Rechtbank Amsterdam, 08-09-2026 (13-248279-25)
Grieks overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging en de tenuitvoerlegging van vier straffen. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 (zaak Blerens). Tussen- en einduitspraak. Voor zover het EAB ziet op vervolging van de opgeëiste persoon in Griekenland verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering omdat in Griekenland niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Voor zover het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van vier straffen in Griekenland weigert de rechtbank de overlevering ten aanzien van drie vonnissen. Ten aanzien van het vierde vonnis wordt het onderzoek ter zitting heropend en geschorst om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen het met betrekking tot de penitentiaire inrichting in Drama aangenomen algemene gevaar van een vernederende of onmenselijke behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
How it connects
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-248279-25 Datum uitspraak: 8 september 2026 (TUSSEN-)UITSPRAAK op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2025 door the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] (Griekenland) ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [BRP-adres] nu gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang 1.1 De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden – in aanwezigheid van partijen – op de zittingen van 24 december 2025 en 10 maart 2026. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. A. Keulers. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. B.J. Korver (zitting van 24 december 2025) en mr. N. Stegerhoek (zitting van 10 maart 2026), beiden advocaat in Amsterdam en beiden waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, eveneens advocaat in Amsterdam. Bij tussenuitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank besloten om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie ( hierna: Hof van Justitie ) en heeft om die reden het onderzoek heropend en geschorst voor bepaalde tijd tot 29 april 2026. 1.2 De rechtbank heeft vervolgens een prejudiciële vraag in concept aan partijen voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten over de concept-prejudiciële vraag schriftelijk aan de rechtbank mee te delen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten. 1.3 Op 29 april 2026 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek enkelvoudig gesloten en bepaald dat op 6 mei 2026 uitspraak wordt gedaan. 1.4 Bij tussenuitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Tevens heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op het overleveringsverzoek moet beslissen op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder a, OLW met 60 dagen verlengd. 1.5 Bij beschikking van 2 juli 2026 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vraag beantwoord. 1.6 Op 10 juli 2026 is in raadkamer de beslistermijn met 60 dagen verlengd op grond artikel 22, vierde lid, aanhef en onder a, OLW onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 1.7 Ter zitting van 25 augustus 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door een advocaat, mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel, eveneens advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Griekse taal. 1.7 Voor sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op het overleveringsverzoek moet beslissen met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 14 januari 2026 De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 14 januari 2026 reeds is geoordeeld over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van vonnis 1880/21.09.2018 (onder 5.3), de (dubbele) strafbaarheid van de feiten (onder 6) en het gelijkstellingsverweer (onder 7). Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Tussenuitspraak van 24 maart 2026 De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld over de grondslag van het EAB (onder 4) en , de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van de beslissingen 1819/2015, 1747/2017 en 1194/2015 (onder 6). Hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen moet in deze tussenuitspraak als herhaald en ingelast worden beschouwd. 5 Uitvaardigende rechterlijke autoriteit: effectieve rechterlijke bescherming 5.1 Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026, onder punt 5 van de tussenuitspraak van 24 maart 2026 en onder punt 2 van de tussenuitspraak van 6 mei 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. In haar tussenuitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd: Moet artikel 8, eerste lid, onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zo worden uitgelegd, dat niet is voldaan aan de vereisten die inherent zijn aan de effectieve rechterlijke bescherming die een persoon tegen wie met het oog op strafvervolging – en daarnaast met het oog op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen – een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, moet genieten, indien: - het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd door een openbaar aanklager – die kan worden aangemerkt als “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, eerste lid, van dat kaderbesluit maar –, wiens beslissing tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel niet vatbaar is voor rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon, terwijl - dat Europees aanhoudingsbevel – voor zover het ziet op strafvervolging –berust op een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een rechter die bij de uitvaardiging van dat bevel niet de voorwaarden voor uitvaardiging van een EAB en met name de evenredigheid daarvan heeft getoetst en wiens beslissing niet vatbaar is voor een dergelijke rechterlijke toetsing in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van de gezochte persoon? Bij beschikking van 2 juli 2026 heeft het Hof van Justitie de door de rechtbank gestelde vraag als volgt beantwoord: Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een openbaar aanklager die een „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van dit kaderbesluit is, een Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd met het oog op strafvervolging en