Die jong vertelt jou hoe je hun kan pakken. Moet snel. Ze moeten hun straf krijgen. Die vieze honden. Niet over de telefoon. Daarom stuur ik een brief. Ze kijken niet zeggen ze. (…) ” Voorzijde envelop: [naam] [adres] [postcode] [plaats] Achterzijde envelop: PI [plaats] , [adres] , [verdachte] , Reg: [nummer] . Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan [adres] te [plaats] , als bijlage I achter dit arrest gevoegd. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan de [adres] te [plaats] , als bijlage II achter dit arrest gevoegd. Een kennisgeving van inbeslagneming , genummerd PL0900-2022376480-13 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Goednummer: PL0900-2022376480-3092919 Merk/type: Samsung S20 Eigenaar: [verdachte] , [adres] . Een proces-verbaal van bevindingen , genummerd PL0900-2022376480-21, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik zag dat er in de chats een WhatsApp bericht was verzonden vanaf de telefoon met goednummer 3092919 op 9 december 2022 om 07.47 uur naar tel: [telefoonnummer] . Ik zag dat dit bericht de volgende inhoud had: “ Hoi ik weel graag het vuurwapen kopen wat heb ik daar voor nodige en vergunning alvast bedankt ” Ik voerde dit telefoonnummer, [telefoonnummer] , vervolgens in in de zoekmachine Google.com. Ik zag dat het eerste resultaat het contactnummer van een website [website] betrof. Een proces-verbaal van bevindingen , genummerd PL0900-2023004642-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik zag in de inhoud van de telefoon dat er een gesprek had plaatsgevonden op Snapchat. Ik zag dat [verdachte] , op 17 november 2022, om 09:32 uur, het volgende zei tegen [gebruikersnaam] : - “ Hee [gebruikersnaam] geef even die snap [slachtoffer 7] ik weel die man pakken daarom ” - “ Hij heeft mij verraden ” - “ Ik moet snel pakke die hond ” Ik heb de naam [slachtoffer 7] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 7] en [slachtoffer 7] ingevoerd als zoekterm op de telefoon van [verdachte] . Ik zag dat hij deze namen meerdere malen heeft gebruikt of gezocht. Ik zag dat de naam ‘ [slachtoffer 7] ’ 39 keer voorkomt in de User Dictionary van de telefoon. Bewijsoverweging Artikel 46a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat de poging om een ander door een van de in artikel 47, eerste lid onder 2, Sr vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, strafbaar is. Artikel 47, eerste lid onder 2, Sr bepaalt dat als daders van een strafbaar feit worden gestraft zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Kort samengevat is het enkele proberen (pogen) een ander te bewegen tot een strafbaar feit al strafbaar. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak geen sprake is van een poging tot uitlokking van moord. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier tegenstrijdige informatie bevat over de vindplaats van de tweede brief en dat daarmee niet wettig en overtuigend bewezen is dat ook deze tweede brief ter verzending was afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de brief nog niet had verstuurd en dat hij dit ook niet van plan was. Het enkel schrijven van een brief is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet dusdanig gericht op het voltooien van het delict dat hier sprake is van een strafbare poging. De inhoud van de eerste brief die is gevonden en die verdachte wel al ter verzending had aangeboden, heeft gelet op de inhoud daarvan niet onmiskenbaar betrekking op het verzoek om [slachtoffer 7] te vermoorden en lokt derhalve niet uit tot moord, aldus nog steeds de raadsman. Het hof volgt dit standpunt niet en overweegt hierover het volgende. Omstandigheden rondom het aantreffen van de brieven Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen constateert het hof dat op 24 februari 2024 een door verdachte geschreven brief in de postkamer van de Penitentiaire Inrichting (hierna P.I.) ter verzending is aangeboden, voorzien van een postzegel en een retouradres. Als geadresseerde stond het adres van de buren van de ouders van verdachte op de brief vermeld. