Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 08-12-2016 (200.189.370/01)
verzoek ex artikel 46 Wbp (wet bescherming persoonsgegevens) / bekrachtiging bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen
Full text
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht Uitspraak: 8 december 2016 Zaaknummer: 200.189.370/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/01/297426 / EX RK 15-152 in de zaak in hoger beroep van: [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, hierna te noemen: [appellant] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen ING Bank N.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , geïntimeerde, hierna te noemen: ING, advocaten: mrs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 1 maart 2016. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, na doorzending door respectievelijk de Raad van State en de rechtbank Oost-Brabant ingekomen ter griffie van dit hof op 11 april 2016, heeft [appellant] verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en, zo begrijpt het hof, zijn registratie in het interne incidentenregister en in het externe verwijzingsregister ongedaan te maken, met veroordeling van ING in de proceskosten. 2.2. Bij verweerschrift met productie 30, ingekomen ter griffie op 29 juni 2016, heeft ING verzocht - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de grief/grieven van [appellant] te verwerpen en hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn verzoeken af te wijzen, met bekrachtiging van voormelde beschikking, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties. 2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 november 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord: [appellant] , bijgestaan door [gemachtigde] ; de heer [medewerker] namens ING, bijgestaan door mr. Pijnse van der Aa, waarnemend voor mr. Reinders Folmer. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 januari 2016; de stukken van de eerste aanleg, ingediend bij brief van [gemachtigde] d.d. 31 mei 2016; de bij brief/formulier van mr. Reinders Folmer d.d. 27 oktober 2016 ingediende producties 31 en 32; de ter zitting overgelegde en voorgedragen pleitnota van [gemachtigde] . 3 De beoordeling 3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. ING heeft de persoonsgegevens van [appellant] opgenomen in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister, in verband met vermoedelijke betrokkenheid bij frauduleuze onttrekking van een pandrecht als opgenomen in artikel 348 Wetboek van Strafrecht, in relatie tot de onderneming [de onderneming] B.V. (hierna: [de onderneming] ). 3.2. ING heeft deze registratie aan [appellant] aangekondigd bij brief van 28 april 2015. Na diverse briefwisselingen over en weer heeft ING de registratie bij brief van 16 juni 2015 (productie 25 verweerschrift eerste aanleg) nogmaals en als volgt aan [appellant] toegelicht (zakelijk weergegeven): [de onderneming] heeft een rekening-courantkrediet van € 100.000,-- bij ING. In dat kader heeft de ING een pandrecht gevestigd op alle bedrijfsactiva van [de onderneming] , waaronder bedrijfsuitrusting, tegoeden, (toekomstige) vorderingen en voorraden. Op basis van door ING uitgevoerd onderzoek is een ernstig vermoeden ontstaan dat de voormalige bestuurder van [de onderneming] , [de voormalige bestuurder van de onderneming] B.V. (hierna: [de voormalige bestuurder van de onderneming] ), de bedrijfsactiva opzettelijk aan het pandrecht van ING heeft onttrokken en de activiteiten van [de onderneming] middels een geregisseerd uitdoofscenario (een zogeheten sterfhuisconstructie) heeft overgedragen aan een andere onderneming dan wel heeft omgelegd naar een andere bankrekening. Daarbij is een ernstig vermoeden ontstaan dat de voormalige bestuurder - zonder enige aflossing op de kredietfaciliteit en zonder ING hierin te kennen (daarmee in strijd handelend met artikel 11.1 Algemene Bepalingen Kredietverlening Zakelijk) - [de onderneming] op 13 december 2013 aan [Beheer B.V.] Beheer B.V. (hierna: [Beheer B.V.] ) heeft overgedragen om zich op frauduleuze wijze te onttrekken aan zijn verplichtingen jegens ING uit hoofde van voornoemde kredietfaciliteit. Ten tijde van deze overdracht was [appellant] enig bestuurder van [Beheer B.V.] . [appellant] heeft voorts - wederom handelend in strijd met artikel 11.1 Algemene Bepalingen Kredietverlening Zakelijk - op 1 juli 2014 [de onderneming] overgedragen aan de heer [de neef van appellant] (toevoeging hof: de neef van [appellant] , die op 3 maart 2009 in staat van faillissement is verklaard). Op basis van de informatie is voor ING het ernstige vermoeden ontstaan dat [appellant] , als onderdeel van de hiervoor beschreven sterfhuisconstructie, frauduleus en in strijd met de geldende voorwaarden [de onderneming] en haar schulden heeft overgenomen en enige tijd later weer heeft overgedragen, terwijl hij in alle redelijkheid had kunnen en behoren te weten dat [de onderneming] een niet levensvatbare onderneming betrof met een zeer hoge opeisbare vordering van ING. Op basis van deze ernstige vermoedens tegen [appellant] en overige genoemde personen heeft ING aangifte gedaan bij een opsporingsinstantie inzake onttrekking pandrecht (ex artikel 348 Sr). 