de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, er voldaan is aan de vereisten die inherent zijn aan de effectieve rechterlijke bescherming die de gezochte persoon moet kunnen genieten, ook al staat er in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering van die persoon geen beroep in rechte open tegen de beslissing van die openbaar aanklager tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel en ook al berust het vervolgingsgedeelte van dat Europees aanhoudingsbevel op een nationaal aanhoudingsbevel dat werd uitgevaardigd door een rechter die geen toetsing van de voorwaarden voor de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel en met name van de evenredigheid ervan heeft verricht en wiens beslissing evenmin vatbaar is voor beroep vóór de overlevering, op voorwaarde dat er in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en met name de evenredigheid ervan worden getoetst. In vervolg op deze beschikking zijn door het Internationaal Rechtshulpcentrum van het parket Amsterdam (hierna: IRC) op 23 juli 2026 vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld: (…) In the reasoned order of 02 July 2026, the Court of Justice of the EU confirmed its previous case law (C-414/20 PPU, EU:C:2021:4 and C-649/19, EU:C:2021:75) and ordered that article 8(1)(c) of Framework Decision 2002/584, read in the light of Article 47 of the Charter, must be interpreted as meaning that, where a European arrest warrant was issued by a prosecutor who is an 'issuing judicial authority', within the meaning of Article 6(1) of that framework decision, for the purposes of conducting a criminal prosecution and executing custodial sentences, the requirements inherent in the effective judicial protection which the requested person must be afforded are satisfied, even though, first, the decision of that prosecutor to issue that European arrest warrant is not subject to review by a court in the issuing Member State prior to the surrender of that person and, second, that European arrest warrant is based, in so far as it was issued for the purposes of conducting a criminal prosecution, on a national arrest warrant issued by a court which did not carry out a review of the conditions for issuing a European arrest warrant, in particular its proportionality, and whose decision is also not subject to review by a court prior to that surrender, provided that, after that surrender, a judicial remedy guaranteeing a review of the conditions for issuing the European arrest warrant, in particular its proportionality, is available in the issuing Member State (C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551, §74). In light of these foregoing considerations and in light of the judgement by the Court of Justice of 13 January 2021 in C 414/20 PPU (MM) (ECLI:EU:C:2021:4, in particular §72 and §73), we would highly appreciate you answer the following questions: 1. After the requested person has been surrendered to Greece, does Greek law and/or procedure provide for a judicial remedy to review the conditions under which a European Arrest Warrant has been issued by the issuing (prosecutorial) authority, in particular its proportionality? (ECLI:EU:C:2021:4, §72). At which procedural moments, after the actual surrender, is it possible to challenge before a judge the validity of the EAW issued by the prosecutor? 2. While hearing an application challenging the lawfulness of the continued pre-trial detention of a person surrendered pursuant to a European Arrest Warrant, is the Greek court competent, under Greek law and/or procedure, to review the validity of that European Arrest Warrant issued by the prosecutor? (ECLI:EU:C:2021:4, §73). 3. After the actual surrender, is it possible, under Greek law and/or procedure, that a successful challenge before the judge of the necessity of pre-trial detention, will result in the annulment of the EAW issued by the prosecutor? (…) Op 3 augustus 2026 heeft de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep van Thessaloniki hierop als volgt geantwoord (voor zover van belang weergegeven): (…) Volgens het Griekse recht bestaat, nadat de opgeëiste persoon aan Griekenland is overgeleverd, geen rechtsmiddel meer waarmee het Europees aanhoudingsbevel kan worden aangevochten. Het Europees aanhoudingsbevel wordt immers geacht met de feitelijke overlevering volledig ten uitvoer te zijn gelegd. Vanaf dat moment berust de vrijheidsbeneming uitsluitend op de nationale rechterlijke titel, te weten een nationaal aanhoudingsbevel of een rechterlijke beslissing. De opgeëiste persoon kan die nationale rechterlijke titel evenwel rechtstreeks aanvechten teneinde zijn invrijheidstelling te verkrijgen. In dat kader kan hij tevens verzoeken om schorsing van de voorlopige hechtenis dan wel om onmiddellijke invrijheidstelling. Het Griekse recht voorziet voor dergelijke gevallen in een stelsel van rechtsmiddelen en procedurele waarborgen op grond waarvan de opgeëiste persoon, dan wel de verdachte, de nationale rechterlijke titel rechtstreeks kan aanvechten. Indien een dergelijk rechtsmiddel door de bevoegde rechter of de bevoegde rechterlijke raad gegrond wordt verklaard, wordt betrokkene in vrijheid gesteld. Bij wijze van voorbeeld geldt dat, indien de overlevering heeft plaatsgevonden op grond van een nationaal aanhoudingsbevel, de opgeëiste persoon kan verzoeken om opheffing van dat aanhoudingsbevel dan wel om vervanging daarvan door minder ingrijpende voorwaarden. Indien dat verzoek wordt toegewezen, wordt hij in vrijheid gesteld. (…) 5.2 Standpunten van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat in het licht van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vraag alsmede de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit op de daarna door het IRC gestelde vragen, de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon in Griekenland. Er is geen sprake van een effectieve rechtsbescherming, nu in deze zaak de evenredigheid niet getoetst is voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB. Uit de door Griekenland aangeleverde informatie blijkt dat er ook geen mogelijkheid is om na de feitelijke overlevering de evenredigheid in rechte te laten toetsen. 