# Rechtbank Den Haag, 10-09-2026 (NL26.50534)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:26202
- Date: 2026-09-10
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A26202
- Canonical: https://overview.legal/posts/353833

## Summary

bewaring, art. 59 eerste lid aanhef en onder a Vw, ongegrond.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.50534 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, v-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. M. Rasul), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. H.R. Nobel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. De bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. De vreemdeling kan in bewaring worden gesteld omdat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat de maatregel wordt gevorderd omdat er een onderduikrisico bestaat en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt. b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend; e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4.1. De minister heeft op de zitting de gronden e en q laten vallen. Te late rechterlijke toets in de vorige maatregel 5. Eiser stelt dat de huidige maatregel onrechtmatig is, omdat de maatregel van 20 augustus 2026 niet tijdig door de rechter is getoetst. Volgens eiser was de vorige maatregel daarom onrechtmatig en werkt deze onrechtmatigheid door in de huidige maatregel, nu de vorige maatregel is omgezet naar de huidige maatregel. 5.1. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2026. De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat de noodzaak tot spoedige toetsing van de maatregel was vervallen omdat de maatregel op 30 augustus 2026 was opgeheven. De procedure kon daarom niet meer leiden tot opheffing van de maatregel en de onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. De procedure zag enkel op de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat dit de maatregel van 20 augustus 2026 niet onrechtmatig maakt. Er is dus geen sprake van onrechtmatigheid die kan doorwerken in de huidige maatregel. Voortraject 6. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu eisers asielaanvraag op 16 juni 2026 buiten behandeling is gesteld en hem een terugkeerbesluit is opgelegd. Daarnaast is op 29 augustus 2026 eisers asielaanvraag afgewezen. In deze beschikking wordt verwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit van 16 juni 2026. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd Gronden 8. Eiser heeft op de zitting alle gronden betwist. 8.1. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden onvoldoende te achten. De rechtbank verwijst voor de bespreking van de gronden a, b. c, r en s naar hetgeen in rechtsoverweging 9 van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, van 4 september 2026, is overwogen. Voor zover eiser aanvoert dat hij het recht heeft om een beroeps- en voorlopige voorzieningsprocedure te voeren tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, en dat hij de uitkomst daarvan in Nederland wil afwachten, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel over deze gronden. 8.2. Verder is grond d terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft verschillende persoonsgegevens opgegeven in verschillende landen. Dat eiser stelt dat de in Nederland bekende gegevens de juiste zijn, maakt dit oordeel niet anders. Ook grond p is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser is niet in bezit van identiteitsdocumenten en heeft ook geen acties ondernomen om hiervan alsnog in het bezit te komen. Daarnaast is eiser een aantal keer met onbekende bestemming vertrokken zonder hiervan melding te doen. Lichter middel 9. Eiser voert aan dat zijn medische situatie voor de minister aanleiding had moeten zijn om van bewaring af te zien en een lichter middel op te leggen. Eiser stelt dat hij voorafgaand aan de vorige maatregel suïcidaal was en dat dit iets zegt over zijn psychische gesteldheid. Daarnaast stelt eiser dat er gekozen had moeten worden voor een meldplicht omdat eiser zich hier in het asielzoekerscentrum ook altijd aan heeft gehouden. 10. De rechtbank stelt voorop dat de minister er, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht vanuit is gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. 10.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de door eiser kenbaar gemaakte medische omstandigheden door de minister voldoende zijn meegewogen in de maatregel. Eiser is erop gewezen dat, mochten zich medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten in het Detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. Van de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland kan worden gezegd dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Daarnaast heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de huidige maatregel verklaard dat zijn lichamelijke klachten inmiddels zijn verholpen en het beter met hem gaat. Tot slot is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Dat eiser stelt zich in het asielzoekerscentrum altijd aan de meldplicht te hebben gehouden, maakt dit oordeel niet anders. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onderduiken is gegeven. Voortvarend handelen 11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er heeft op 2 september 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Daarnaast heeft de minister op zitting aangegeven dat er op 20 augustus 2026 een verzoek is gedaan bij het OM met de vraag of er bezwaar is tegen eisers uitzetting. De minister heeft op dit verzoek nog geen reactie ontvangen, maar als het OM geen bezwaar heeft, zal zo spoedig mogelijk de laissez-passerprocedure wordt opgestart. Zicht op uitzetting 12. Eiser stelt dat geen zicht op uitzetting bestaat, omdat hij in december 2026 is gedagvaard voor een strafrechtelijke zitting. Volgens eiser moet hij de mogelijkheid hebben om deze zitting bij te wonen. Nu de zitting pas in december plaatsvindt, betekent dit volgens eiser dat hij tot die tijd in vreemdelingenbewaring moet verblijven. Volgens eiser ontbreekt daarom zicht op uitzetting. 13. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De rechtbank overweegt verder dat momenteel niet is gebleken dat het OM bezwaar heeft tegen uitzetting van eiser. De rechtbank ziet vanwege het enkele feit dat eiser is gedagvaard in een strafzaak, geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Conclusie en gevolgen 14. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Zaaknummer NL26.48142. ECLI:NL:RBDHA:2026:25615. ECLI:NL:RBDHA:2026:25615. Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 26 november 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:22783) en de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1647). Openbaar Ministerie. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219). Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).

## Cited law provisions (1)

### GDPR — gdpr-art-59-nl

Elke toezichthoudende autoriteit stelt jaarlijks een verslag over haar activiteiten op, met daarin mogelijk een lijst van de soorten gemelde inbreuken en de soorten maatregelen die overeenkomstig artikel 58, lid 2, worden genomen. Die verslagen worden toegezonden aan het nationale parlement, de regering en elke andere autoriteit die daartoe in het lidstatelijke recht is aangewezen. Zij worden ter beschikking gesteld van het publiek, de Commissie en het Comité.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353833 · 2026-09-10