3.3. [appellant] heeft de rechtbank Oost-Brabant - zakelijk weergegeven en naar het of begrijpt - primair verzocht het besluit van ING te vernietigen nu geen informatie wordt overgelegd, secundair (het hof begrijpt ‘dan wel’) het besluit van ING te vernietigen nu ING niet kan motiveren dat zij heeft voldaan aan de richtlijnen van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp), en (meer) subsidiair ING te veroordelen in alle kosten die door [appellant] zijn gemaakt en/of als belanghebbende en in de toekomst enige hinder ondervindt van de opname in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister. [appellant] heeft aan deze verzoeken ten grondslag gelegd dat ING zich niet heeft gehouden aan de artikelen/richtlijnen/vereiste formaliteiten van de Wbp (zoals bijvoorbeeld het toestemmingvereiste om persoonsgegevens te mogen verwerken: artikel 8 Wbp) en voorts met haar handelwijze de procesbeginselen van een eerlijk proces artikel 6 EVRM ernstig heeft geschonden door het bewust achterhouden van informatie, door geen hoor/wederhoor toe te passen waardoor het voor [appellant] onmogelijk is om vast te stellen of er onafhankelijk is beslist en door zich op de stoel van de rechterlijke macht te plaatsen door strafverordeningen uit te vaardigen waarvoor ING niet bevoegd is. 3.4. Bij beschikking van 1 maart 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant voornoemde verzoeken van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft daartoe overwogen - onder meer en verkort weergegeven - dat ING aan [appellant] voldoende informatie heeft verstrekt, dat ING voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle regels heeft nageleefd, dat het Protocol regels bevat waaraan financiële instellingen hebben te voldoen bij registraties als de onderhavige, welke regels volgens het CBP en de rechtspraak in overeenstemming zijn met bepalingen van de Wbp, dat ING heeft gesteld aan de bepalingen van het Protocol te hebben voldaan en dat [appellant] dat niet althans onvoldoende heeft betwist, dat op grond van artikel 8 sub c Wbp persoonsgegevens mogen worden verwerkt om een wettelijke verplichting na te komen waaraan ING is onderworpen en dat dat in dit geval aan de orde is nu ING ingevolge de Wbp de wettelijke verplichting heeft fraude en criminaliteit te voorkomen en te bestrijden, dat ING geen dossier ter inzage behoefde te geven aan [appellant] zodat van schending van de artikelen 33, 34 en 50 Wbp dan ook geen sprake is, dat ING geen strafverordeningen heeft uitgevaardigd maar aangifte heeft gedaan van een strafbaar feit en [appellant] heeft opgenomen in de onderhavige registers, dat van strijd met artikel 6 EVRM geen sprake, dat bij arrest van 29 mei 2009 de Hoge Raad ook al heeft beslist dat verwerking van persoonsgegevens in de onderhavige registers als zodanig geen schending van artikel 6 EVRM oplevert, dat ING wel hoor en wederhoor heeft toegepast door [appellant] in kennis te stellen van fraude met een zakelijk krediet bij [de onderneming] en dat het op de weg van [appellant] heeft gelegen om ING naar aanleiding van vragen over zijn rol bij [de onderneming] te informeren. Nu [appellant] geen enkele vraag van ING heeft beantwoord is het - naar het oordeel van de rechtbank terechte - vermoeden van ING dat [appellant] betrokken is geweest bij de onderhavige fraude door [appellant] op geen enkele wijze weerlegd en is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de onderhavige registraties niet te handhaven. Er bestond derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor vernietiging van het besluit van ING tot opname in de registers, noch voor de (meer) subsidiair verzochte veroordeling van ING in door [appellant] gemaakte en nog te maken kosten ten gevolge van dat besluit. 