5.3 Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft betoogd dat de overlevering van de opgeëiste persoon ten behoeve van vervolging in Griekenland kan worden toegestaan. Zij heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. Aangezien in de onderhavige zaak het nationale aanhoudingsbevel door een rechter is uitgevaardigd, kan de rechterlijke toets van het uitvaardigen van het EAB ná de feitelijke overlevering plaatsvinden zonder dat dit afbreuk doet aan de waarborgen van effectieve rechterlijke bescherming. De voorwaarde die het Hof van Justitie aan deze constructie verbindt is “ dat er in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en met name de evenredigheid ervan worden getoetst .” Het criterium is dat de voorwaarden en evenredigheid aan een rechterlijke toetsing moeten kunnen onderworpen, zo blijkt uit het arrest MM , punt 69. Bij uitspraak van 16 november 2022 heeft de rechtbank Amsterdam al stilgestaan bij de vraag of deze rechterlijke toets in Griekenland mogelijk is, waarbij ook wordt verwezen naar het arrest MM . De conclusie van de rechtbank hield in dat er was voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank ging er in die uitspraak van uit dat de opgeëiste persoon zich na zijn overlevering ter terechtzitting zou kunnen beroepen op de eventuele onrechtmatigheid van de beslissing tot uitvaardiging van het EAB en dat de betreffende zittingsrechter zich daarover zou buigen en dat, als er toch van zou worden uitgegaan dat het Griekse recht in geen enkele mogelijkheid voorziet om de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB bij de rechter te betwisten, Griekenland op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( hierna: Handvest ) verplicht is om te voorzien in een daadwerkelijke voorziening in rechte ten aanzien van dit punt. Om die reden ging de rechtbank er van uit dat de opgeëiste persoon na zijn eventuele overlevering zijn voorlopige hechtenis in Griekenland zou kunnen betwisten bij een rechter. Bij die rechter zou de opgeëiste persoon dan ook zijn eventuele bezwaren tegen de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB kunnen aanvoeren, nu deze rechter op grond van het Unierecht gehouden is om de rechtmatigheid van het EAB te toetsen. Op die manier was naar het oordeel van de rechtbank voorzien in effectieve rechterlijke bescherming tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB. De rechtbank heeft dus al een beslissing genomen over de vraag of in Griekenland is voldaan aan de effectieve rechterlijke bescherming door middel van een rechterlijke toets ná de feitelijke overlevering. De beschikking van het Hof van Justitie in de zaak Blerens maakt niet dat die overweging geen stand meer houdt. De Griekse autoriteiten hebben desgevraagd laten weten dat er na de overlevering geen zelfstandig rechtsmiddel bestaat in het Griekse recht om specifiek het uitvaardigen van een EAB aan te vechten, omdat het EAB dan al ten uitvoer is gelegd. Een afzonderlijke beroepsmogelijkheid om de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB en de evenredigheid ervan te laten toetsen door een rechterlijke instantie is blijken het arrest MM ook niet vereist. De opgeëiste persoon heeft echter wel de mogelijkheid om na overlevering het nationale aanhoudingsbevel aan te vechten, dat de grondslag voor het uitvaardigen van het EAB is geweest. Deze mogelijkheid, in samenhang gelezen met het eerdere oordeel van de IRK van 16 november 2022 en het arrest MM (punten 72 - 74), waarin verwezen wordt naar de verplichting die voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest, maakt dat na overlevering aan Griekenland voor de opgeëiste persoon de mogelijkheid bestaat om het door een officier van justitie uitgevaardigde EAB te laten toetsen door een rechter. Daarmee is voldaan aan het vereiste van de effectieve rechterlijke bescherming. Artikel 2 OLW staat dus niet in de weg aan de overlevering. 5.4 Oordeel van de rechtbank In de onderhavige zaak is het EAB uitgevaardigd door een Griekse openbaar aanklager die als uitvaardigende rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan worden aangemerkt. Aan dit EAB ligt, voor zover het strekt tot vervolging, een nationaal aanhoudingsbevel ten grondslag dat is uitgevaardigd door een Griekse onderzoeksrechter. Navraag heeft uitgewezen dat de onderzoeksrechter niet heeft getoetst of de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel zijn vervuld en met name of dat bevel evenredig is. De voorliggende vraag is daarom of de beslissing van de Griekse openbaar aanklager om een EAB uit te vaardigen, voor zover dat strekt tot strafvervolging, in Griekenland het voorwerp kan uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de voorwaarden die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming. De officier van justitie heeft betoogd dat deze vraag bevestigend worden beantwoord omdat er ten eerste geen afzonderlijke beroepsmogelijkheid vereist is om de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en de evenredigheid ervan te laten toetsen door een rechterlijke instantie en, ten tweede, de rechtbank reeds in 2022 heeft geoordeeld dat in Griekenland de mogelijkheid bestaat voor de opgeëiste persoon om de uitvaardiging van het EAB door de officier van justitie te laten toetsen door een rechter en daarmee is voldaan aan het vereiste van de effectieve rechterlijke bescherming Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval. Zij legt dit als volgt uit. Het Hof van Justitie heeft in antwoord op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vraag (kort gezegd) geoordeeld dat ook als de voorwaarden waaronder een EAB dat door een rechterlijke autoriteit niet zijnde een rechter is uitgevaardigd pas ná overlevering van een opgeëiste persoon aan de uitvaardigende lidstaat aan een rechterlijke toetsing kunnen worden onderworpen, is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest MM noch uit de beschikking in de zaak Blerens voortvloeit dat er een afzonderlijke beroepsmogelijkheid zou moeten bestaan die specifiek ziet op toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB door een rechterlijke autoriteit, niet zijnde een rechter. De rechtbank leidt dit onder meer af uit punt 60 in de beschikking in de zaak Blerens waarin het Hof van Justitie onder verwijzing naar het arrest MM oordeelt dat