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij had bedoeld deze brief aan zijn ouders te adresseren maar zich heeft vergist. Naar aanleiding van het onderscheppen deze brief heeft dezelfde dag nadere controle in de P.I. plaatsgevonden. Daarbij is een tweede brief van verdachte aangetroffen. Ook die brief was eveneens klaar voor verzending en was voorzien van een postzegel, een retouradres en op de voorzijde was het adres van verdachtes ouders vermeld. Inhoud van de brieven In de brieven schrijft verdachte (indirect) aan [naam] dat [slachtoffer 7] afgemaakt moet worden en dat hij ‘gepakt’ moet worden. Verdachte schrijft dat dit snel moest gebeuren en dat er geen bewijs van mag zijn. In zijn brieven geeft verdachte specifieke instructies aan de beoogde uiteindelijke geadresseerde van deze brief, [naam] of “die jongs”. Volgens verdachte moet het in de ochtend gebeuren omdat er rond die tijd weinig mensen zijn. Verdachte stelt een betaling in het vooruitzicht om een concrete handeling te verrichten, namelijk het afmaken van [slachtoffer 7] . Verder verschaft verdachte in zijn brief concrete informatie over zijn doelwit. Hij geeft aan waar [slachtoffer 7] woont, waar hij werkt, op welke tijden hij werkt en in welke auto hij rijdt. Het doen van de belofte dat [naam] geld zal krijgen, net als het verschaffen van concrete informatie over het doelwit aan [naam] , kunnen naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als uitlokkingsmiddel als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder 2 Sr. Opzet Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte geschreven er onmiskenbaar op gericht om een ander (namelijk [naam] of “die jongs”) uit te lokken om [slachtoffer 7] te vermoorden. Uit de omstandigheid dat verdachte twee elkaar opvolgende brieven heeft geschreven, blijkt dat hij volhardend was in zijn wens om [slachtoffer 7] te laten vermoorden en dat hij er kennelijk zeker van wilde zijn dat zijn boodschap werd ontvangen. Het hof leidt hieruit af dat verdachte opzet had op (de voltooiing van) het (grond)delict. namelijk het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [slachtoffer 7] . Bij de overtuiging van het hof dat verdachte daadwerkelijk voltooiing van het (grond)delict moord voor ogen had, speelt nog het volgende mee. Uit onderzoek naar de telefoon blijkt dat verdachte kort voor zijn aanhouding op het internet heeft geïnformeerd naar het kopen van een vuurwapen. Verdachte heeft daarover ter zitting van het hof verklaard dat hij een balletjespistool wilde kopen. Deze verklaring acht het hof niet geloofwaardig omdat verdachte in een bericht aan de website [website] heeft gevraagd of hij voor het kopen van een vuurwapen een vergunning nodig heeft. Daar komt bij dat op de telefoon van verdachte meerdere zoekopdrachten naar [slachtoffer 7] zijn aangetroffen. De naam [slachtoffer 7] komt 39 keer voor in de User Dictionary van die telefoon. Verder heeft verdachte vlak voor zijn aanhouding een gesprek gehad met ‘ [gebruikersnaam] ’ op Snapchat, waarin hij zegt dat [slachtoffer 7] moet worden gepakt omdat hij verdachte heeft verraden. Hieruit maakt het hof op dat het idee dat [slachtoffer 7] het moest ontgelden al langere tijd bij verdachte leefde en dat verdachte ook al langer bezig was met de voorbereidingen hiervoor. Gelet op het voorgaande acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot uitlokking van moord wettig en overtuigend bewezen. De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om de heer [getuige 2] en [getuige 1] als getuigen te horen omtrent de plaats van aantreffen van de tweede brief in de P.I. Omdat het hof de verklaring van [getuige 2] en de mededeling van [getuige 1] aan verbalisant [verbalisant 1] daarover niet voor het bewijs gebruikt, behoeft het voorwaardelijke verzoek tot het horen van die [getuige 2] en [getuige 1] geen bespreking. Bewezenverklaring van de ten laste gelegde periode van 5 januari 2023 tot en mei 24 februari 2023 Het hof stelt op basis van het bevel gevangenhouding vast dat verdachte (in ieder geval) vanaf 5 januari in de P.I. [plaats] heeft verbleven. De beide bedoelde brieven zijn op 24 februari 2022 door medewerkers van de P.I. aangetroffen. Het hof concludeert dat de brieven zijn geschreven in de tijd dat verdachte in de P.I. [plaats] verbleef. Het feit is daarom in de periode van 5 januari 2023 tot en met 24 februari 2023 gepleegd. Parketnummer 16-332214-22, feit 4 Bewijsmiddelen Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , genummerd PL0900-2022376739-6, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 19 december 2022 ging ik boodschappen doen bij de [supermarkt] aan [adres] te [plaats] . Ik zag dat mijn karretje tegen een voor mij onbekende man aanbotste die voor mijn karretje stond. Ik zag en voelde opeens dat de jongen mijn winkelwagentje vastpakte en deze wegtrok zodat hij recht voor mij kwam te staan. Ik zag vervolgens dat hij met zijn rechterhand uithaalde naar mijn hoofd en mij heel hard op de linkerkant van mijn hoofd sloeg. Ik voelde direct enorm veel pijn en ik voelde ook dat mijn hele hoofd naar links zwiepte. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen beelden, genummerd 2022376739, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik heb de beschikbaar gestelde camerabeelden van de [supermarkt] , gelegen aan [adres] in [plaats] , bekeken. 19-12-2022 15:34:15 De verdachte slaat het slachtoffer met zijn rechterhand in haar gezicht. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , genummerd PL0900-2023004642-10, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 2 maart 2023, deed ik onderzoek naar de inhoud van de veiliggestelde telefoon van [verdachte] . Ik zag dat op 19 december 2022, omstreeks 20:01 uur, bij het kopje ‘searched items’ er een aantal keren gezocht werd op de telefoon in Google Chrome met de volgende zoektermen: - Mishandeling; - Mishandeling [plaats] ; - Mishandeling [plaats] [supermarkt] . Ik zag dat collega [naam] beelden liet zien van de mishandeling bij de [supermarkt] [adres] te [plaats] , gepleegd op 19 december 2022 (PL0900-2022376739-6). Toen ik de beelden zag van de mishandeling dacht ik direct de verdachte te herkennen als [verdachte] . Ik heb [verdachte] op 15 februari 2023 gehoord als verdachte van bedreiging. Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam] , genummerd PL0900-2023004642-9, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op maandag 19 december 2022, omstreeks 15:40 uur, kregen ik en mijn collega [naam] een melding van de meldkamer van het operationeel centrum van een mishandeling in de [supermarkt] op de [adres] in [plaats] . Op maandag 19 december 2022, omstreeks 16:00 uur, ontving ik van een medewerker van de [supermarkt] een USB-stick met daarop camerabeelden van de mishandeling. Op de beelden zag ik de persoon die het slachtoffer in haar gezicht sloeg. Op donderdag 2 maart 2023, omstreeks 16:00 uur, zag ik, [naam] , op een foto van de telefoon verdachte van [verdachte] , een persoon die voor mij heel erg overeen kwam met de verdachte van de mishandeling die zich had afgespeeld op 19 december 2022. Op vrijdag 3 maart 2023, omstreeks 9:55 uur, bekeek ik in een politiesysteem een foto van [verdachte] , gemaakt op 20 december 2022. Ik, [naam] , vergeleek die foto met een screenshot van de camerabeelden, waarop de verdachte van de mishandeling te zien was. Ik zag dat de persoon op de foto’s heel erg overeen kwam met elkaar. Bewijsoverweging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor dit feit. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte steeds heeft ontkend en dat het door de kwaliteit van de beelden, waarop onvoldoende specifieke persoonsgebonden uiterlijke kenmerken waarneembaar zijn, niet mogelijk is om tot een betrouwbare herkenning van verdachte te komen. Het hof komt op basis van de wettige bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van dit feit en overweegt hierover het volgende. Het hof stelt vast dat verbalisant [verbalisant 2] direct na het bekijken van de bewegende beelden de persoon daarop (spontaan) dacht te herkennen als verdachte. Omdat de verbalisant verdachte slechts circa twee weken daarvoor had verhoord, gaat het om een daadwerkelijke herkenning. Tegen die achtergrond doet het er aan de betrouwbaarheid van de herkenning niet aan af dat verbalisant geen specifieke kenmerken opsomt waaraan hij verdachte herkent. Daar komt bij dat de verbalisant de bewegende beelden heeft gezien en dus ook het postuur en manier van bewegen heeft kunnen betrekken in zijn herkenning van verdachte. De herkenning door verbalisant [verbalisant 2] is bovendien niet het enige bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van verdachte bij dit feit volgt. Uit de zoekgeschiedenis op de telefoon van verdachte blijkt dat hij op 19 december 2022 omstreeks 20:01 uur, dus enkele uren nadat de mishandeling heeft plaatsgevonden, heeft gezocht naar “mishandeling [plaats] [supermarkt] ”. Hieruit maakt het hof op dat verdachte op die datum al weet had van de mishandeling, wat kan worden aangemerkt als daderkennis. Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij hier naar heeft gezocht omdat hij via zijn moeder van de wijkagent had gehoord dat hij verdacht werd van dit feit. Die verklaring is echter aantoonbaar onjuist nu de verdenking tegen verdachte pas is gerezen na de herkenning door verbalisanten in maart 2023. Ter zitting van het hof heeft verdachte op dit punt verklaard dat zijn moeder op 19 december 2022 tussen 17:00 uur en 18:00 uur op het politiebureau was en hem bij thuiskomst vertelde dat hij zich moest melden bij de wijkagent. Terwijl zij op het bureau was, moesten de agenten plotseling weg omdat er ‘iets’ zou zijn gebeurd in het winkelcentrum. De – verschillende – verklaringen van verdachte voor de zoekslagen in zijn telefoon schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Deze – wisselende – lezingen vinden geen enkel steun in het dossier. Het feit dat verdachte door verbalisanten als de dader van deze mishandeling wordt herkend, tezamen met het feit dat verdachte enkele uren na de mishandeling daar al wetenschap van had en op internet naar het incident heeft gezocht, maakt dat het hof bewezen acht dat verdachte de persoon is geweest die [benadeelde 1] , een 88-jarige vrouw, heeft mishandeld. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 16-157384-23 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Zaak met parketnummer 16-332214-22: 1. hij op of omstreeks 16 december 2022 te [plaats] [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en /of [slachtoffer 5] , althans een of meerdere medewerkers van [organisatie] heeft bedreigd met - openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen, - enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstond, - verkrachting, - feitelijke aanranding van de eerbaarheid, - enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of - zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en /of [slachtoffer 5] , althans die medewerkers van [organisatie] dreigend de woorden toe te voegen: “ik schiet jullie allemaal neer” en/of “ik neuk jullie moeders”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking ; 2. hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 december 2022 tot en met 19 december 2022 te [plaats] , althans in Nederland - [slachtoffer 1] en /of [slachtoffer 6] , althans meerdere medewerkers van [organisatie] , en/of - 2 anoniem gebleven medewerkers van de [instelling] (te weten de getuigen 00005 en/of 00006), (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door - meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 6] , althans die medewerkers van [organisatie] via WhatsApp berichten te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: - “dan maak ik je helemaal af”, - “als ik hem pak maak ik hem dood”, en/of - “ik schiet jullie kapot”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of - die anoniem gebleven medewerker(s) van de [instelling] via Instagram berichten te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: - “je gaat die kogel krijgen”, en/of - “ik pak je sowieso (zoizo)”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking ; 3. primair hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2023tot en met 24 februari 2023 te [plaats] , althans in Nederland, heeft gepoogd om [naam] en/of een of meer anderen, door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging en/of misleiding en /of het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen, te bewegen om (al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen) [slachtoffer 7] te vermoorden, immers heeft verdachte meerdere brieven geschreven en/of ter verzending aangeboden waarin hij - meermalen, althans eenmaal opdracht geeft tot het vermoorden en/of afmaken van die [slachtoffer 7] , - een geldbedrag hiervoor in het vooruitzicht stelt, - gedetailleerde informatie verschaft over die [slachtoffer 7] , onder andere diens woonplaats, werkadres, werktijden en /of in welke auto die [slachtoffer 7] rijdt; 4. hij op of omstreeks 19 december 2022 te [plaats] [benadeelde 1] heeft mishandeld door haar tegen het hoofd , althans het lichaam te slaan; 5. hij op of omstreeks 16 december 2022 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een tafel en/of een laptop, in elk geval enig goed, dat/ die geheel of ten dele aan het [organisatie] , in elk geval aan een ander toebehoorde (n) heeft vernield , beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt ; Zaak met parketnummer 16-157384-23 (gevoegd): hij in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 11 april 2023 te [plaats] [slachtoffer 8] en /of een of meerdere medewerkers van de Penitentiaire Inrichting [plaats] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een brief te sturen met onder meer de woorden en/of teksten: “ik ga een mes pakken en dan ga ik het personeel van deze afdeling neersteken”, “ik zweer op Allah ik vermoord hun” en /of “ik laat deze personeel bloeden en blijf steken tot ze dood zijn” , althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking . Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 16-157384-23 bewezenverklaarde levert op: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. Het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 3 primair bewezenverklaarde levert op: poging tot uitlokking van moord. Het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 4 bewezenverklaarde levert op: mishandeling. Het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 5 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechtbank zijn opgelegd, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest; en een niet-gemaximeerde maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Standpunt van de verdediging Bij appelschriftuur heeft de raadsman verzocht om een aanvullend gedragskundig onderzoek, omdat