3.5. [appellant] kan zich met deze beschikking niet verenigen en is hiervan in eerste instantie bij de Raad van State in beroep gekomen. De Raad van State heeft voorts het beroepschrift doorgestuurd naar de rechtbank Oost-Brabant en die heeft het beroepschrift weer doorgestuurd naar dit hof. 3.6. Met ING gaat het hof ervan uit dat in hoger beroep het verzoek van [appellant] niet langer gericht is tegen de in het inleidende verzoekschrift genoemde natuurlijke personen die werkzaam zijn bij ING. [appellant] heeft in zijn beroepschrift, zakelijke weergegeven en naar het hof heeft begrepen, het volgende aangevoerd: - de rechtbank heeft een onjuiste toetsing gedaan en daarmee verkeerd geconcludeerd aangaande het secundaire standpunt dat ING niet kan motiveren dat zij heeft voldaan aan de richtlijnen van de Wbp; - ING heeft niet voldaan aan het verzoek van [appellant] om conform artikel 36 lid 2 Wbp met redenen omkleed uitleg te geven of is voldaan aan de formele richtlijnen van de Wbp (meer specifiek de artikelen 8,9,16,27,31,32 en 34 Wbp) of aan de voorwaarden van het Protocol van de registers (meer specifiek de artikelen 9.1.1, 9.3.3, 9.5, 9.6.2 en 11.3 van het Protocol alsmede pagina 16 van de Annex van het Protocol); - Artikel 1 (garanties verkoper) lid w van de notariële akte van aandelenoverdracht van [de onderneming] d.d. 13 oktober 2013 vermeld dat de op heden tot het vermogen van de Vennootschap ( [de onderneming] ) behorende activa niet zijn bezwaard met een recht van hypotheek of pandrecht. Nu de notaris - die een openbaar ambt uitoefent met de plicht om te onderzoeken of de akte op rechtmatige wijze tot stand is gekomen - deze akte heeft gepasseerd, is de akte in overeenstemming met de maatschappelijke normen en waarden en binnen de wettelijke richtlijnen tot stand gekomen. 3.6.1. [appellant] heeft ter zitting van dit hof het volgende toegevoegd, zakelijk weergegeven en naar het hof begrijpt: - de gegevens die van [appellant] in de registers zijn opgenomen kunnen niet worden geclassificeerd als persoonsgegevens in de zin van artikel 1 Wbp, nu het (tevens) vennootschappelijke gegevens betreft en ING hem voorts niet eerst in privé aansprakelijk heeft gesteld. ING heeft voorbarig gehandeld door [appellant] zonder aansprakelijkheidsstelling in de registers te vermelden. Daarmee is de vermelding in de registers onrechtmatig en dient de vermelding te worden gecorrigeerd/verwijderd; - ING weigert te omschrijven met welk doel de persoonsgegevens zijn opgenomen in de registers en handelt daarmee in strijd met artikel 7 Wbp; - ING heeft [appellant] in de registers opgenomen enkel met het doel om hem te straffen in sociale en in economische zin en om via hem de heer [betrokkene] (voormalig bestuurder van [de voormalige bestuurder van de onderneming] ) - jegens wie ING ook procedures heeft lopen - onder druk te zetten; - ING handelt in strijd met artikel 10 van de EU-Verordening van 27 april 2016 (32016R0679; verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten) en artikel 10 lid 12 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens door vermelding van [appellant] in de registers; - ING heeft de geheimhoudingsplicht aangaande civiele overeenkomsten en niet-onherroepelijke strafzaken geschonden, waardoor artikel 49 en 50 Wbp van toepassing zijn; - nu er nog steeds geen vervolging is ingesteld doet [appellant] een (hernieuwd) beroep op artikel 36 Wbp en verzoekt het hof de registratie door te halen of af te schermen voor derden. Op grond van de inhoud van het beroepschrift gaat het hof ervan uit dat [appellant] in hoger beroep (in ieder geval impliciet) ook verzocht heeft de verzoeken van eerste aanleg alsnog toe te wijzen. Het standpunt van ING dat [appellant] op dit punt onduidelijk is en slechts om de vernietiging van de beschikking van de rechtbank heeft gevraagd, verwerpt het hof. 3.7. ING heeft uitvoerig, gemotiveerd en gedocumenteerd verweer gevoerd. 3.8. Het hof overweegt als volgt. 3.8.1. De rechtbank heeft de verzoeken van [appellant] opgevat en behandeld als een verzoekschrift ex artikel 46 Wbp. Daartegen is geen grief gericht, zodat (ook) het hof de verzoeken van [appellant] zal behandelen als een verzoekschrift ex artikel 46 Wbp, met dien verstande dat het de procedure in hoger beroep betreft. 