uit die rechtspraak volgt dat het “noodzakelijk is dat de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel en met name de evenredigheid daarvan rechterlijk kunnen worden getoetst in de uitvaardigende lidstaat”. Het Hof van Justitie laat zich niet uit over de wijze waarop deze rechterlijke toetsing kan plaatsvinden, naar ook blijkt uit zijn arrest van 12 december 2017 waarin onder punt 65 is geoordeeld dat het openstellen van een afzonderlijk recht op beroep tegen de door een andere rechterlijke autoriteit dan een rechter genomen beslissing om een EAB uit te vaardigen, in dit opzicht slechts een van de mogelijkheden vormt. Dat laat echter onverlet dat voor een opgeëiste persoon de mogelijkheid moet bestaan om de voorwaarden voor uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid van het bevel, door een rechter te laten toetsen. Dit volgt uit de zinsnede “mits in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering beroep in rechte mogelijk is waarbij de voorwaarden voor de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, met name de evenredigheid ervan, worden getoetst”. Op 23 juli 2026 heeft het IRC hieromtrent onder verwijzing naar Blerens en MM (ook voor wat betreft de verplichtingen die uit artikel 47 Handvest voortvloeien) expliciet navraag gedaan en het antwoord luidt dat naar Griekse recht geen rechtsmiddel bestaat waarmee het EAB kan worden aangevochten nadat de opgeëiste persoon aan Griekenland is overgeleverd, omdat het EAB met de feitelijke overlevering volledig ten uitvoer is gelegd. Uit de omstandigheid dat het voor een opgeëiste persoon wel mogelijk is om na overlevering het nationale aanhoudingsbevel op grond waarvan hij is gedetineerd aan te vechten en op die manier zijn invrijheidsstelling te bewerkstelligen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat tijdens die procedure tevens kan worden getoetst of de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB zijn vervuld, met name of dat bevel evenredig is. De vraagstelling van het IRC bevatte expliciet de vraag of dit mogelijk is, maar de desbetreffende vragen 2 en 3 zijn in dat opzicht niet beantwoord. De enkele omstandigheid dat het aanvechten van het nationale aanhoudingsbevel zou kunnen leiden tot opheffing of schorsing van de preventieve hechtenis, kan niet worden gelijkgesteld met een toetsing van de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid hiervan. Voor wat betreft het standpunt van de officier van justitie dat de rechtbank in haar uitspraak van 16 november 2022 al heeft beslist dat in Griekenland is voldaan aan de effectieve rechterlijke bescherming door middel van een rechterlijke toets ná feitelijke overlevering, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank oordeelde in die uitspraak dat was voorzien in effectieve rechterlijke bescherming tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB. De rechtbank ging er namelijk van uit dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid had om zich ná overlevering ter terechtzitting in zijn strafzaak te beroepen op de eventuele onrechtmatigheid van de beslissing tot uitvaardiging van het EAB dan wel, indien die lezing niet werd gevolgd, dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Griekenland zijn voorlopige hechtenis aldaar zou kunnen betwisten bij een rechter. Daarbij zou hij dan ook zijn eventuele bezwaren tegen de rechtmatigheid van de uitvaardiging van het EAB kunnen aanvoeren, omdat deze rechter op grond van het Unierecht gehouden is om de rechtmatigheid van het EAB te toetsen. Uit de door de uitvaardigende justitiële autoriteit in deze zaak verstrekte informatie blijkt dit echter niet. Integendeel, met de feitelijke overlevering is het EAB volledig ten uitvoer gelegd en bestaat naar Grieks recht geen rechtsmiddel meer waarmee het EAB kan worden aangevochten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er thans geen grondslag is voor de lezing dat gedurende de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon de voorwaarden voor de uitvaardiging van het EAB, met name de evenredigheid ervan, kunnen worden getoetst. Dat geldt eveneens voor de aanname dat deze toetsing zou kunnen plaatsvinden in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis, ook al ontleent de betrokkene volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie aan artikel 47 Handvest het recht dat de rechter in het kader van een dergelijke procedure zijn beroep op de rechtmatigheid van het EAB incidenteel toetst. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB voor zover het EAB strekt tot vervolging. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden 6.1 Inleiding Hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraken van 14 januari 2026 en 24 maart 2026 over artikel 11 OLW in relatie tot de detentieomstandigheden heeft overwogen, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Op 23 juli 2026 heeft het IRC de volgende vragen gesteld: (…) In light of the information provided by your authorities on 2 December 2025 and 21 January 2026, indicating that Mr. [de opgeëiste persoon] would be detained in the Drama Penitentiary following his surrender to Greece, I would greatly appreciate it if you could provide answers to the following questions: 1. What is the current occupancy rate of the Drama Penitentiary? Furthermore, what is the specific, current occupancy rate in the particular ward or prison-section in which Mr. [de opgeëiste persoon] is most likely to be detained following his surrender to Greece? 2. How much personal space (excluding sanitary facilities) do detainees in the Drama Penitentiary, have at their disposal in single-occupancy cells and multi-occupancy cells, respectively, in the different wards of the facility? Are the sanitary facilities in the cells adequately separated or partitioned to ensure sufficient privacy? 