het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) onvolledig is. Dat verzoek heeft hij bij pleidooi herhaald. Daarnaast heeft hij verzocht om de reclassering een maatregelrapport te laten opstellen om de mogelijkheden van begeleiding in een voorwaardelijk kader te onderzoeken. In geval van afwijzing van de verzoeken heeft de raadsman verzocht de tbs-maatregel zo snel mogelijk te laten beginnen. Oordeel van het hof Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en heeft daarbij gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vernieling, een mishandeling, bedreigingen van professionals en een poging tot uitlokking van moord. Een ander opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven (laten) beroven, is een van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Als het delict voltooid wordt, zijn de gevolgen daarvan onomkeerbaar. Dat het hier beperkt is gebleven tot een poging tot uitlokking, is niet aan verdachte te danken. De brieven zijn immers door de P.I. onderschept. Ook als het blijft bij een poging, zijn de gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten groot. Daarbij komt dat het hof, in navolging van de rechtbank, er niet gerust op is dat verdachte van verdere pogingen zal afzien. Het laat zich raden dat de bij het slachtoffer veroorzaakte vrees nog allerminst weg is. Het slachtoffer heeft, ook vanwege de dreigementen, zijn werkzaamheden als medewerker in een Justitiële Jeugdinrichting beëindigd. Verdachte heeft verschillende medewerkers van het [organisatie] , en de P.I. [plaats] woordelijk en schriftelijk bedreigd. Deze ernstige feiten maken een inbreuk op de geestesgesteldheid van deze medewerkers. Uit hun aangiftes blijkt dat zij zeer angstig zijn dat verdachte de daad bij woord zal voegen. In alle gevallen ging het om (zorg)medewerkers die verdachte begeleiding boden en in dat kader hun werk deden. Dat acht het hof een strafverzwarende omstandigheid. Tot slot rekent het hof het verdachte sterk aan dat hij een bejaarde vrouw uit het niets heeft mishandeld in een supermarkt. Daarmee heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Uit haar aangifte en vordering tot schadevergoeding blijkt dat het incident, naast dat zij pijn heeft ondervonden, ook psychisch veel impact op haar heeft gehad. Ook omstanders zijn geschrokken van het agressieve gedrag van verdachte jegens het bejaarde slachtoffer. Recidive Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 augustus 2024 blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven, waaronder ook bedreiging en een poging zware mishandeling. Het hof weegt dit in het nadeel van verdachte mee. Strafoplegging Gelet op de aard en ernst van de feiten, de recidive voor soortgelijke feiten en de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten minste zes jaar in beginsel passend en geboden. Nu verdachte, zoals hierna zal worden uiteengezet, verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, ziet het hof aanleiding om daarbij bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het voordeel van verdachte rekening te houden, meer nog dan de rechtbank heeft gedaan. Alles afwegende zal het hof verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opleggen, met aftrek van de duur van het voorarrest. Oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling verpleging van overheidswege Over verdachte zijn door psychiaters en een psycholoog persoonlijkheidsrapportages opgemaakt, mede naar aanleiding van de (klinische) observatie van verdachte in het PBC. Ook de reclassering heeft adviezen opgesteld. Hieronder is de meest relevante inhoud uit deze rapportages en adviezen zakelijk samengevat. In de rapportage van 8 november 2023 hebben psychiater [naam] en GZ- psycholoog [naam] van het PBC het volgende gerapporteerd. Bij verdachte worden voldoende aanwijzingen gezien voor een licht verstandelijke beperking. Eveneens is er sprake van een ‘periodiek explosieve stoornis’. Verder zijn er aanwijzingen voor grootheidsideeën / narcistische compensatiemechanismen (zelfoverschatting, “gangster” willen zijn, geassocieerd willen worden met mensen met een hoge status uit het criminele circuit). Alles overziend worden er voldoende aanwijzingen gezien voor een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte disfunctioneert langdurig op verschillende levensgebieden, er is een sterke (afwijkende) persoonlijkheidsdynamiek voelbaar in het onderzoekscontact en er zijn forse problemen in de persoonlijkheid zichtbaar: een diffuse identiteit, een nagenoeg ontbrekend (probleem- en) zelfinzicht, beperkte empathie, een kwetsbaar zelfbeeld en een gebrekkige stress-, emotie- en agressieregulatie. Classificerend kan van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, narcistische en