# Rechtbank Amsterdam, 20-08-2026 (13-097821-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8338
- Date: 2026-08-20
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8338
- Canonical: https://overview.legal/posts/353740

## Summary

Pools executie EAB; voortzetting na tussenuitspraak; artikel 6a OLW; strafovername; overlevering geweigerd.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-097821-26 Datum uitspraak: 20 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juni 2024 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1980, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 27 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak 10 juni 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW is voldaan en dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om in navolging van het arrest C.J. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) de officier van justitie te verzoeken om het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het vonnis van the Piotrków Trybunalski District Court van 1 februari 2023 met kenmerk II K 474/22 op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen verlengd (eindigend op 28 augustus 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 6 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 10 juni 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW (onder 4), de strafbaarheid van het feit (onder 5), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, negende lid, OLW (onder 6) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (onder 7). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd, waarbij de rechtbank in regel 8 van rechtsoverweging 4. in plaats van “Roemeense straf” leest: “Poolse straf”, nu dit een kennelijke vergissing betreft. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 10 juni 2026. De overwegingen uit de tussenuitspraak dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Conform het arrest van het HvJ EU van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen. In het certificaat staat vermeld dat de opgeëiste persoon naar het recht van Polen voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt na het uitzitten van de helft van de opgelegde straf. De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. 5 Schorsingsverzoek Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon bij einduitspraak te schorsen vanwege de indiening van een kansrijk gratieverzoek. De raadsvrouw heeft ter zitting een concept-gratieverzoek overgelegd dat na de einduitspraak direct bij de rechtbank zal worden ingediend. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf (zes maanden) heeft het gratieverzoek opschortende werking. Het is cruciaal dat de opgeëiste persoon niet in afwachting van het gratieverzoek vast komt te zitten omdat hij dan enkele maanden niet bij zijn gezin kan zijn en niet kan werken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich verzet tegen schorsing van de vrijheidsbeneming bij einduitspraak omdat onduidelijk is of het gratieverzoek kansrijk is. Het gratieverzoek is nog niet ingediend en de rechtbank kan niet vooruitlopen op die beslissing. Oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst het verzoek van de raadsvrouw tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke omstandigheden aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken. De rechtbank kan niet vooruitlopen op de kansrijkheid van het aangekondigde gratieverzoek. Op dit moment kan niet worden gezegd dat de opgeëiste persoon helemaal geen gevangenisstraf meer zal moeten ondergaan in Nederland. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. 8 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Piotrków Trybunalski , Polen , voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. van de tussenuitspraak van 10 juni 2026 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. de Bie, voorzitter, mrs. A.R.P.J. Davids en H.J.H. van Meegen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:6138.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353740 · 2026-09-03