3. If the available personal space amounts between 3 m² and 4 m² excluding sanitary facilities, I would like to request you to answer the following questions regarding the Drama Penitentiary as well (in light of the Dorobantu-judgement, ECLI:EU:C:2019:857, paragraph 75): a. How many hours per day do detainees spend in their cells? b. What opportunities do detainees have for outdoor exercise, work, sports, education, and other activities outside their cells? c. Are these opportunities, as meant in question 3b, accessible to all detainees? d. How many hours per day can detainees participate in these activities, assuming they choose to take part in the available options? e. Does the Chios [ de rechtbank begrijpt: Drama ] Penitentiary generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions? 4. If the detainees in Drama Penitentiary have less than 3 m2 of personal space excluding sanitary facilities, keeping in mind the judgement of the Court of Justice of the European Union ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu, para. 73), please also answer the following questions: a. Are these reductions in the required minimum personal space of 3 m2 short, occasional and minor? b. Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities? c. Does the Drama Penitentiary generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions? 5. Do all detainees at the Drama Penitentiary have access to their own bed, including a mattress and bedding? 6. Could you provide an overview of the current situation regarding the maintenance and hygiene of cells and communal areas at the Drama Penitentiary, and could you give an overview of the measures that have yet been taken and their effectiveness? 7. How many doctors and nurses are employed at the Drama Penitentiary? 8. The court has taken note of the response provided by the Greek authorities to the report of 30 January 2026, following the findings set out in the CPT report of 4 March 2026 concerning conditions in Greek detention facilities. The court understands from this response that the Greek authorities have announced measures and has paid particular attention to the measures relating to: a. Overcrowding; b. interpersonal violence among detainees; c. the culture of impunity; d. the significant influence of power groups; e. the lack of supervision and staffing; f. the shortage of medical personnel; g. the absence of complaint procedures for detainees. Op 4 augustus 2026 heeft the Head of Directorate of the Drama Correctional Facility de volgende antwoorden verstrekt: (…) Facility Premises The total area where the property is located measures 98,467.00 sq.m. The built-up spaces of the facility cover 14,853.78 sq.m. and include: Five independent wings with a capacity of 120 inmates each, except for one wing with a capacity of 117 inmates which features an accessible cell for people with disabilities (PWD). The total capacity of the facility is 597 inmates. Each wing is divided into two sub-wings. In each wing, there are 40 detention wards, each housing three inmates. Each cell measures 11.75 sq.m. and has a capacity of 3 inmates (3 beds). Inside the cell, there is an enclosed space with a shower, sink, and toilet. All cells are equipped with adequate lighting. Ten inmate recreation areas (courtyards), meaning two in each wing. Each courtyard has an area of 90.00 sq.m. A church with an area of 113.15 sq.m. An event hall with an area of 400.00 sq.m. A craft/industrial building with an area of 543.00 sq.m., consisting of two floors. Administration Building. The administration building has a total area of 1,100.00 sq.m. and houses the administration offices, medical clinics (general medicine, dental clinic, examination rooms, infirmary), inmate reception area, two wards for newcomers, the kitchens, and plumbing, electronic, and electrical equipment. Facility Security lnternal: lnternally, guarding and general surveillance of inmates regarding the maintenance of order and discipline in the Facility is carried out by the serving guard staff, in accordance with the internal regulations, the correctional code, and applicable provisions. Guarding and surveillance of inmates are enhanced by the operation of an electronic monitoring system (closed-circuit television) and security. Within the facility, there are technical means that contribute to the detection and prevention of illegal actions. Specifically, there are 400 security cameras, which record all areas of the facility and store data for a period of one month. All doors of the facility are controlled from the control room via 850 electronic locks. lnfrared beams and barbed wire are installed around the perimeter of the detention areas. All of the above electronic systems are monitored from the control room, located in the administration building area. Furthermore, from the same location and via the Basic Management System, almost all electrical-plumbing systems of the facility are controlled, such as the heating, cooling, and lighting of the building. The aforementioned room is manned 24 hours a day, 365 days a year, by at least one officer from the guarding branch. In addition to central control via the computer in the control room, there are computers at the guard stations in all wings of the facility. The wing guard officer has control over the inmates' ward doors through this computer. There is also a backup manual door control system. Additionally, the station guard officer has visual control over the entire wing via the closed-circuit system available in the wing. Random searches are conducted by the guarding personnel in all areas of the facility. Periodically, detention spaces are inspected by the drug enforcement unit of the Drama Security Directorate using a trained dog (K9) to detect the presence of narcotics. Upon the initial admission of inmates to the Facility, or following transfers or leaves, urine tests are conducted to detect drug use and, when there are relevant indications, radiological examinations are performed to diagnose and prevent the introduction of drugs into the facility. Two baggage inspection devices (x-ray) are installed in the Facility; one is located at the guardhouse (for checking visitors, clothes, and parcels intended for inmates), and the second is in the inmate search area for inspecting the luggage of incoming inmates. Magnetic gates are located at the guardhouse area and the inmate search area for detecting metallic objects. External: Eleven guard towers are situated on and around the perimeter of the facility's external wall. Of these, four are manned due to insufficient personnel in the external guard force. The total