Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:9047 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 08-09-2026 (1318146926)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Pools executie-EAB, sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12 onder a OLW, overlevering toegestaan.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-181469-26 Datum uitspraak: 8 september 2026 UITSPRAAK op de vordering van 5 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 mei 2026 door the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [detentieplaats], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal, en door een tolk in de Poolse taal. De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Bydgoszcz van 13 februari 2025 met referentie III K 236/22. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden, waarin de zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2025 en die is geëindigd met een arrest van the Court of Appeal in Gdańsk van 18 december 2025. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en vier maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal in Gdańsk van 18 december 2025 toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van de beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie verstrekt door de uitvaardigende justitiële autoriteit op 13 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 29 oktober 2025 op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. De opgeëiste persoon is gedagvaard op een door hem opgegeven adres en de dagvaarding is in ontvangst genomen op dat adres door een volwassen lid van zijn huishouden. Hierbij is in de bij de dagvaarding meegezonden instructies vermeld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Als reactie heeft de opgeëiste persoon op 14 november 2025 een schriftelijk pleidooi naar het gerechtshof gestuurd. Uit de informatie in het schriftelijke pleidooi bleek bovendien dat hij nog steeds het adres gebruikte waar ook de dagvaarding naartoe is gestuurd. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding verklaard dat hij op de hoogte was van de datum van de zitting in hoger beroep, maar dat hij met zijn advocaat had afgesproken niet te verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. 5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - deelneming aan een criminele organisatie, en - fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en - witwassen van opbrengsten van misdrijven, en - oplichting. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Verstraeten, voorzitter, mr. L. Baroud en mr. J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .