Rechtbank Amsterdam, 02-12-2024 (AMS 24/3063)
Wpg-verzoek n.a.v. een aanhouding waarbij volgens eiser excessief geweld is gebruikt. De korpschef heeft dit verzoek afgewezen met toepassing van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of tenuitvoerlegging van straffen. De rechtbank stelt vast dat de korpschef de afwijzing slechts in algemene termen heeft gemotiveerd door te stellen dat eiser verdachte is in een lopende strafzaak. De rechtbank ziet zonder nadere motivering niet dat de strafzaak wordt geschaad door inzage in bijvoorbeeld gegevens over de subsidiariteit en proportionaliteit van alle toegepaste (gewelds)handelingen, alle gegevens van het verzoek om een ambulance tijdens het incident waarvan eiser inzage verzocht en (delen van) de opnames van bodycams. Naast de noodzaak is ook de evenredigheid van de afwijzing niet gemotiveerd onderbouwd. Dit moet per onderdeel van de politiegegevens worden gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de motivering voor de weigering van inzage in deze politiegegevens van eiser daarom te kort schiet.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/3063 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2024 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Frederiksen), en de korpschef van politie, verweerder. (gemachtigde: mr. P.M.L. van der Schot-Schröder). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn inzageverzoek bij de korpschef van politie. 1.1. De korpschef heeft dit verzoek met het besluit van 11 juni 2024 (het bestreden besluit) afgewezen. 1.2. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef, bijgestaan door mr. S. Filali. Totstandkoming van het bestreden besluit 2. Op 8 december 2023 is eiser in zijn woning aangehouden door de politie vanwege een verdenking van mishandeling en bedreiging. Bij deze aanhouding werd volgens eiser excessief politiegeweld gebruikt, waaraan hij zowel fysieke als psychologische problemen heeft overgehouden. Eiser stelt daarbij dat hem medische zorg is onthouden en het toedienen van medicatie is geweigerd. 2.1. Naar aanleiding van dit incident heeft eiser op 16 maart 2024 bij de korpschef verzocht om ‘inzage in en waar mogelijk een afschrift van’ zijn gegevens (het inzageverzoek). Het ging eiser daarbij om: de melding die bij de politie is gedaan, de identiteit van de melder, de exacte bewoordingen van de melding, de notities van de meldkamer, de geluidsopname van de melding en alle beschikbare gegevens daaromtrent; de instructies aan de politieagenten naar aanleiding van deze melding en alle beschikbare gegevens daaromtrent; alle notities, waarnemingen, verslagen e.d. van de politieagenten die ter plaatse (…) kwamen en alle beschikbare gegevens daaromtrent; e waarnemingen van de politieagenten over lichamelijk letsel; de opnames van de bodycams van alle politieagenten die ter plaatse waren; alle verslagen die betrekking hebben op verantwoording van de subsidiariteit en proportionaliteit waar het gaat om alle toegepaste (gewelds)handelingen, mede in het kader van de ambtsinstructies; gegevens en/of verslagen van het verzoek om een ambulance bij het vervoer van de verdachte en alle beschikbare gegevens daaromtrent.’ 2.2. De korpschef heeft eiser bij brief van 23 april 2024 laten weten dat het niet mogelijk is om binnen de beslistermijn van zes weken op eisers inzageverzoek te beslissen en de beslistermijn te verlengen met zes weken. 2.3. Eiser heeft vervolgens de korpschef op 8 mei 2024 in gebreke gesteld, omdat niet binnen zes weken op het inzageverzoek was beslist. Bij besluit van 15 mei 2024 heeft de korpschef deze ingebrekestelling onder verwijzing naar de brief van 23 april 2024 afgewezen, omdat deze prematuur was. 2.4. Op 3 juni 2024 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door de korpschef op het inzageverzoek. In zijn beroepschrift heeft eiser onder meer aangegeven nimmer een brief van de korpschef te hebben ontvangen over de verdaging van de beslistermijn. 2.5. De korpschef heeft op 11 juni 2024 met het bestreden besluit het inzageverzoek afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg, ter vermijding van nadelige gevolgen voor de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten. Omdat sprake is van een strafrechtelijk onderzoek waarbij eiser als verdachte is aangemerkt, de zaak nog door het Openbaar Ministerie moet worden behandeld en er nog geen sprake is van een onherroepelijke uitspraak, kan de vervolging van strafbare feiten worden geschaad als inzage wordt gegeven in het dossier. De korpschef heeft in het bestreden besluit verder opgemerkt dat het inzagerecht uit artikel 25 van de Wpg niet bedoeld is voor het voeren van juridische procedures en dat inzage enkel mogelijk is in de op zijn persoon betrekking hebbende gegevens. Politiegegevens die betrekking hebben op derde(n) worden dan geanonimiseerd. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt allereerst het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het inzageverzoek. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de korpschef het inzageverzoek terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Beroep wegens niet tijdig beslissen 4. De rechtbank stelt vast dat de korpschef met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het inzageverzoek. In een dergelijk geval bestaat volgens vaste rechtspraak geen belang meer voor eiser bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit onderdeel van het beroep is niet-ontvankelijk. Heeft de korpschef het inzageverzoek terecht afgewezen op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg? 5.1. