Skip to content
Case Law · Raad van State ·ECLI:NL:RVS:2026:5123 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Raad van State, 09-09-2026 (202203505/1/A3)

Raad van State
Summary

Bij besluit van 15 november 2019 heeft de burgemeester van Amsterdam het verzoek van [appellant] om verwijdering van een brief van 6 november 2015 op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), afgewezen. [appellant] heeft op 31 augustus 2019 aan de burgemeester verzocht om een aan hem geadresseerde brief te verwijderen uit een rechtbankdossier in een procedure tussen de burgemeester en [appellant]. De burgemeester heeft dit verzoek afgewezen. [appellant] is het daar niet mee eens. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] niet tijdig een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit op bezwaar per e-mail, een communicatiewijze die is verzocht door [appellant] omdat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, op 9 april 2020 op juiste wijze aan [appellant] bekend is gemaakt.

Full text

202203505/1/A3. Datum uitspraak: 9 september 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2022 in zaak nr. 20/3064 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 15 november 2019 heeft de burgemeester het verzoek van [appellant] om verwijdering van een brief van 6 november 2015 op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), afgewezen. Bij besluit van 9 april 2020 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 april 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 april 2026, waar [appellant], en de burgemeester van Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. S.J. Hauser, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 31 augustus 2019 aan de burgemeester verzocht om een aan hem geadresseerde brief te verwijderen uit een rechtbankdossier in een procedure tussen de burgemeester en [appellant]. De burgemeester heeft dit verzoek afgewezen. [appellant] is het daar niet mee eens. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] niet tijdig een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit op bezwaar per e-mail, een communicatiewijze die is verzocht door [appellant] omdat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, op 9 april 2020 op juiste wijze aan [appellant] bekend is gemaakt. [appellant] kon tot 22 mei 2020 beroep instellen, maar heeft de rechtbank pas op 28 mei 2020, en daarmee niet tijdig, per fax een beroepschrift toegezonden. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar. Met de samenhang van de e-mail van 9 april 2020 waarin wordt verwezen naar het als bijlage bijgevoegde (ongedateerde) besluit op bezwaar is voldaan aan de voorschriften uit artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit bij de e-mail bevat aan het slot de mededeling dat tegen het besluit binnen zes weken beroep kan worden ingediend. Hieruit had het voor [appellant] dan wel zijn gemachtigde voldoende duidelijk kunnen en moeten zijn dat de beroepstermijn 6 weken na 9 april 2020 ten einde liep. Met het opnieuw verzenden van het bestreden besluit op 17 april 2020, ditmaal voorzien van een stempel met datum, is geen sprake van een (nieuw) besluit in de zin van de Awb, aldus de rechtbank. Hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De gemeente heeft zelf een fout gemaakt door het bestreden besluit niet te voorzien van een datum. [appellant] is uitgegaan van de datum die op het opnieuw verzonden besluit stond, namelijk 17 april 2020. 3.1. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat in dit geval niet is gebleken van bijzondere omstandigheden bij [appellant] die maken dat de termijnoverschrijding niet aan hem kan worden toegerekend. Ook is de termijnoverschrijding niet veroorzaakt door het handelen of nalaten van de burgemeester. Dat [appellant] later nog een keer het besluit heeft gekregen, wederom zonder dagtekening maar nu met een stempel met verzenddatum, heeft de rechtbank gelet op de duidelijke bekendmaking van het besluit bij e-mail van 9 april 2020 en nu [appellant] bovendien werd bijgestaan, terecht op zichzelf onvoldoende geacht. Conclusie en overschrijding van de redelijke termijn 4. [appellant] verzoekt om schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Dit heeft hij ook gedaan voor de drie hoger beroepen in de zaken nrs. 202201628/1/A3, 202201633/1/A3 en 202201636/1/A3, die eveneens op 28 april 2026 op zitting zijn behandeld bij de Afdeling. De Afdeling ziet wat betreft de schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn aanleiding voor het volgende. 4.1. In dit geval wordt schadevergoeding verzocht voor meerdere procedures van één belanghebbende. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende in de kern over hetzelfde onderwerp gaan, is niet aannemelijk dat per afzonderlijke zaak extra spanning en frustratie wordt veroorzaakt. Daarom kan in één procedure worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden, en wordt voor de samenhangende zaken slechts eenmaal het forfaitaire bedrag aan schadevergoeding gehanteerd. Vergelijk de uitspraak van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1481, onder 10.2. 5. Naar het oordeel van de Afdeling is er in dit geval sprake van samenhang. De procedures die [appellant] voert gaan in de kern over hetzelfde onderwerp. Het gaat steeds om rectificatie-, verwijderings-, of inzageverzoeken op grond van de AVG, de Wet politiegegevens (Wpg) of de Wet open overheid (Woo). In dit geval gaat het om drie AVG-verzoeken en één Wpg-verzoek. De verzoeken zien op hetzelfde onderwerp, namelijk de gegevensverwerking over [appellant] naar aanleiding van zijn publieke optreden als demonstrant. [appellant] demonstreert zeer veelvuldig en start vervolgens procedures over de gegevensverwerking die daarbij plaatsvindt. Deze verzoeken doet hij dan ook regelmatig bij dezelfde bestuursorganen, zoals in dit geval bij de zaken nrs. 202201628/1/A3 en 202201636/1/A3. Ook komt het regelmatig voor dat [appellant] aan zijn verzoeken gelijkluidende juridische betogen ten grondslag legt, zoals dat de gegevensverwerking in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat [appellant] steevast afzonderlijke zaken aanhangig maakt, terwijl die inhoudelijk vaak overlap vertonen. Daardoor wordt de bestuursorganen, maar ook de rechtbanken en de Afdeling een hoge administratieve last opgelegd omdat zij niet alleen die verzoeken moeten onderzoeken, beoordelen en toetsen maar ook steeds, ten behoeve van een efficiënte geschilbeslechting, moeten onderzoeken hoe de verzoeken zich tot elkaar verhouden. [appellant] voert namelijk veelvuldig dit soort procedures. Zo zijn er inmiddels alleen al door de Afdeling ruim 40 uitspraken gedaan en zijn er nog meer dan 30 zaken bij de Afdeling aanhangig. Tot de uitspraak van vandaag heeft [appellant] alleen al dit jaar € 10.000,00 aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend gekregen. 5.1. De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen, aanleiding om in dit geval voor de op 28 april 2026 op zitting behandelde zaken slechts één keer een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen en daarbij uit te gaan van de langstlopende zaak. Bij de toekomstige behandeling van de procedures van [appellant] zal worden bezien of er ook in dat geval aanleiding bestaat om samenhang aan te nemen en om dan, wegens de al in deze zaak toegekende schadevergoeding, een eventuele schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te beperken of om daarvan af te zien. 5.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Vanaf de ontvangst van het bezwaar van [appellant] op 25 november 2019 tot aan de huidige uitspraak zijn ongeveer 6 jaar en 9 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met ongeveer 2 jaar en 9 maanden is overschreden. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant] toe te kennen bedrag € 3000,00. Omdat de termijnoverschrijding hoofdzakelijk aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade volledig uitgesproken ten laste van de Staat. Slotsom 6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. veroordeelt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 3.000,00. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026 802-1166