Skip to content
Case Law · Raad van State ·ECLI:NL:RVS:2026:5308 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Raad van State, 09-09-2026 (202206777/1/A3)

Raad van State
Summary

Bij besluit van 7 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel een verzoek van [appellant] om zijn in de basisregistratie personen geregistreerde nationaliteit van ‘onbekend’ te wijzigen naar ‘staatloos’, afgewezen. Het college heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en heeft die afwijzing bij het besluit van 26 april 2022 gehandhaafd. Volgens het college heeft [appellant] niet alle vereiste documenten overgelegd om aan het correctieverzoek te kunnen voldoen. Bovendien valt het volgens het college niet uit te sluiten dat [appellant] via zijn ouders een andere dan de Palestijnse nationaliteit heeft verkregen. Het staat daarom volgens het college niet onomstotelijk vast dat de in de brp opgenomen nationaliteit ‘onbekend’ van [appellant] onjuist is.

Full text

202206777/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Capelle aan den IJssel, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2022 in zaak nr. 22/2551 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2022 heeft het college een verzoek van [appellant] om zijn in de basisregistratie personen (brp) geregistreerde nationaliteit van ‘onbekend’ te wijzigen naar ‘staatloos’, afgewezen. Bij besluit van 26 april 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 oktober 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 augustus 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.E.P. Raaphorst, is verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Op 1 december 2021 heeft [appellant] het college op grond van artikel 2.58 van de Wet brp verzocht om zijn nationaliteit in de brp te wijzigen van ‘onbekend’ naar ‘staatloos’. 1.1. Het college heeft richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken gevolgd om vast te stellen of [appellant] staatloos Palestijn is en of onomstotelijk vaststaat dat zijn registratie van de nationaliteit in de brp onjuist is. Volgens de richtlijnen kan staatloosheid worden vastgesteld door het overleggen van originele documenten uit elk van de volgende drie documentgroepen: 1) een Syrisch reisdocument voor Palestijnen/vluchtelingen óf een identiteitskaart voor Palestijnen; 2) een geboorteakte óf Syrisch familieboekje voor Palestijnen óf een uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen uit Syrië; 3) een familieboekje van GAPAR (General Authority for Palestine Arab Refugees) óf een familieregistratiekaart van UNRWA. 1.2. Het college heeft het verzoek van [appellant] afgewezen en heeft die afwijzing bij het besluit van 26 april 2022 gehandhaafd. Volgens het college heeft [appellant] niet alle vereiste documenten overgelegd om aan het correctieverzoek te kunnen voldoen. Bovendien valt het volgens het college niet uit te sluiten dat [appellant] via zijn ouders een andere dan de Palestijnse nationaliteit heeft verkregen. Het staat daarom volgens het college niet onomstotelijk vast dat de in de brp opgenomen nationaliteit ‘onbekend’ van [appellant] onjuist is. Uitspraak rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de geregistreerde nationaliteit ‘onbekend’ van [appellant] in de brp niet heeft hoeven wijzigen. Volgens de rechtbank is niet onomstotelijk vast komen te staan dat [appellant] staatloos is. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet gehouden was om de geregistreerde nationaliteit van hem in de brp te wijzigen. Hiertoe voert hij ten eerste aan dat hij geen Syrisch reisdocument voor Palestijnen of een identiteitskaart voor Palestijnen kan overleggen. Om een Syrisch reisdocument voor Palestijnen/vluchtelingen te verkrijgen moet hij naar Damascus in Syrië reizen. Dit kan niet van hem worden gevraagd omdat hij is gevlucht uit Syrië. Een identiteitskaart voor Palestijnen kan hij niet verkrijgen, omdat [appellant] niet uit Palestina komt. [appellant] voert ten tweede aan dat hij met de overgelegde stukken wel heeft onderbouwd dat zijn vader de Palestijnse nationaliteit heeft en dat hij daarom niet via zijn vader een andere dan de Palestijnse nationaliteit heeft verkregen. Dit volgt namelijk uit Civil Status Record of the Arab Palestinians Register. Bij een niet-Palestijn zou een registratie niet mogelijk zijn, althans zou de andere nationaliteit worden vermeld. Een ander stuk om te bewijzen dat zijn vader de Palestijnse nationaliteit heeft kan [appellant] niet overleggen, omdat zijn vader is overleden. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. 3.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, volgt dat beoordeeld moet worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag liggende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Hoewel de rechtbank gelet hierop een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft toegepast, leidt dat niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De Afdeling overweegt daarover het volgende. 3.2. [appellant] bestrijdt niet dat het college de richtlijnen mocht toepassen bij de vaststelling of iemand staatloos Palestijn is. In geschil is of de staatloosheid buiten redelijke twijfel uit de overgelegde documenten en andere bewijsmiddelen volgt. Naar het oordeel van de Afdeling is dat niet het geval. Om zijn stelling dat hij staatloos is te onderbouwen, heeft [appellant] gewezen op het Civil Status Record of the Arab Palestinians Register. Maar hierin staat dat de vader van [appellant] niet alleen de Palestijnse maar ook de Syrische nationaliteit heeft. Daarmee is het gelet op de Syrische nationaliteitswetgeving aannemelijk dat ook [appellant] de Syrische nationaliteit heeft. Bovendien heeft het college op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat [appellant] in de asielprocedure heeft verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft. Dit heeft [appellant] niet weersproken. [appellant] was ook niet op zitting om een overtuigende verklaring te geven waarom hij desalniettemin alleen de Palestijnse nationaliteit heeft. Daargelaten dat [appellant] een document uit de eerste documentgroep niet heeft overgelegd, volgt hieruit dat het niet buiten redelijke twijfel is dat [appellant] alleen de Palestijnse nationaliteit heeft en dus dat hij staatloos is. Dit betekent dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht heeft geoordeeld dat het college de geregistreerde nationaliteit ‘onbekend’ van [appellant] in de brp niet heeft hoeven wijzigen. Slotsom 4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden waarop deze rust. 5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E. de Bakker, griffier. w.g. Lange lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Bakker griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026 1031