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat het onvoldoende gemotiveerd en transparant is en dat de belangen niet voldoende kenbaar zijn afgewogen. Daarmee is volgens eiser sprake van een schending van het rechtsbeginsel van ‘equality of arms.’ 5.2. Eiser verwijst allereerst naar rechtspraak waaruit blijkt dat de korpschef dient aan te geven waarom in dit concrete geval de gehele afwijzing noodzakelijk en evenredig is in het licht van de genoemde belangen. Het is daarbij niet onmogelijk een motivering te geven zonder daarbij specifieke, feitelijke informatie te benoemen die met het oog op de bedoelde belangen niet ter kennis van de betrokkene mogen komen. Voorop dient voorts te staan dat de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens een grondrecht is, hetgeen een zekere mate van transparantie vereist die meer vraagt dan een enkele verwijzing naar wetsartikelen. Eiser stelt dat hij de gegeven motivering op geen enkele manier kan controleren noch kan controleren of de korpschef conform de Wpg handelt. Volgens eiser wordt verder niet inzichtelijk gemaakt op welke manier inzage in deze gegevens nadelige gevolgen voor eventuele vervolging kan hebben. 5.3. Er wordt volgens eiser op geen enkele manier ingegaan op zijn belang bij de verstrekking van zijn politiegegevens. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij een duidelijk belang heeft bij het verkrijgen van inzage in zijn politiegegevens, nu hij vanwege een valse beschuldiging die voortvloeit uit een burenconflict door de politie met geweld is aangehouden en daardoor schade heeft geleden. De aanhouding heeft een enorme impact op zijn fysieke en mentale gesteldheid, hij heeft gebroken ribben opgelopen en ondergaat traumatherapie. Het zou zijn herstel bevorderen indien eiser zou weten waarom hem dit onrecht is aangedaan. Eisers belang van waarheidsvinding maakt het daarom noodzakelijk inzage te verlenen. Te meer nu onduidelijk is of en wanneer vervolging plaats zal vinden. Eiser kan daarnaast als gevolg van de afwijzing met het bestreden besluit de schade die hij heeft geleden niet vorderen in een civiele procedure, waardoor hij indirect schade lijdt. Zijn belang dient daarom zwaarder te wegen dan het opsporingsbelang als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg. Deze uitzondering op het recht tot inzage is bedoeld om ervoor te zorgen dat het recht op kennisneming door een betrokkene wordt gebruikt om zich aan opsporing te (kunnen) onttrekken. In dit geval zijn er geen aanwijzingen dat het inzagerecht met dit doel wordt aangewend. Omdat eisers zwaarwegende belang in ernstige mate wordt beperkt, dienen er hogere eisen te worden gesteld aan de noodzakelijkheid en evenredigheid van de maatregel. De maatregel kan niet proportioneel zijn aan het nagestreefde doel nu dit in het besluit niet geconcretiseerd wordt. Hieruit volgt volgens eiser dat de afwijzing geen noodzakelijke en evenredige maatregel is. Het middel en het specifieke belang van betrokkene dienen altijd in verhouding tot het doel te worden bezien. Ook voldoet het bestreden besluit niet aan de eis van subsidiariteit. De korpschef had inzage kunnen verlenen en daarbij persoonlijke gegevens van derden kunnen anonimiseren. 6.1. Ter zitting heeft de korpschef de afwijzing nader onderbouwd door te stellen dat het belang van de vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging zodanig zwaar weegt dat het belang van eiser daar niet tegen op kan wegen. De korpschef heeft er daarbij ook op gewezen dat wanneer eiser wenst te weten wat er is vastgelegd met betrekking tot het incident en hoe hij behandeld is, de klachtenprocedure of een civiele procedure daar de geëigende weg voor zijn. Het inzagerecht uit de Wpg is daar niet voor bedoeld, aldus de korpschef. 6.2. In de Wpg staat dat iemand het recht heeft om uitsluitsel te krijgen over de verwerking van hem betreffende politiegegevens en om die gegevens in te zien. Dit recht op inzage is niet absoluut. Op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wpg wordt een inzageverzoek afgewezen voor zover dit een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of tenuitvoerlegging van straffen. De korpschef moet dat specifiek motiveren en daarbij beoordelen of dat geldt voor alle onderdelen van de politiegegevens. 6.3. De rechtbank stelt vast dat de korpschef de afwijzing slechts in algemene termen heeft gemotiveerd door te stellen dat eiser verdachte is in een lopende strafzaak. De rechtbank ziet zonder nadere motivering niet dat de strafzaak wordt geschaad door inzage in bijvoorbeeld de onder d t/m g genoemde gegevens (gegevens over de subsidiariteit en proportionaliteit van alle toegepaste (gewelds)handelingen, alle gegevens van het verzoek om een ambulance tijdens het incident waarvan eiser inzage verzocht en (delen van) de opnames van bodycams). Naast de noodzaak is ook de evenredigheid van de afwijzing niet gemotiveerd onderbouwd. Dit moet per onderdeel van de politiegegevens worden gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de motivering voor de weigering van inzage in deze politiegegevens van eiser daarom te kort schiet. De beroepsgrond slaagt in zoverre. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De korpschef zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. 9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk; verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Galjee-Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2024. griffier rechter De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2701. Een uitspraak van deze rechtbank van 28 juli 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:5929) en een uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 december 2020 (ECLI:NL:RBLIM:2020:9991). Dit staat in artikel 25 van de Wpg. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2007.