antisociale kenmerken worden gesproken. Gezien het chronische karakter van dergelijke aandoeningen was er in de periode waarbinnen de ten laste gelegde feiten zich afspeelden sprake van de beschreven persoonlijkheidsstoornis en de licht verstandelijke beperking. De onderzoekers zijn van mening dat de pathologie van verdachte heeft doorgewerkt in de ten laste gelegde feiten en zij adviseren de rechter om dit verdachte in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte had nog enige keuzevrijheid, maar door de beperkingen vanuit zijn stoornissen was hij verminderd in staat om te kunnen kiezen voor gezonder alternatief gedrag, zijn gedrag als grensoverschrijdend gedrag te beschouwen en de consequenties voldoende te overzien. Het risico op recidive van gewelddadig gedrag wordt, indien verdachte niet behandeld wordt, zowel binnen als buiten detentie hoog ingeschat. Bovendien valt escalatiegevaar niet uit te sluiten. De kans dat hij bij confrontatie met zijn eigen negatieve eigenschappen, emoties en gedrag afweert, is groot. Zodoende achten de onderzoekers een langdurige klinische behandeling in een gestructureerde omgeving met forensische expertise van belang. Daarnaast moet rekening gehouden worden met het grote gevaar op herhaling en mogelijke escalatie (binnen en buiten detentie) waartegen de maatschappij beschermd dient te worden. Al met al zien de onderzoekers geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Een tbs-maatregel met voorwaarden wordt niet haalbaar geacht omdat verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling aangezien het hem aan ziekte-inzicht ontbreekt, waardoor een voorwaardelijk kader is gedoemd te mislukken. Voorts is de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ- maatregel, mede door de weerstand van verdachte, niet gelukt. Over de volledigheid van het onderzoek hebben de rapporteurs het volgende opgemerkt: “ Betrokkene heeft gedeeltelijk meegewerkt aan onderhavig onderzoek. Hij heeft meegewerkt aan de inhoudelijke gesprekken met de verschillende onderzoekers, het lichamelijk onder-zoek en heeft schriftelijk toestemming gegeven om behandelinformatie op te vragen. Ook heeft betrokkene het afdelingsprogramma gevolgd. Daarentegen heeft betrokkene niet meegewerkt aan het intelligentieonderzoek en de psychomotorische groepsobservatie. Voorts weigerde hij grotendeels het gedragsneurologisch onderzoek. Het milieuonderzoek bleef enigszins beperkt en eenzijdig doordat alleen de ouders van betrokkene als referent gesproken konden worden en er overigens vooral informatie vanuit de PIJ-behandeling van betrokkene beschikbaar was. Onderhavig onderzoek werd verder bemoeilijkt doordat betrokkene op meerdere momenten en tegen verschillende onderzoekers wisselende en inconsistente verhalen vertelde, die niet geverifieerd konden worden. Zodoende was de betrouwbaarheid van de anamnestische informatie moeilijk te beoordelen. Ondanks het feit dat betrokkene vele uren gesproken is en ogenschijnlijk gemakkelijk vertelde, was het moeilijk om goed vat op hem te krijgen. Hoewel processuele belangen hierbij een rol kunnen spelen, vermoeden de onderzoekers dat de pathologie van betrokkene eveneens een rol speelt in de gedeeltelijk weigerende opstelling (en zijn vormgeving hiervan). Ondanks deze nadrukkelijke onderzoeksbeperkingen bleek het uiteindelijk toch mogelijk voldoende zicht op betrokkenes psychisch functioneren te krijgen. Op basis van de beschikbare informatie kon tot de volgende beantwoording worden gekomen. In het onderhavig onderzoek wil betrokkene niet of beperkt praten over de ten laste gelegde feiten omdat hij zich bij de politie beriep op zijn zwijgrecht. Desondanks is er voldoende beeld ontstaan van de situatie ten tijde van de ten laste gelegde feiten om de vraag naar eventuele doorwerking te beantwoorden. Onderzoekers merken daarbij op dat zij vanuit gedragskundig oogpunt, vanwege de overeenkomstige dynamiek, geen aanleiding zien deze feiten separaat te bespreken. ” In een rapport van Reclassering Nederland van 3 april 2023 en 15 november 2023 wordt het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden door de reclassering als hoog ingeschat. De reclassering is van mening dat een tbs-maatregel met voorwaarden niet mogelijk is. Vanuit veiligheidsoverwegingen ziet de reclassering geen mogelijkheid uitvoering geven aan een eventuele tbs-maatregel met voorwaarden of andere straf waarvoor reclasseringstoezicht noodzakelijk is. Het hof neemt de voornoemde conclusies en adviezen van de deskundigen over. Dit betekent onder meer dat het hof verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate zal toerekenen. Aan de wettelijke eisen voor oplegging van de tbs-maatregel met de dwangverpleging is voldaan. Ten