3.8.2. Het meest verstrekkende verweer van ING is dat [appellant] in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, onder meer nu hij (ook) in hoger beroep procedeert zonder advocaat. [appellant] heeft dit betwist en is van mening dat hij wel ontvankelijk is. Het hof is van oordeel dat [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, op grond van het volgende: Artikel 46 Wbp lid 4 luidt als volgt: “De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.” Hoewel de wet het niet duidt, is het hof van oordeel dat dit ook geldt in hoger beroep, zulks onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 26 oktober 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD2687) en 22 november 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE9245; NJ 2003/229). In beide arresten wordt het artikel 34 lid 6 van de Wet Persoonsregistraties (hierna: WPR) - in verbinding met artikel 23 lid 1 en lid 2 Wet politieregisters - aangehaald. Artikel 46 (lid 4) Wbp kan worden gelezen als de vervanger van artikel 34 (lid 6) WPR. Artikel 34 lid 6 WPR verklaarde de twaalfde titel van het Eerste Boek (oud) van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) van toepassing, met uitzondering van artikel 429d, derde lid. Het derde lid van art. 429d Rv luidde: "De indiening geschiedt in zaken waarvan een rechterlijk college of zijn president kennis neemt, door een procureur (…)". Dit brengt mee dat procureursbijstand in verzoekschriftprocedures gebaseerd op 34 WPR niet is vereist. Art. 429o Rv (oud), dat de indiening van het beroepschrift regelt, verwijst naar 429d Rv, zodat deze bepaling in beginsel ook in hoger beroep geldt. Nu echter art. 34 WPR voor de procedure verwijst naar de gehele twaalfde titel - inclusief de regeling voor het hoger beroep in art. 429o Rv - en hierbij art. 429d Rv algemeen van toepassing uitzondert, geldt deze uitzondering (geen verplichte procureur) ook in hoger beroep. Artikel 34 lid 6 WPR bepaalde dus dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (toen twaalfde titel van het Eerste Boek Rv) van toepassing was, met uitzondering van artikel 429d lid 3 Rv - thans vervangen door artikel 278 lid 3 Rv - zodat verplichte procureursbijstand in eerste aanleg, noch in hoger beroep werd voorgeschreven. De Wbp is de opvolger van de WPR en artikel 46 (lid 4) Wbp kan worden gelezen als de vervanger van artikel 34 (lid 6) WPR. Nu uit de Memorie van Toelichting bij de Wbp niet blijkt dat het huidige artikel 46 lid 4 Wbp beperkter moet worden opgevat dan hetgeen werd voorgeschreven door artikel 34 lid 6 WPR (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 25 en p. 175 (MvT)), moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat ook in hoger beroep een verzoekschrift mag worden ingediend dat niet door een advocaat is ondertekend (zie in gelijke zin ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0012 en AV0011 en ECLI:NL:GHARN:2010:BN7839 en zie voorts ECLI:NL:GHDHA:2015:2332 en ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020). Het hof acht voorts voldoende duidelijk gemaakt dat [appellant] [gemachtigde] ook als gemachtigde in hoger beroep heeft aangewezen, zodat ook het daarop ziende beroep op niet-ontvankelijkheid van ING niet slaagt. De conclusie is de onderhavige zaak is derhalve dat [appellant] ontvangen kan worden in zijn verzoek(en) in hoger beroep. 3.8.3. De standpunten van [appellant] zijn, op één hierna onder 3.8.5 te noemen inhoudelijk punt na, allemaal van formele aard, in die zin dat ING door vermelding van [appellant] in de registers zich niet zou hebben gehouden aan - met name - de richtlijnen van de Wbp of de voorwaarden van het Protocol. De rechtbank is al op een deel van de door [appellant] aangehaalde artikelen van de Wbp ingegaan en daartegen is door [appellant] niet gegriefd. De relevantie van de overige door [appellant] aangehaalde artikelen van de Wbp is - afgezet tegen de uitvoerige betwisting van ING - niet althans onvoldoende nader toegelicht, nog daargelaten dat hetgeen [appellant] voor het eerst ter zitting van dit hof heeft aangevoerd tardief is. Wat betreft de voorwaarden van het Protocol herhaalt het hof de overwegingen van de rechtbank - waartegen ook niet is gegriefd - dat de regels van het Protocol volgens het Centrum voor Bescherming van Persoonsgegevens en de rechtspraak in overeenstemming zijn met bepalingen van de Wbp, dat ING heeft gesteld aan de bepalingen van het Protocol te hebben voldaan en dat [appellant] dat niet althans - ook in hoger beroep - onvoldoende heeft betwist. Anders dan [appellant] stelt heeft ING wel met redenen omkleed en uitvoerig gemotiveerd uitgelegd te hebben voldaan aan de van toepassing zijnde formaliteiten. Het beroep van [appellant] op artikel 36 Wbp is een gepasseerd station, nu de onderhavige zaak een verzoek ex artikel 46 Wbp betreft en voorts uit de stukken is gebleken dat ING de procedure van artikel 35 en 36 Wbp al heeft doorlopen (zie bijvoorbeeld de hiervoor onder 3.1.2. deels en zakelijk weergegeven brief van ING aan [appellant] van 16 juni 2015, waarin letterlijk staat “Deze reactie dient u te zien als een antwoord in de zin van artikel 36 lid 2 Wbp.”). 