Raad van State, 09-09-2026 (202201633/1/A3)
Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland aan [appellant] een verbod opgelegd om op 1 april 2020 te gaan demonstreren. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het bezwaar van [appellant] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en een rectificatieverzoek van [appellant] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), afgewezen. [appellant] heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. [appellant] heeft op 29 maart 2020 kenbaar gemaakt op 1 april 2020 te willen demonstreren. Met het besluit van 31 maart 2020, nader toegelicht op 2 april 2020, heeft de voorzitter de demonstratie verboden. [appellant] heeft vervolgens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met de uitspraak van 2 april 2020 afgewezen. In het besluit op bezwaar van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het primaire besluit gehandhaafd en het rectificatieverzoek, waaruit blijkt dat [appellant] het op onderdelen niet eens is met de motivering in de nadere toelichting op dit primaire besluit, afgewezen omdat het aangevoerde al aan de orde komt in het kader van de heroverweging in bezwaar van het primaire besluit. [appellant] is het daar niet meer eens.
Full text
202201633/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2022 in zaken nrs. 20/4743 en 21/888 in het geding tussen: [appellant] en de voorzitter van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (de voorzitter). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de voorzitter aan [appellant] een verbod opgelegd om op 1 april 2020 te gaan demonstreren. Bij besluit van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het bezwaar van [appellant] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en een rectificatieverzoek van [appellant] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), afgewezen. [appellant] heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 20 januari 2021 heeft de voorzitter geweigerd een besluit op bezwaar te nemen en het bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank wegens de beroepszaak die daar al aanhangig was over het besluit van 22 juli 2020. Bij uitspraak van 31 januari 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De voorzitter heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellant] en de voorzitter, vertegenwoordigd door mr. S. Roelofsen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 29 maart 2020 kenbaar gemaakt op 1 april 2020 te willen demonstreren. Met het besluit van 31 maart 2020, nader toegelicht op 2 april 2020, heeft de voorzitter de demonstratie verboden. [appellant] heeft vervolgens een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek met de uitspraak van 2 april 2020 afgewezen. In het besluit op bezwaar van 22 juli 2020 heeft de voorzitter het primaire besluit gehandhaafd en het rectificatieverzoek, waaruit blijkt dat [appellant] het op onderdelen niet eens is met de motivering in de nadere toelichting op dit primaire besluit, afgewezen omdat het aangevoerde al aan de orde komt in het kader van de heroverweging in bezwaar van het primaire besluit. [appellant] is het daar niet meer eens. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen procesbelang heeft. De beoogde demonstratie heeft immers nooit plaatsgevonden. De rechtbank is wat betreft het besluit van 22 juli 2020 van oordeel dat de voorzitter overtuigend heeft gesteld dat demonstraties in de voorzienbare toekomst niet meer worden verboden op de grondslag van het belang van de gezondheid. Deze situatie deed zich voor aan het begin van de pandemie toen er nog weinig bekend was over Covid-19. Inmiddels is er meer kennis over Covid-19 en zijn veel mensen gevaccineerd. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat het rectificatieverzoek van [appellant] betrekking heeft op de brief van 2 april 2020 die deel uitmaakt van het besluit op bezwaar van 22 juli 2020. Nu de motivering deel uitmaakt van het beroep tegen dit besluit kan die motivering niet in een aparte procedure worden aangevochten, aldus de rechtbank. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroepen ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft wel procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over het besluit van 22 juli 2020. De kans dat er op korte termijn weer een lockdown komt door een nieuw virus is groot. Ook dan zullen grondrechten en mensenrechten onder druk komen te staan, en dan is het goed om jurisprudentie te hebben hoe daar mee om te gaan. [appellant] wijst hierbij op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4817, waarin procesbelang was aangenomen omdat niet was uitgesloten dat er in verband met Covid-19 opnieuw maatregelen zullen gelden die het aantal deelnemers aan een demonstratie beperken. 3.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen. 3.2. In geschil is de vraag of de rechtbank het beroep van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het procesbelang van [appellant] kan erin gelegen zijn dat een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het verbod kan worden betrokken bij te verwachten toekomstige besluiten over soortgelijke demonstraties en de toetsing daarvan. Het moet dan wel aannemelijk zijn dat die besluitvorming zich in de toekomst voordoet. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4059, onder 4.4. 3.3. De Afdeling onderschrijft de uitspraak van de rechtbank en de onder 4 en 5 van haar uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ten tijde van het primaire besluit verkeerde Covid-19 nog in de beginfase en bestond er veel onduidelijkheid over de effecten ervan en de noodzakelijkheid van de door het bestuur te nemen maatregelen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde van de uitspraak meer bekendheid was verkregen over het virus en dat de voorzitter overtuigend heeft gesteld dat er in de voorzienbare toekomst soepeler met demonstraties zal worden omgegaan, zodat wordt gewerkt met beperkingen en niet met verboden. Hoewel het niet is uitgesloten dat zich in de toekomst een nieuwe pandemie kan voordoen, leidt hetgeen door [appellant] is aangevoerd niet tot het oordeel dat het aannemelijk is dat in de voorzienbare toekomst opnieuw door de voorzitter een algeheel demonstratieverbod zal worden opgelegd aan [appellant] op de grondslag van het belang van de gezondheid. Daarvoor is de stelling van [appellant] niet voldoende concreet. De door [appellant] aangehaalde rechtbankuitspraak van 20 mei 2022 verandert dat oordeel niet. In die zaak ging het, zoals de voorzitter heeft gesteld, niet om een algeheel verbod van een demonstratie maar om daaraan gestelde beperkingen, waarvan de rechtbank het niet uitgesloten achtte dat die beperkingen bij nieuwe soortgelijke demonstraties opnieuw gesteld zouden worden in verband met Covid-19. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4479, waarin het ook ging om beperkingen aan een demonstratie. Dat de politie alsnog een deel van het feitenrelaas, waarop de besluitvorming is gebaseerd, heeft gerectificeerd en dat dit volgens [appellant] door de voorzitter ingebracht had moeten worden in deze procedure, laat de Afdeling buiten beschouwing. Het feitenrelaas is, zoals de rechtbank al heeft overwogen, een onderdeel van de motivering van het besluit op bezwaar en aan de toetsing daarvan komt de Afdeling gelet op het vorenstaande niet toe. Het betoog slaagt niet. Conclusie en overschrijding van de redelijke termijn 4. [appellant] verzoekt om schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. 4.1. Gelet op wat er in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5123 is overwogen, en op waar deze zaak over gaat, stelt de Afdeling vast dat er sprake is van samenhang. Daarom komt de Afdeling tot het oordeel dat [appellant] één keer schadevergoeding krijgt voor de behandeling van deze zaken. In voormelde uitspraak heeft [appellant] een bedrag van € 3.000,00 gekregen voor de overschrijding van de redelijke termijn sinds zijn bezwaar van 25 november 2019. In deze zaak wordt daarom, nu deze heeft plaatsgevonden binnen dezelfde periode, geen aanvullende schadevergoeding meer toegekend. Daarom wijst de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. 6. De voorzitter hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026 802-1166