tijde van de begane delicten bestond er bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Die vaststelling heeft het hof gedaan op basis van de hierboven genoemde met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen van de psycholoog en de psychiater. Op een poging uitlokking moord is daarnaast een gevangenisstraf van vier jaar of meer gesteld en de bewezenverklaarde bedreigingen zijn specifiek benoemd in artikel 37a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. Ook is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging vereisen. Hierbij heeft het hof de aard en de ernst van de feiten, de aard van de persoonlijkheidsstoornis van verdachte met paranoïde, narcistische en antisociale kenmerken, in aanmerking genomen. Ook neemt het hof in aanmerking dat ondanks eerder intensieve klinische behandeling in de vorm van de PIJ-maatregel en eerdere begeleiding bij voorwaardelijke opgelegde straffen voor soortgelijke feiten aan verdachte is opgelegd, verdachte kort nadat het verplichte kader was komen te opvallen opnieuw verschillende strafbare feiten heeft gepleegd plegen. Volgens de PBC-rapporteurs is de psychopathologie die ten grondslag ligt aan het plegen van de bewezenverklaarde feiten van duurzame aard. Dit betekent dat het hof een noodzaak voor langdurige behandeling ziet. Volgens de rapporteurs is begeleiding in een voorwaardelijk kader of een tbs-maatregel met voorwaarden niet mogelijk dan wel niet afdoende, nu bij verdachte het ziekte-inzicht ontbreekt en hij niet gemotiveerd is voor een behandeling. Daarnaast kan de reclassering vanuit veiligheidsoverwegingen geen uitvoering geven aan reclasseringstoezicht. Gezien de adviezen van de deskundigen, de eerder door verdachte gepleegde strafbare feiten en de eerdere behandelingen van verdachtes problematiek, neemt het hof ook de conclusie over dat het risico op nieuwe gewelddadige strafbare feiten hoog is en dat het daarom noodzakelijk is dat verdachte gedwongen wordt behandeld voor zijn problematiek. Het hof acht, gelet op de hiervoor genoemde adviezen, de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan, oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging passend en noodzakelijk. Gelet op het voorgaande acht het hof zich voldoende voorgelicht en wijst het de verzoeken van de raadsman tot het laten opstellen van (aanvullende) rapportages door de gedragskundigen en de reclassering af, omdat de noodzaak daartoe niet is gebleken. In het bijzonder verwijst het hof in dat verband nog naar de passage in het rapport van zowel de psycholoog als de psychiater hierover, inhoudend dat zij ondanks de hiervoor genoemde beperkingen in hun onderzoek voldoende zicht hebben gekregen op verdachtes psychische functioneren, c.q. dat verdachte voldoende in beeld is gekomen om diagnostische conclusies te kunnen trekken. Geen gemaximeerde terbeschikkingstelling De tbs-maatregel met dwangverpleging wordt verdachte opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Verdachte heeft onder meer geprobeerd om een ander uit te lokken tot het plegen van moord. Het voorgaande brengt mee dat de duur van de maatregel niet gemaximeerd zal zijn. Beslag Het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 2 bewezenverklaarde is begaan met behulp van de in beslag genomen en niet teruggegeven telefoon, merk Samsung S20. Deze telefoon behoort de verdachte toe. Het hof zal onder verwijzing naar artikel 33a aanhef en onder c Sr de telefoon verbeurd verklaren. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Vordering De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.224,06. De benadeelde is door de rechtbank in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt van het openbaar ministerie en de verdediging De advocaat-generaal en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering is, omdat [benadeelde 2] niet de persoon is die schade heeft geleden en niet uit de stukken blijkt dat zij is gemachtigd om namens het [organisatie] een vordering in te dienen. Oordeel van het hof Ook met het in hoger beroep overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat niet zonder meer vast dat [benadeelde 2] bevoegd en/of uitdrukkelijk gemachtigd is tot het vorderen van de door het [organisatie] geleden schade. De benadeelde partij kan daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Vordering De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2.500,00. De vordering is bij vonnis toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 500,00 kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft – in het geval van een bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 4 tenlastegelegde – verzocht de vordering af te doen conform het vonnis. Oordeel van het hof