3.8.4. Voor zover hetgeen [appellant] ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet heeft te gelden als tardief, overweegt het hof dat ook deze stellingen met betrekking tot de formaliteiten - gelet op de uitvoerige en gemotiveerde betwisting van ING - onvoldoende (nader) zijn onderbouwd en derhalve niet aan de registratie in de weg staan. Ten overvloede overweegt het hof dat ING voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij [appellant] conform de voorwaarden en de doeleinden van het Protocol in de registers heeft opgenomen, met name uit oogpunt van veiligheid en derhalve niet als straf of als machtsmiddel. Voorts heeft ING ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat in de registers enkel de persoonsgegevens van [appellant] (naam, geboortedatum en geslacht) staan vermeld en niet de bijlagen met vennootschappelijke gegevens en civiele overeenkomsten waarop [appellant] doelt. Voorts heeft ING onweersproken gesteld -welke stelling het hof overigens ook onderschrijft- dat een aansprakelijkheidsstelling in privé geen vereiste is voor registratie noch voor de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de Wbp. Over de verwijzing naar artikel 10 van de EU-Verordening van 27 april 2016 (32016R0679; verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten) en artikel 10 lid 12 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, merkt het hof op dat de door [appellant] gestelde invloed van deze artikelen op de onderhavige zaak onvoldoende is onderbouwd en herhaalt het hof voorts de overweging van de rechtbank - waartegen niet is gegriefd - dat de Hoge Raad bij arrest van 29 mei 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH4720) reeds heeft beslist dat voor de verwerking van persoonsgegevens in de onderhavige registers een veroordeling door de strafrechter niet is vereist en er geen sprake is van schending van de door artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie. 3.8.5. Het ook in hoger beroep enkele inhoudelijke standpunt van [appellant] tegen opname in de registraties, inhoudende dat - kort gezegd - in de notariële akte van de aandelenoverdracht als garantie van de verkoper ( [de voormalige bestuurder van de onderneming] / [betrokkene] ) staat vermeld dat de behorende activa van de vennootschap niet bezwaard zijn met het recht van hypotheek of pandrecht, pleit hem niet vrij jegens de ING. Het hof verwijst naar de overwegingen van de rechtbank, welke het hof ook tot de zijne maakt, dat [appellant] in de financiële stukken had kunnen zien dat er wel sprake was van een pandrecht van de ING en dat hij deze garantie aan [de voormalige bestuurder van de onderneming] had kunnen tegenwerpen. De ING staat daar buiten. [appellant] heeft verder - ook in hoger beroep - geen enkele toelichting gegeven over zijn handelen terzake [de onderneming] , bijvoorbeeld waarom [de onderneming] is verkocht zonder met ING in overleg te treden, wat de reden is geweest van de verkoopprijs van € 1,-- en waarom [appellant] de vennootschap heeft gekocht en vervolgens weer heeft doorverkocht aan zijn gefailleerde neef. Nu [appellant] de (zware althans ernstige) verdenking van ING dat hij betrokken is geweest bij de onderhavige fraude niet heeft weerlegd, is er geen grond om de onderhavige registraties ongedaan te maken. Voor verwerking van persoonsgegevens in het Incidentenregister en in het Externe Verwijzingsregister is geen strafrechtelijke veroordeling vereist is. Anderzijds is de enkele verdenking van betrokkenheid bij een strafbaar feit in de zin van een vermoeden van schuld niet voldoende. Er dient sprake te zijn van zodanige concrete feiten en omstandigheden dat zij een als een strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring in de zin van artikel 350 Sv kunnen dragen. Als maatstaf geldt daarvoor dat de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld moeten opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan (Zie Hoge Raad 29 mei 2009 ECLI:NL:HR:2009:BH 4720). Op basis van de door ING gestelde en gelet op al het bovenstaande door [appellant] onvoldoende weersproken gebleven feiten, onder meer inzake gedragingen van [appellant] , oordeelt het hof dat ten aanzien van hem in voldoende mate kan worden aangenomen dat sprake is van een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld ter zake strafbaar, in het bijzonder frauduleus handelen. 3.9. De beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep. 4 De beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen; veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ING op € 718,-- aan griffierecht en op € 1.788,-- aan salaris advocaat; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers - van Vollenhoven, L.Th.L.G. Pellis en J.J. Minnaar en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.