perimeter of the external wall is 700 meters, and the guard towers are spaced 50 meters apart. In the external guard force building, there is a monitor displaying feeds from five dome cameras mounted on the guard towers (currently only two are functional). No recording device has been provisioned to store these images. Furthermore, the feed from these cameras is not transmitted to the control room inside the facility. Our facility possesses two vehicles for transporting inmates. A smoke detection system is present in almost all areas of the facility, along with a fire safety system in the kitchen and boiler room areas. Water pumps, fire extinguishers, and fire safety boxes are also distributed at specific points throughout the facility. An emergency bell is available in all inmate wards; pressing it triggers an audible signal in the control room and at the wing guard's station. A fire alarm button and an internal telephone are located in the spaces where the wing guards are stationed. An intercom system with two base stations is available for staff use. For the smooth operation, control, and repair of all the above and the building as a whole, four employees are assigned to the technical department. Facility Cooling / Heating Central heating with radiators is available in all detention and common areas of the facility, and fan coils (air) are used in the administration building areas. Heating oil is the fuel utilized for heating. In the detention spaces, natural airflow is achieved through the cell windows and ventilation located on the ceilings of the common and recreation areas in the wings. Inmate Health and Care Regarding proper medical examination and care of inmates during the year 2025, there are five (5) visiting physicians on a weekly basis under contract, following over 2,000 medical examinations during 2024 and early 2025. Additionally, the human resources of the Drama Correctional Facility include six (6) nurses, four (4) of whom hold TE-DE-YE nursing qualifications, and two (2) are from the DE-Correctional Guarding branch assisting as nurses by daily order, as well as a dentist. Beyond the above, medical care for inmates is carried out through regular and emergency transfers of inmates to the General Hospital of Drama. Cleanliness The personal cleanliness of inmates is maintained via the showers available in each ward, through the laundry facilities where sheets and bedding are sanitized, and through the distribution of relevant cleaning mate ria Is by the administration. Inmates have access to hot water daily; during winter, this is available once a day for approximately two hours (when the radiators are operating). Cleaning and personal hygiene items are provided to indigent inmates by our administration (charity fund), while others have the opportunity to purchase them from the facility's grocery shop. General cleanliness of the facility is carried out by inmate cleaners, who work under beneficial sentence-reduction calculations for their days of labor. Inside the inmates' cells, cleanliness is maintained by the inmates themselves on a rotational basis. From the commencement of the facility's operation until today, Article 15 paragraph 10 of the internal operating regulations (deratization - pest control) has been implemented. Entertainment / Physical Exercise A television set is available in each ward. Its operating schedule is unrestricted. Large televisions are also located in the recreation areas of each sub-wing and operate during the hours inmates are present there. Through these receivers, inmates have the opportunity to watch bath national and local television channels. Basketball hoops are installed in the facility's courtyards. Furthermore, the Administration has provided every possible facilitation for inmates to engage in sports activities, while those interested have the opportunity to read newspapers, magazines, and books from the facility's library. Inmates are given the option to purchase newspapers and magazines. Visitation Rooms The Facility features visitation spaces corresponding to the number of wings, i.e., five. Separate visitation spaces exist in each wing for visitors and for the inmates' legal counsel. Closed (booth) and open visitation areas are also provided. Visiting hours for relatives take place on Tuesdays and Thursdays from 9:00 a.m. to 11:00 a.m. and from 15:00 p.m. to 17:00 p.m. Visits by legal counsel take place on Mondays, Wednesdays, and Fridays, also from 9:00 a.m. o 11:00 a.m. and from 15:00 p.m. to 17:00 p.m. On Saturdays, visits by minor relatives of inmates take place from 9:00 a.m. to 11:00 a.m. in a specially designated space. Telephone Communication Inmates' telephone communication is conducted via card phones (O.T.E.), with eight (8) available in each wing, totaling sixty-two (62) across all areas of the Correctional Facility. The cost of purchasing cards is borne by the inmates themselves. Under the responsibility of the social service, phone cards are provided to indigent inmates to communicate with their families. The cost is covered by the poor fund. Inmate Catering/ Nutrition All inmates have continuous access to potable water at the Drama C.F. Food is provided to all inmates three times a day. In addition, when required, a special dietary menu is administered to sick inmates and inmates of different religions. From the start of the Facility's operation, and despite personnel shortages, the administration considered the operation of coffee shops in each sub-wing and the grocery store with as many items as possible for the inmates to be exceptionally important. Furthermore, a grocery store operates and provides inmates with 700 types of products, including packaged food, snacks, soft drinks, personal hygiene items, etc. Labor Inmates have the opportunity to be employed in various tasks, with a beneficial calculation of their working days, such as: cleaners, cooks, painters, plumbers, barbers, electricians, etc. The total number of job positions is 388. At the current stage, all the aforementioned job positions are filled. Throughout the year, workers were assigned to job positions by the Facility's Labor Board under strictly absolute priority. Education / Counseling Private middle school and high school education operates within our facility, as well as vocational training through specific programs. Furthermore, a lending library operates containing 2,500 books and publications, which were gathered through donations from social entities and private individuals, and are available for the educational and recreational needs of the inmates. Finally, specialties of social worker (4), psychologist (2), sociologist (3), and criminologist (2) are available to support the inmates towards the correct and quality serving of their sentence. Religious Education The religious education of the inmates du ring the year was highly satisfactory. A Christian Orthodox church operates within the facility. Church services for the inmates take place every Thursday with priestly personnel from the Holy Metropolis of Drama. Following permission from the Facility's Board as provided in the internal regulations, visits from other religious organizations were approved after relevant requests by the inmates. Finally, every possible facilitation is provided to all inmates who wish to practice their religious duties within the facility. Finally, we report to you that today, 04-08-2026, the Drama C.F. operates at an overcrowding rate of 146%, with the number of inmates reaching 870, while only 598 positions are provisioned. Many of those transferred to our Facility have been deemed exceptionally dangerous and have also been convicted of heinous crimes. With the ultimate goal of maintaining the smooth operation of the Facility and public safety, a corresponding increase in the Facility's personnel across all departments would be necessary, or otherwise, the decongestion of the inmate population and its restoration to the predicted population limit. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit, naar aanleiding van de aanvullende informatie, dat een algemeen gevaar kan worden aangenomen alsmede een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. Er is geen reden om te veronderstellen dat het individuele gevaar in de toekomst kan worden weggenomen, nu uit de informatie blijkt dat in de penitentiaire inrichting in Drama de bezettingsgraad 146 % is. Een garantie met betrekking tot de hoeveelheid vierkante meter personal space waarover de opgeëiste persoon zal kunnen beschikken ontbreekt volledig. Daarnaast blijkt uit het rapport van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment ( hierna: CPT ) uit 2026, dat de detentieomstandigheden in Griekse detentie-instellingen pas substantieel worden aangepakt in 2030. Het voorgaande in samenhang bezien leidt tot de conclusie dat het niet in de rede ligt dat verandering zullen plaatsvinden. Daarom wordt verzocht om ingevolge artikel 11 OLW geen gevolg aan het overleveringsverzoek te geven. 6.3. Standpunt van het openbaar ministerie De officier van justitie heeft aangevoerd dat, ondanks dat de Griekse autoriteiten desgevraagd nadere informatie hebben verstrekt omtrent de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting in Drama, op dit moment nog onvoldoende informatie voorhanden is om de detentieomstandigheden te beoordelen. In een situatie waarin sprake is van een normale bezettingsgraad, volgt uit de verstrekte informatie dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Drama in een driepersoonscel de beschikking hebben over 3,92 m² persoonlijke ruimte inclusief sanitair (namelijk 11,75 m² verdeeld over drie gedetineerden). Het is dan ook nog onduidelijk hoeveel individuele ruimte een gedetineerde heeft exclusief het sanitair. Daarnaast is er momenteel sprake is van een bezettingsgraad van 146%, wat uiteraard een negatieve impact heeft op de hoeveelheid persoonlijke ruimte van gedetineerden. Hierover moet nadere informatie worden opgevraagd en daarom wordt verzocht om een tussenuitspraak te wijzen en concrete vragen te formuleren voor de Griekse autoriteiten. 6.4 Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt allereerst vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft verklaard dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst in de detentie-instelling in Drama. In het licht van het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten en gelet op met name de termijnen die de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 17 van Kaderbesluit 2002/584 zijn opgelegd voor de vaststelling van de definitieve beslissing tot uitvoering van een EAB, is de uitvoerende rechterlijke autoriteit alleen verplicht de detentieomstandigheden te onderzoeken in de detentie-instellingen waar, volgens de informatie waarover zij beschikt, de opgeëiste persoon volgens een concreet voornemen zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis. Nu uit de verstrekte informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in Drama zal worden gedetineerd, zal de rechtbank zich beperken tot die detentie-instelling. De rechtbank heeft kennisgenomen van de zorgen die uit het rapport van het CPT van 4 maart 2026 blijken. In dit rapport worden zorgen geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van gedetineerden in Griekse detentie-instellingen in het algemeen. Tijdens het CPT-bezoek in januari 2025 zijn de volgende gevangenissen bezocht en onderzocht: Alikarnassos Prison (Heraklion), Chalkida Prison, Chania Prison, Korydallos I Prison Complex in Athene, Korydallos II Women’s Prison (Athene), Malandrino Prison, Nafplio Prison, Patras Prison en Eleonas Women’s Prison (Thiva). Hoewel de gevangenis in Drama niet door het CPT is bezocht, gaat de rechtbank ervan uit dat de in het rapport beschreven algemene bevindingen en tekortkomingen in de gevangenissen ook op deze instelling van toepassing kunnen zijn. Dit gelet op de door het CPT gehanteerde formuleringen en de door het CPT geuite zorgen over de structurele aard van de problemen, zoals hieronder wordt toegelicht. Het CPT-rapport signaleert onder andere dat ondanks beperkte beleidsmaatregelen de Griekse gevangenissen blijven kampen met structurele problemen die de levensomstandigheden van gedetineerden negatief beïnvloeden. Chronische overbevolking en een ernstig personeelstekort ondermijnen de veiligheid, het toezicht en het voorkómen van geweld binnen de instellingen. Hierdoor is er sprake van onveilige situaties