Blijkens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat indien (onder sub a) de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen, dan wel indien (onder sub b) de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van dit laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde (aantoonbaar) geestelijk letsel heeft opgelopen. Het hof stelt vast dat de benadeelde partij een oudere kwetsbare vrouw is die veel negatieve gevolgen van deze mishandeling heeft ondervonden. Uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij volgt dat zij door de mishandeling slecht slaapt, verdrietig is en dat een oud trauma door het incident is gaan opspelen. Hierdoor is haar kwaliteit van leven verminderd. Zij was nog maar kort daarvoor geopereerd aan haar oog en wang, waardoor de klap op dat deel van haar gezicht nog ingrijpender was. De benadeelde partij schrijft dat zij met het [organisatie] bezig is om het voorval te verwerken. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat er sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partij dat is veroorzaakt door de mishandeling. De immateriële schade die zij heeft geleden komt dus voor vergoeding in aanmerking. Het hof is gelet op de aard en de ernst van het feit en de gevolgen hiervan, rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, van oordeel dat een toewijzing van € 500,- (vijfhonderd euro) aan immateriële schade billijk is en dat dit bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof zal daarom de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 december 2022 tot de dag van volledige betaling. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 december 2022 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met tien dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij. Vordering tenuitvoerlegging Vordering Het Openbaar Ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 november 2022 met parketnummer 16-199805-22 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich aan het oordeel van het hof gerefereerd. Oordeel van het hof Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden bevolen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 285, 289, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 16-157384-23 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 en in de zaak met parketnummer 16-157384-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren . Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - Samsung S20 telefoon (goednummer: PL0900-2022376480-3092919). Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 december 2022. Beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 november 2022, parketnummer 16-199805-22, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen . Aldus gewezen door mr. J. Steenbrink, voorzitter, mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr. C. Hoogland, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier, en op 1 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 1 oktober 2024. Tegenwoordig: mr. A.B.A.P.M. Ficq, voorzitter, mr. A.I.M.M. Gudde, advocaat-generaal, mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier. De voorzitter doet de zaak uitroepen. De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. De voorzitter spreekt het arrest uit. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend. “ BIJLAGE I [Voorzijde envelop uitgaande post] Retour [adres] [plaats] [postcode] Verzendadres [adres] [postcode] [plaats] ” en “ BIJLAGE 2 [Voorzijde envelop brievenbus Afdeling H] [naam] [adres] [postcode] [plaats] ” Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 maart 2023, genummerd PL0900- 2023008980, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 94. Tenzij anders vernield, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2022376480-7, bijgevoegd bij een proces-verbaal genummerd PL0900-2022377655, pagina 25. Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 maart 2023, genummerd PL0900- 2023008980, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 94. Tenzij anders vernield, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina 80. Pagina 81. Pagina 82. Pagina 84. Pagina 88. Een kennisgeving van inbeslagneming, genummerd PL0900-2022376480-13, bijgevoegd bij een proces-verbaal genummerd PL0900-2022377655, pagina 69. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2022376480-21, bijgevoegd bij een proces-verbaal genummerd PL0900-2022377655, pagina 5 van het digitale dossier. Pagina 51. Pagina 52. Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 28 maart 2023, genummerd PL0900- 2023008980, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 94. Tenzij anders vernield, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina 7. Pagina 24. Pagina 29. Pagina 45. Pagina 40-41.