# Rechtbank Amsterdam, 05-06-2026 (AMS 25/4571)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:5823
- Date: 2026-06-05
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A5823
- Canonical: https://overview.legal/posts/353810

## Summary

Een man heeft verzocht om inzage in persoonsgegevens die de gemeente Diemen van hem zou hebben verwerkt. Volgens de rechtbank bestaat grote twijfel over de identiteit van deze man omdat sprake is van drie verschillende handtekeningen.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/4571 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: D. Kroon), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder (gemachtigden: L. de Jong en M. Knaap). Procesverloop Met een besluit van 13 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten een verzoek van eiser om inzage op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet in behandeling te nemen Met een besluit van 1 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn - zonder voorafgaande kennisgeving- niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Wat aan deze procedure voorafging 1. Op 29 november 2024 heeft eiser verweerder verzocht om inzage in de van hem door verweerder op grond van de AVG verwerkte persoonsgegevens. 2. Met het primaire besluit heeft verweerder besloten dit verzoek niet in behandeling te nemen. Verweerder twijfelt aan de identiteit van eiser, omdat de handtekening op het AVG-verzoek afwijkt van die op het legitimatiebewijs. Daarom heeft verweerder eiser gevraagd naar het gemeentehuis te komen met een geldig identificatiebewijs, dan wel de aanvraag in te dienen via DigiD of om een gewaarmerkte kopie van zijn identiteitsbewijs toe te zenden. Dit voor 18 december 2024. Eiser heeft hier niet aan voldaan. 3. Daarop heeft verweerder het primaire besluit genomen. Dit besluit is ondertekend door de gemeentesecretaris, in plaats van door die secretaris namens verweerder. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft met het bestreden besluit het ondertekeningsgebrek in het primaire besluit hersteld. 4. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Volgens hem had verweerder proceskosten voor de behandeling van het bezwaar moeten toekennen. Beoordeling door de rechtbank 5. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet de rechtbank eerst uit eigen beweging (ambtshalve) beoordelen of het beroep ontvankelijk is. 6. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 6.1. Volgens artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Voor rechtsbescherming via de bestuursrechter is dan ook vereist dat de indiener van het beroep belanghebbende is. 6.2. De rechtbank stelt vast dat in dit geval grote twijfel bestaat over de identiteit van eiser als indiener van het beroepschrift. De rechtbank heeft daarom niet kunnen vaststellen dat het beroep daadwerkelijk is ingesteld door [eiser] . Daartoe overweegt de rechtbank dat de handtekening op het bezwaarschrift van 19 februari 2025, de handtekening in de brief van 28 februari 2025 (bezwaar overdragen aan gemachtigde) en de handtekening op de machtiging aanzienlijk van elkaar verschillen. Vastgesteld moet worden dat er sprake is van drie verschillende handtekeningen. Eiser en zijn beweerdelijk gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen. De twijfel over de identiteit van eiser is dan ook niet weggenomen. 6.3 De rechtbank gebruikt de formulering ‘beweerdelijk’ overigens omdat gezien de grote twijfel over de identiteit van eiser, die grote twijfel ook geldt voor de ingediende machtiging. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de identiteit van eiser niet vast is komen te staan, waardoor niet vastgesteld kan worden dat hij belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten van artikel 8:1 van de Awb. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353810 · 2026-09-10
