Raad van State, 09-09-2026 (202201628/1/A3)
Bij besluit van 14 april 2021 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om rectificatie van een proces-verbaal op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg), afgewezen. [appellant] heeft op 5 februari 2021 een rectificatieverzoek bij de korpschef ingediend over een proces-verbaal van 15 september 2020 en alle achterliggende stukken. Dit verzoek bestond uit 25 punten. De korpschef heeft het rectificatieverzoek op een aantal punten afgewezen en op een aantal punten ingewilligd. De gedeeltelijke afwijzing is gebaseerd op de grond dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiegegevens onjuist zijn. Het correctierecht is niet bedoeld om meningen en conclusies waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen te laten rectificeren. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.
Full text
202201628/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2022 in zaak nr. 21/2841 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 14 april 2021 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om rectificatie van een proces-verbaal op grond van artikel 28 van de Wet politiegegevens (Wpg), afgewezen. Bij uitspraak van 1 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en de korpschef hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.A. Zwarthoed en mr. P.M.L. van der Schot-Schröder, advocaat in Loosdrecht, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 5 februari 2021 een rectificatieverzoek bij de korpschef ingediend over een proces-verbaal van 15 september 2020 en alle achterliggende stukken. Dit verzoek bestond uit 25 punten. 1.1. De korpschef heeft het rectificatieverzoek op een aantal punten afgewezen en op een aantal punten ingewilligd. De gedeeltelijke afwijzing is gebaseerd op de grond dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiegegevens onjuist zijn. Het correctierecht is niet bedoeld om meningen en conclusies waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen te laten rectificeren. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard en heeft daarbij verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3122, over artikel 28 van de Wpg. De rechtbank heeft de korpschef gevolgd in zijn standpunt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de politiegegevens onjuist zijn. Ook heeft de rechtbank de korpschef gevolgd in het standpunt dat het feit dat [appellant] passages niet relevant vindt, niet maken dat de korpschef deze moet rectificeren, omdat het correctierecht niet is bedoeld om meningen en conclusies waarmee [appellant] zich niet kan verenigen, te laten rectificeren, aldus de rechtbank. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de jurisprudentie van de Afdeling waar de rechtbank naar verwijst, onhoudbaar is. In strafrechtprocedures wordt uitgegaan van de inhoud van een proces-verbaal. Er wordt dus uitgegaan van de indrukken, meningen en conclusies van politieambtenaren. Doordat deze processen-verbaal via het bestuursrecht niet kunnen worden aangepast, maar binnen het strafrecht wel tegen activisten worden gebruikt, is er geen effectief rechtsmiddel. De maatstaf dat het aan een verzoeker is om aannemelijk te maken dat feiten onjuist zijn, zorgt voor een situatie van ‘inequality of arms’. 3.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de door de rechtbank aangehaalde rechtspraak van de Afdeling over het correctierecht onhoudbaar is. De Afdeling is van oordeel, in tegenstelling tot wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, dat de Wpg voorziet in een adequate mogelijkheid tot correctie van de inhoud van processen-verbaal of politiemutaties. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het correctierecht niet bedoeld om meningen en conclusies waarmee een betrokkene zich niet kan verenigen te laten rectificeren. Dat het in de praktijk mogelijk lastig kan zijn om een eenduidig onderscheid te maken tussen meningen, indrukken of conclusies, en feiten, zorgt er niet voor dat het huidige correctierecht niet deugt. De Afdeling wijst in dat kader op de uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:62, waarin de Afdeling heeft benadrukt dat een bestuursorgaan het onderscheid tussen indrukken, meningen of conclusies, en feitelijke gegevens goed moet controleren en waaruit volgt dat de bestuursrechter kan ingrijpen, indien feitelijke gegevens ten onrechte als indrukken, meningen of conclusies worden bestempeld. De korpschef heeft op de zitting bij de Afdeling ook gesteld dat rectificatieverzoeken zorgvuldig worden beoordeeld en erkende fouten worden gewijzigd. Zo heeft de korpschef bij wijze van voorbeeld toegelicht dat hij punt 15 van het rectificatieverzoek van [appellant] heeft ingewilligd. Daar komt bij dat de strafrechter een eigen weging maakt van alle ingebrachte bewijsmiddelen in samenhang bezien en in de uitspraak motiveert welke betekenis hij aan die bewijsmiddelen toekent. Een betrokkene kan zijn stelling over het gewicht dat dient toe te komen aan de bewijsmiddelen, aan de orde stellen in die strafrechtprocedure. Van de bestuursrechter kan, in het kader van het inzageverzoek, niet worden verlangd dat hij de inhoud van een proces-verbaal waar het gaat om meningen en conclusies op juistheid beoordeeld. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank het beroep van [appellant] terecht met verwijzing naar de Afdelingsjurisprudentie ongegrond heeft verklaard. De Afdeling ziet in het betoog geen aanleiding om de huidige jurisprudentielijn over het correctierecht te herzien. Overigens heeft [appellant]n in zijn reactie op de rechtbank niet alsnog aannemelijk gemaakt dat de feitelijke politiegegevens in het proces-verbaal onjuist zijn. Conclusie en overschrijding van de redelijke termijn 4. [appellant] verzoekt om schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. 4.1. Gelet op wat er in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5123 is overwogen, en op waar deze zaak over gaat, stelt de Afdeling vast dat er sprake is van samenhang. Daarom komt de Afdeling tot het oordeel dat [appellant] één keer schadevergoeding krijgt voor de behandeling van deze zaken. In voormelde uitspraak heeft [appellant] een bedrag van € 3.000,00 gekregen voor de overschrijding van de redelijke termijn sinds zijn bezwaar van 25 november 2019. In deze zaak wordt daarom, nu deze heeft plaatsgevonden binnen dezelfde periode, geen aanvullende schadevergoeding meer toegekend. Daarom wijst de Afdeling het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. 6. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026 802-1166