door interne machtsstructuren, interpersoonlijk geweld onder gedetineerden en een cultuur van straffeloosheid. Materiële omstandigheden zijn vaak slecht, met verouderde, onhygiënische cellen en onvoldoende basisvoorzieningen. De gezondheidszorg is onderbemand en ontoereikend, met name voor kwetsbare groepen zoals ouderen en mensen met een beperking. Ook is er sprake van onvoldoende aanbod van educatieve, arbeids- en recreatieve activiteiten voor alle gedetineerden. Het rapport benadrukt dat deze problemen om een integrale en dringende hervorming van het gevangenissysteem vragen. Op basis van de op dit moment voorhanden zijnde, hiervoor geciteerde, informatie over de penitentiaire inrichting, komt de rechtbank tot het aannemen van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest voor gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Drama. Het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar ziet in de eerste plaats op het feit dat sprake is van een reëel gevaar dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Drama in een meerpersoonscel in het algemeen over minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte kunnen beschikken, nu de gedetineerden met zijn drieën in een meerpersoonscel van 11,75 m² (inclusief sanitair) zijn gedetineerd en de bezettingsgraad 146% is. De rechtbank beschikt niet over gegevens betreffende compenserende factoren, nu de vragen 4.a tot en met c niet zijn beantwoord. Het algemene gevaar ziet daarnaast op de aspecten waarover door het IRC vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn gesteld, maar die, met uitzondering van de vragen 5 tot en met 7, niet of onvolledig zijn beantwoord. Zo is onder meer geen antwoord gegeven op de vraag in welke ward of prison section de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst en is ook de vraag naar hoeveel m² (exclusief sanitair) gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Drama in de verschillende wards of prison sections tot hun beschikking hebben niet beantwoord. Niet duidelijk is geworden hoeveel uren per dag gedetineerden in hun cel moeten doorbrengen en ook vraag 8 a tot en met 9 zijn niet beantwoord. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in de penitentiaire inrichting in Drama, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in deze detentie-instelling, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Griekenland een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in de penitentiaire inrichting in Drama waar hij zal worden gedetineerd. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om na te gaan of voor de opgeëiste persoon dit algemene gevaar door een individuele garantie kan worden weggenomen. Verlenging van de beslistermijn Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW zal zij de beslistermijn met dertig dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. 7 Slotsom Voor zover het EAB ziet op vervolging van de opgeëiste persoon in Griekenland Nu niet is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB voor zover het EAB strekt tot vervolging van de opgeëiste persoon. Voor zover het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van vier vrijheidsstraffen in Griekenland De rechtbank stelt, onder verwijzing naar de overwegingen op dit punt in de tussenuitspraak van 24 maart 2026, vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van de beslissingen met zaaknummers 1819/2015, 1747/2017 en 1194/2015. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd voor die beslissingen. Ten aanzien van de beslissing met zaaknummer 1880/2018 zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen om te onderzoeken of het ten aanzien van de penitentiaire inrichting in Drama aangenomen algemene gevaar voor de opgeëiste persoon door een individuele garantie kan worden weggenomen 8 Beslissing Voor zover het EAB ziet op vervolging van de opgeëiste persoon in Griekenland VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. Voor zover het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van vier vrijheidsstraffen in Griekenland WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) met betrekking tot de beslissingen met zaaknummers 1819/2015, 1747/2017 en 1194/2015 van het EAB; HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de in beslissing met zaaknummer 1880/2018 opgelegde vrijheidsstraf in de gelegenheid te stellen na te gaan of voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar door een individuele garantie kan worden weggenomen; VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen , onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW; BEPAALT dat de zaak in de periode van 22 september 2026 tot uiterlijk 6 oktober 2026 (zijnde veertien dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 21 oktober 2026) weer op zitting wordt gepland; BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman; BEVEELT de oproeping van een tolk in de Griekse taal. Deze (tussen-)uitspraak is gedaan door mr. I. Verstraeten, voorzitter, mr. L. Baroud en mr J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 september 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie voor het procesverloop verder de tussenuitspraak van 24 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3157. ECLI:NL:RBAMS:2026:6385. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). ECLI:NL:RBAMS:2026:122. ECLI:NL:RBAMS:2026:3157. HvJ EU 13 januari 2021, C-414/20 PPU, ECLI:EU:C:2021:4 ( MM ). Rb. Amsterdam 16 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6696. HvJ EU 12 december 2019, gevoegde zaken C-566/19 & C-626/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:1077 ( Parquet général du Grand-Duché de Luxembourg en Openbaar Ministerie (Officier van Justitie van Lyon en van Tours) ). HvJ EU 25 juli 2018, C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589 (Generalstaatsanwaltschaft Bremen (Detentieomstandigheden in Hongarije)), punt 87. PT/Inf(2026)09. Het rapport is gepubliceerd naar aanleiding van een periodic visit in januari 2025. Zie ook Rb. Amsterdam 15 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7211. Zie onder meer Rb. Amsterdam 5 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1995 en Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630.